Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4466

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
05.190133.25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 416 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen opzetheling van 15 dure elektrische fietsen

In de periode van 11 tot 20 juni 2025 zijn 15 dure elektrische fietsen gestolen en aangetroffen in de tuin van de woning van een medeverdachte waar verdachte verbleef. Verdachte had de fietsen gekocht zonder aankoopbewijzen en had ze ingepakt in folie om ze te verbergen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de fietsen van diefstal afkomstig waren, waarmee medeplegen van opzetheling is vastgesteld.

De verdediging voerde aan dat opzetheling niet bewezen kon worden, maar schuldheling wel. De rechtbank verwierp dit en oordeelde dat voorwaardelijk opzet voldoende was. Verdachte verbleef in de woning van de medeverdachte en gebruikte diens tuin en schuur als opslag, wat de nauwe samenwerking bevestigt.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 5 maanden op, met aftrek van voorarrest, en wees enkele schadevergoedingen toe aan benadeelden voor reiskosten en herstelkosten, terwijl overige vorderingen werden afgewezen omdat de fietsen waren teruggegeven of de schade niet rechtstreeks aan verdachte kon worden toegerekend.

De straf is gebaseerd op de ernst van het feit, de aard van de fietsen, en het voorkomen van mobiel banditisme. Verdachte verscheen niet ter terechtzitting en zijn verklaring was niet verifieerbaar. De schadevergoedingsmaatregel is opgelegd conform artikel 36f Sr.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 5 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van opzetheling van 15 dure elektrische fietsen met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoedingen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-190133-25
Datum uitspraak : 1 juni 2026
Tegenspraak (art. 279 Sv Pro)
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte ],
geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] (Polen),
wonende aan de [adres] [woonplaats ] ,
raadsman: mr. J. Velthoven, advocaat in Tiel.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
18 mei 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juni 2025 tot en met
20 juni 2025 te Aalst, gemeente Zaltbommel, althans in Nederland,
tezamen met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal, een hoeveelheid fietsen (met fietstassen) te weten:
Koga e-nova Evo –Pt zwart met framenummer KGBP04787 met 2 fietstassen en/of;
Gazelle Orange c8 Hmb L53 Zwart H8 met framenummer 61848931 en/of;
Gazelle grenoble c7 Hmb blauw framenummer 62023151 en 2 blauwe fietstassen en/of;
Giant Explore paars framenummer EAFE0852 met fietstassen van Gant en/of;
Gazelle Grenoble C8 groen framenummer 61509007 met fietstassen zwart van Gazelle en/of;
Gazelle grenoble C7 wit framenummer 61960702 met bruine/zwarte dubbele fietstas en een bosch 500 watt accu en/of;
Gazelle Grenoble c7 Hmb D49 N7 saturn blue matt framenummer 61884327 met zwarte dubbele fietstassen en/of;
Gazelle Grenoble C8 Hmb zwart framenummer 61569060 met twee fietstassen van Gazelle en/of;
Gazelle Ultimate c380 Hmb grijs framenummer 61747847 met fietstassen en/of;
Gazelle Ultimate c380 Hmb grijs framenummer 61759567 en/of;
Gazelle Grenoble C380 zwart framenummer 61614526 en/of;
Stella Liverno grey Mdbal +SI 28 n8d Us beige framenummer KCP300172SMUS12510 en/of
Gazelle Grenoble C7+ Hmb blauw met framenummer 62158411 en/of;
Gazelle Ultimate c8+ Hm bosch rood framenummer GZ61287344 en/of;
Gazelle Medeo T10 Hm Bosch zwart met framenummer GZ61379032 en/of;
Koga Carbon Drive blauw met framenummer KGBP23423;
althans een of meer goederen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
In de periode van 11 juni 2025 tot en met 20 juni 2025 zijn 15 fietsen (met fietstassen) op verschillende locaties in Nederland gestolen. [2] Deze fietsen zijn op 20 juni 2025 aangetroffen in de tuin van de woning aan de [adres] in [woonplaats ] . Dit is de woning van medeverdachte [medeverdachte ] . Verdachte en medeverdachte [medeverdachte ] stonden op dat moment in de achtertuin van de woning. [3]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan met medeplegen van opzetheling van 15 fietsen (met fietstassen).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte wist dat de fietsen van diefstal afkomstig waren op het moment dat hij de fietsen ging kopen. Opzetheling kan daarmee niet worden bewezen. Verdachte had redelijkerwijs moeten vermoeden dat de fietsen van diefstal afkomstig waren, waardoor schuldheling wel kan worden bewezen.
