ECLI:NL:RBGEL:2026:4478
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen beschikking rendementsgrondslag box 3 en recht op huurtoeslag
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022, waarbij de rendementsgrondslag box 3 is vastgesteld op € 32.735. Tevens is bezwaar gemaakt tegen de terugvordering van huurtoeslag door de Dienst Toeslagen. De rechtbank beoordeelt of de rendementsgrondslag te hoog is vastgesteld en of belanghebbende recht heeft op de toeslag.
Belanghebbende stelt dat een deel van het vermogen op de bankrekening niet van haar is, maar van haar dochter die in 2014 naar het buitenland is vertrokken en destijds € 25.000 heeft overgeboekt. De inspecteur betwist dit en stelt dat belanghebbende onvoldoende heeft aangetoond dat het vermogen niet volledig van haar is of dat er sprake is van een schuld die in mindering moet worden gebracht.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet is geslaagd in het aannemelijk maken van haar stellingen. De gegevens tonen geen eenmalige storting van € 25.000 in 2014 en het vermogen is pas vanaf 2018 toegenomen. De rendementsgrondslag is daarom terecht vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de aanslag en beschikking blijven in stand en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de beschikking rendementsgrondslag box 3 en het recht op huurtoeslag wordt ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2022 blijft gehandhaafd.