Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4450

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
ARN 25/877
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 28 WrbArt. 32 Wrb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit Raad voor Rechtsbijstand over toevoeging bij Ziektewetuitkering

Eiser, die een Ziektewetuitkering ontving, diende twee aanvragen om toevoeging in voor bezwaarprocedures tegen verschillende besluiten van het UWV over zijn arbeidsongeschiktheid. De Raad voor Rechtsbijstand verleende één toevoeging, maar wees de tweede af met het argument dat het om hetzelfde rechtsbelang ging.

De rechtbank oordeelt dat de Raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van hetzelfde rechtsbelang of een samenstel van belangen zonder zelfstandige betekenis. De medische beoordelingen liggen meer dan een half jaar uit elkaar en betreffen verschillende feitencomplexen en doelen. Het ene bezwaar richt zich op de situatie per november 2023, het andere op de situatie per juni 2024.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de Raad op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt zij de Raad tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Raad voor Rechtsbijstand wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/877

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. E. Schriemer),
en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand

(gemachtigde: mr. P.S.J. de Koning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een toevoeging. Eiser is het niet eens met de afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers aanvraag om een toevoeging.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van hetzelfde rechtsbelang dan wel van een samenstel van belangen die zo nauw met elkaar samenhangen dat niet kan worden gesproken van zelfstandige rechtsbelangen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om een toevoeging. De raad heeft deze aanvraag met het besluit van 27 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van
10 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de raad bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De raad heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de raad via een videoverbinding deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontving van zijn (ex)-werkgever een Ziektewetuitkering. Omdat eiser op
9 januari 2024 langer dan één jaar ziek was, heeft hij een gesprek gehad met een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het UWV [1] voor een eerstejaars Ziektewetbeoordeling. Op basis van deze gesprekken heeft het UVW met het besluit van
9 januari 2024 geoordeeld dat eiser vanaf 10 februari 2024 geen Ziektewetuitkering meer krijgt omdat hij op 9 november 2023 meer dan 65% van het loon kan verdienen dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
3.1.
Op 5 juni 2024 heeft eiser zich opnieuw ziekgemeld. Vanwege deze ziekmelding heeft eiser op 27 juni 2024 een gesprek gehad met een arts van het UWV. Op basis van dit gesprek heeft het UWV met het besluit van 27 juni 2024 geoordeeld dat eiser vanaf
5 juni 2024 arbeidsgeschikt blijft en daarom geen Ziektewetuitkering krijgt.
3.2.
Op 25 juli 2024 zijn namens eiser twee aanvragen ingediend om een toevoeging. De toevoeging [toevoeging 1] is aangevraagd om bezwaar te maken tegen het besluit van
27 juni 2024. De raad heeft met het besluit van 26 augustus 2024 deze toevoeging verleend. Verder is toevoeging [toevoeging 2] aangevraagd om bezwaar te maken tegen het besluit van
9 januari 2024. De raad heeft met het besluit van 27 augustus 2024 deze toevoeging afgewezen omdat de werkzaamheden vallen onder het bereik van de eerder verstrekte toevoeging [toevoeging 1]. Met het bestreden besluit van 10 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de raad bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Beoordelingskader
4. De raad kan een toevoeging weigeren als de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang waarvoor de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op basis van een eerder afgegeven toevoeging en het gaat om een procedure bij dezelfde instantie. [2] Bij de beoordeling van de vraag of een aanvraag om een toevoeging betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging, komt de raad beoordelingsruimte toe. De bestuursrechter gaat na of de manier waarop het bestuursorgaan van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt, in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter ook nagaan of de raad redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. [3]
4.1.
De raad heeft de beoordelingsruimte ingevuld met beleid, neergelegd in de werkinstructie "Bereik". Volgens paragraaf 1.2 van deze werkinstructie is voor de afbakening van het begrip rechtsbelang bepalend wat het doel én beoogd eindresultaat is van de rechtsbijstand in combinatie met het onderliggende feitencomplex. Als het doel en beoogd eindresultaat van de verschillende toevoegingen identiek is, is dus sprake van één rechtsbelang. Ook kan één rechtsbelang worden aangenomen, indien doel en beoogd eindresultaat weliswaar niet identiek zijn, maar er wel sprake is van een samenstel van rechtsbelangen zonder zelfstandige betekenis. [4]