Beoordeling door de rechtbank
Op 20 juni 2025 zijn verbalisanten naar de [adres] te [woonplaats ] gegaan, omdat daar de gestolen fiets van melder zou uitstralen. In een witte bus met kenteken [kenteken] stonden twee e-bikes. In de achtertuin stonden verdachte [verdachte ] en medeverdachte [medeverdachte ] met elkaar te praten. In de tuin stonden 12 in folie gewikkelde fietsen, waaronder de fiets van melder. In de schuur lagen 17 fietstassen. Er zijn in totaal 16 fietsen aangetroffen. [4]
In de woning aan de [adres] te [woonplaats ] werd een blauwe agenda aangetroffen met daarin vele serienummers van fietsen met daarachter diverse bedragen. Daarnaast is onder de tuinbank een zwarte softgel etui aangetroffen met daarin een aantal blanke moedersleutels. [5]
Verdachte heeft verklaard dat hij in het huis van medeverdachte [verdachte ] verbleef en dat hij de witte bus heeft geleend van iemand om de fietsen in te vervoeren. Hij heeft de fietsen als partij op straat in Den Bosch gekocht van een getinte man. Hij heeft € 3.000,- aanbetaald en zou later nog € 4.000,- betalen. Hij vond € 7.000,- voor 15 fietsen een goede prijs. Verdachte wilde de fietsen verkopen in Polen. De 17 fietstassen horen bij de fietsen, die heeft hij eraf gehaald omdat ze in de weg zaten bij het inpakken. Hij heeft één tot drie fietsen per dag gekocht over een periode van twee weken. Hij had de bus nodig om de fietsen op te halen van de mensen die de fietsen aan hem hebben verkocht. Hij heeft zelf de fietsen in de tuin gezet. De laatste dag dat hij een fiets had opgehaald is de dag dat hij is opgepakt. Hij heeft geen betaalbewijs van de fietsen. De blauwe agenda is van verdachte, de nummers die daarin geschreven staan zijn de nummers die hij van de mensen heeft gekregen, van wie hij de fietsen heeft gekocht. De prijzen zijn de bedragen in Zlotty (Poolse munteenheid), waarvoor zij denken dat de fietsen kunnen worden verkocht. [6]
Opzetheling
De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van opzetheling dient te worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Voorwaardelijk opzet is daarbij voldoende.
Op grond van de vaststaande feiten en voornoemde bewijsmiddelen overweegt de rechtbank verder als volgt.
De gestolen fietsen zijn aangetroffen in de tuin van de woning van medeverdachte [medeverdachte ] waar verdachte verbleef. Verdachte zou € 7.000,- hebben betaald voor 15 elektrische fietsen. Uit de aangiftes volgt dat dit doorgaans dure elektrische fietsen betroffen van slechts een paar jaar oud. Verdachte zou de fietsen op straat hebben gekocht, wat voor dergelijke fietsen niet gangbaar is. Dit geldt temeer nu hij heeft verklaard dat hij de partij fietsen in delen geleverd kreeg, over een periode van twee weken en er in sommige fietstassen nog persoonlijke spullen van de eigenaars zaten. Verdachte heeft de fietsen gedemonteerd en ingepakt in donker folie, zodat ze makkelijker te vervoeren waren maar ook niet meer als fietsen herkenbaar waren. De fietstassen, met daarin persoonlijke spullen van de eigenaren van de fietsen, heeft hij in de schuur gelegd. Verdachte heeft geen aankoopbewijzen en heeft geen verifieerbare verklaring over de herkomst van de fietsen. Ook zijn geen opladers van de elektrische fietsen aangetroffen. Er is in de woning een agenda van verdachte gevonden met daarin framenummers van de fietsen en bedragen erachter. Uit al deze feitelijke omstandigheden volgt dat verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet had op de wetenschap dat de fietsen van diefstal afkomstig waren.
