Eiser maakte bezwaar tegen een besluit waarbij hem een aanvullende tijdelijke tegemoetkomingsregeling Kinderopvang (TTKO) vergoeding van €16 werd toegekend. Hij betwistte de vaststelling van de proceskosten, stelde dat hij ten onrechte niet was gehoord en verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat de proceskosten correct waren vastgesteld conform eerdere uitspraken en dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar volledig was gehonoreerd. De overschrijding van de redelijke termijn werd erkend, maar vanwege het geringe financiële belang van €16 werd geen immateriële schadevergoeding toegekend.
Het beroep werd ongegrond verklaard, eiser kreeg geen proceskostenvergoeding en ook geen immateriële schadevergoeding. De rechtbank sloot het onderzoek zonder zitting en wees het verzoek om schadevergoeding af, waarbij zij volstond met de constatering van de termijnoverschrijding.