Vallen de verrichte werkzaamheden onder hetzelfde rechtsbelang?
5. Eiser betoogt dat de verrichte werkzaamheden niet onder hetzelfde rechtsbelang vallen. De aandoeningen van eiser zijn weliswaar vergelijkbaar, maar het is de vraag of de klachten en beperkingen in de tijd niet zijn toegenomen ten opzichte van de eerdere beoordeling. Het feitencomplex is dan ook anders. Het ene feitencomplex betreft de medische en arbeidskundige status op 9 november 2023, terwijl het andere feitencomplex de medische situatie betreft op of na 5 juni 2024. Daarbij speelt de vraag of sprake is van toegenomen klachten of een nieuwe uitvalsoorzaak. De beoordeling ziet dus op een ander tijdsmoment. Verder is geen sprake van een identiek doel en eindresultaat. Het doel van de rechtsbijstand in de eerste zaak is het aanvechten van de duurzame schatting en de theoretische verdiencapaciteit per februari 2024. Het doel in de tweede zaak is het bewijzen dat eiser wegens een nieuwe of verergerde acute medische situatie per 5 juni 2024 niet in staat was de geduide functies te verrichten. De rechtsbijstandverlener dient voor beide procedures afzonderlijk medische stukken te verzamelen, aparte bezwaargronden te formuleren en separate hoorzittingen bij het UWV voor te bereiden. Anders dan in de door de raad aangehaalde rechtspraak, is in deze situatie sprake van een breuk in de feitelijke en juridische keten. Eiser heeft zich namelijk opnieuw ziek gemeld terwijl hij zich niet meer in de actieve Ziektewet-stroom van de eerste ziekmelding bevond. Verder is het feit dat het UWV de zaken heeft gesplitst en een zelfstandige proceskostenvergoeding heeft toegekend in de bezwaarprocedure tegen de eerstejaars Ziektewetbeoordeling het bewijs dat sprake is van een diversiteit van rechtsbelangen met een duidelijk zelfstandige betekenis.
5.1.
De raad stelt zich op het standpunt dat sprake is van hetzelfde rechtsbelang dan wel van een samenstel van belangen die zo nauw met elkaar samenhangen dat niet gesproken kan worden van zelfstandige rechtsbelangen. Aan beide procedures ligt (nagenoeg) hetzelfde feitencomplex ten grondslag want de aandoeningen zijn vergelijkbaar. In beide procedures is het beoogde doel en eindresultaat het verkrijgen van een Ziektewetuitkering. Dat (mogelijk) sprake was van andere rechtsvragen en/of van een andere periode maakt niet dat daarmee ook sprake is van verschillende rechtsbelangen. [5] Verder stelt de raad dat geen sprake is van procedures bij verschillende instanties waardoor geen sprake is van een diversiteit van procedures. [6]
5.2.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van hetzelfde rechtsbelang dan wel van een samenstel van belangen die zo nauw met elkaar samenhangen dat niet kan worden gesproken van zelfstandige rechtsbelangen. De doelen en beoogde eindresultaten van de toevoegingen zijn namelijk niet identiek. Het doel van eiser met de procedure waarvoor toevoeging [toevoeging 2] is aangevraagd, was om zijn Ziektewetuitkering vanaf 10 februari 2024 te laten doorlopen omdat hij op 9 november 2023 minder dan 65% van het loon kan verdienen dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het doel dat eiser voor ogen had met de procedure waarvoor toevoeging [toevoeging 1] is aangevraagd was het verkrijgen van een nieuwe Ziektewetuitkering vanaf 5 juni 2024. Het tijdsverloop van meer dan een half jaar tussen de twee medische beoordelingen en de stelling dat de klachten in de tussentijd mogelijk zijn toegenomen, maakt ook dat niet kan worden gesproken van hetzelfde feitencomplex. Verder zien de door de raad aangehaalde uitspraken op een andere situatie, omdat in die zaken geen sprake is van twee medische beoordelingen per verschillende data die meer dan een half jaar uit elkaar liggen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dat is in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de raad op om binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de raad het betaalde griffierecht van € 53 aan eiser vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De raad moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 1). Verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de raad op om binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak; een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de raad tot betaling van € 934 aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat de raad het griffierecht aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
2.Dit volgt uit artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b. van de Wrb, in samenhang met artikel 32 van Pro de Wrb.
3.ABRvS 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:155.
4.Zie bijvoorbeeld ABRvS 19 november 2024, ECLI:NL:RVS:2014:4118.
5.De raad wijst ter onderbouwing van haar standpunt op ABRvS 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:355 en ABRvS 8 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:26.
6.De raad wijst ter onderbouwing van haar standpunt op ABRvS 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3343.