Medeplegen
De rechtbank acht in het licht van het voorgaande derhalve ook het medeplegen bewezen. Er is immers sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte. Verdachte verbleef in de woning van medeverdachte [medeverdachte ] en gebruikte zijn tuin/schuur als opslag voor de fietsen. Bovendien stonden zij samen in de achtertuin van de woning waar de fietsen stonden op het moment dat de politie daar kwam.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte, het tenlastegelegde (medeplegen van opzetheling) heeft gepleegd.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op
een ofmeer tijdstippen in
of omstreeksde periode van 11 juni 2025 tot en met
20 juni 2025 te Aalst, gemeente Zaltbommel, althans in Nederland,
tezamen met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen,
althans eenmaal, een hoeveelheid fietsen (met fietstassen) te weten:
Koga e-nova Evo –Pt zwart met framenummer KGBP04787 met 2 fietstassen en
/of;
Gazelle Orange c8 Hmb L53 Zwart H8 met framenummer 61848931 en
/of;
Gazelle grenoble c7 Hmb blauw framenummer 62023151 en 2 blauwe fietstassen en
/of;
Giant Explore paars framenummer EAFE0852 met fietstassen van Gant en
/of;
Gazelle Grenoble C8 groen framenummer 61509007 met fietstassen zwart van Gazelle en
/of;
Gazelle grenoble C7 wit framenummer 61960702 met bruine/zwarte dubbele fietstas en een bosch 500 watt accu en
/of;
Gazelle Grenoble c7 Hmb D49 N7 saturn blue matt framenummer 61884327 met zwarte dubbele fietstassen en
/of;
Gazelle Grenoble C8 Hmb zwart framenummer 61569060 met twee fietstassen van Gazelle en
/of;
Gazelle Ultimate c380 Hmb grijs framenummer 61747847 met fietstassen en
/of;
Gazelle Ultimate c380 Hmb grijs framenummer 61759567 en
/of;
Gazelle Grenoble C380 zwart framenummer 61614526 en
/of;
Stella Liverno grey Mdbal +SI 28 n8d Us beige framenummer KCP300172SMUS12510 en
/of;
Gazelle Grenoble C7+ Hmb blauw met framenummer 62158411 en
/of;
Gazelle Ultimate c8+ Hm bosch rood framenummer GZ61287344 en
/of;
Gazelle Medeo T10 Hm Bosch zwart met framenummer GZ61379032
en/of;
Koga Carbon Drive blauw met framenummer KGBP23423;
althans een of meer goederen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad
en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van
dit goed/deze goederen wist,
althans redelijkerwijs had moeten vermoedendat het
(een)door misdrijf verkregen goed
(eren
)betrof.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzetheling

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf te fors is en verzoekt de zaak af te doen met een taakstraf. Verdachte is bereid naar Nederland te komen om een taakstraf uit te voeren. Uitgaande van een bewezenverklaring voor schuldheling, acht de raadsman een taakstraf van 160 uren passend.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan opzetheling van 15 dure elektrische fietsen. Hij lijkt alleen naar Nederland te zijn gekomen om die fietsen op te halen en het dossier geeft blijk van indicatoren voor mobiel banditisme. Opzetheling is een ernstig strafbaar feit. Heling bevordert diefstal en zorgt bovendien voor een illegaal circuit van goedkope(re) goederen, waardoor de reguliere, eerlijke (detail)handel wordt verstoord en schade wordt toegebracht. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
Uit het strafblad van verdachte van 15 april 2026 blijkt dat geen sprake is van relevante recidive.
Verdachte is niet uit eigen beweging gestopt, maar door ingrijpen van de politie. Zijn verklaring is niet verifieerbaar en hij is ter terechtzitting niet verschenen. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank legt conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden op, met aftrek van het voorarrest.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

[benadeelde 1] (fiets 7)
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.591,95 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de benadeelde de fiets terug heeft gekregen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De benadeelde heeft de fiets terug gekregen.
Overweging van de rechtbank
De materiële schade bestaat uit de kosten van de fiets en de fietstas. Benadeelde heeft haar fiets inmiddels terug gekregen, waardoor de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering zal verklaren.
[benadeelde 2] (fiets 8)
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.243,80 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:
  • fiets € 1.179,40
  • reiskosten ophalen fiets € 64,40
Standpunten
De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot een bedrag van € 1.243,80 wordt toegewezen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade aan de fiets door verdachtes handelen is veroorzaakt. Bewezenverklaard is immers de opzetheling van de fiets. Nu als uitgangspunt geldt dat de vermogensschade in een dergelijk geval wordt veroorzaakt door de diefstal en niet door de heling die daarop volgt, terwijl niet kan worden vastgesteld dat de bijkomende schade is ontstaan sinds verdachte de fiets onder zich hield, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade aan de fiets. De benadeelde partij zal voor dit deel van de schade niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De reiskosten die benadeelde heeft gemaakt om haar fiets op te halen bij Domeinen in Hoogeveen zijn naar het oordeel van de rechtbank wel aan te merken als rechtstreekse schade en kunnen aan verdachte worden toegerekend.
Voor die schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de reiskosten á € 64,40 kan worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 2 januari 2026 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.
[benadeelde 3] (fiets 11)
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.544,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de benadeelde de fiets terug heeft gekregen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De benadeelde heeft de fiets terug gekregen.
Overweging van de rechtbank
De materiële schade bestaat uit de kosten van de fiets en accessoires. Benadeelde heeft de fiets inmiddels terug gekregen, waardoor de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering zal verklaren.
[benadeelde 4] (fiets 13)
De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 759,85 aan materiële schade en € 100,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:
  • fietshuur € 130,00
  • inbussleutel € 14,95
  • kosten gestolen fiets en toebehoren € 3.413,90
  • meerprijs nieuwe fiets € 500,00
  • reeds vergoede schade - € 3.399,00
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor de fietshuur en inbussleutel á € 144,95 voldoende zijn onderbouwd en kunnen worden toegewezen. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de benadeelde de fiets terug heeft gekregen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De benadeelde heeft de fiets terug gekregen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De materiële schade bestaat uit de kosten van de fiets, fietshuur en inbussleutels.
De rechtbank overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade door verdachtes handelen is veroorzaakt. Bewezenverklaard is immers de opzetheling van de fiets. Nu als uitgangspunt geldt dat de vermogensschade in een dergelijk geval wordt veroorzaakt door de diefstal en niet door de heling die daarop volgt, terwijl niet kan worden vastgesteld dat bijkomende schade is ontstaan sinds verdachte de fiets onder zich hield, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partij [benadeelde 4] geleden schade.
Tot slot heeft benadeelde de fiets terug gekregen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.
Smartengeld
De schadepost is onvoldoende onderbouwd. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
[benadeelde 5] (fiets 14 en 15)
De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 488,15 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:
  • fietshuur € 80,00
  • montage fiets en schadeherstel € 150,85
  • montage fiets € 99,50
  • vest uit fietstas € 100,00
  • reiskosten ophalen fiets Den Bosch € 37,20
  • reiskosten ophalen fiets Goirle € 21,30
Standpunten
De officier van justitie heeft verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] tot een bedrag van € 488,15 wordt toegewezen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade die ziet op de fietshuur en het vest, door verdachtes handelen is veroorzaakt. Bewezenverklaard is immers de opzetheling van de fiets. Nu als uitgangspunt geldt dat de vermogensschade in een dergelijk geval wordt veroorzaakt door de diefstal en niet door de heling die daarop volgt, terwijl niet kan worden vastgesteld dat bijkomende schade is ontstaan sinds verdachte de fiets onder zich hield, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een voldoende rechtstreeks verband tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partij [benadeelde 5] geleden schade. De benadeelde partij zal voor dit deel van de schade niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De rechtbank overweegt dat benadeelde de fietsen weer heeft teruggekregen. De kosten die zijn gemaakt voor het in elkaar zetten van de fietsen en de reiskosten die benadeelde heeft gemaakt om de fietsen op te halen zijn naar het oordeel van de rechtbank wel aan te merken als rechtstreekse schade en kunnen aan verdachte worden toegerekend.
Voor die schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft het herstel van de fietsen en de reiskosten á € 308,85 kan worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 26 augustus 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 47 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 64,40 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 2] , een bedrag te betalen van € 64,40 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.) Als dit bedrag niet wordt betaald, kan 1 dag gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld;
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 5] van € 308,85 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde 5] , een bedrag te betalen van € 308,85 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 3 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. Stratenus (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. M.S. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juni 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025290099, gesloten op 23 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 15-16 (fiets 1), proces-verbaal van aangifte, p. 17-18 (fiets 2), proces-verbaal van aangifte, p. 19-20 (fiets 3), proces-verbaal van aangifte, p. 22-23 (fiets 4), proces-verbaal van aangifte, p. 27-28 (fiets 5), proces-verbaal van aangifte, p. 30-31 (fiets 6), proces-verbaal van aangifte, p. 33-34 (fiets 7), proces-verbaal van aangifte, p. 36-37 (fiets 8), proces-verbaal van aangifte, p. 39-40 (fiets 9), proces-verbaal van aangifte, p. 41-42 (fiets 10), proces-verbaal van aangifte, p. 43-44 (fiets 11), proces-verbaal van aangifte, p. 46-47 (fiets 12), proces-verbaal van aangifte, p. 49-50 (fiets 13), proces-verbaal van aangifte, p. 51-52 (fiets 14 en 15).
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 54-55.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 54-55, proces-verbaal van bevindingen, p. 25-27.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 87.
6.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 119-121, proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 131-132