Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4486

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
ARN 24_5532
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38n Wet LB 1964Art. 19b Wet LB 1964Art. 13 Wet LB 1964Art. 3.12 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011Art. 30i AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling prijsgeven pensioen- en stamrechtaanspraken bij turboliquidatie en regulier voordeel uit aanmerkelijk belang

Belanghebbende was enig aandeelhouder en bestuurder van Beheermaatschappij B.V., die op 15 november 2019 is ontbonden wegens het ontbreken van baten. De inspecteur legde voor 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op, inclusief revisierente en belastingrente, gebaseerd op het prijsgeven van pensioen- en stamrechtaanspraken en een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang vanwege het achterwege blijven van rentebetaling over een rekening-courantschuld.

Belanghebbende voerde aan dat niet Beheermaatschappij maar alleen de handelsnaam was ontbonden en dat de aanspraken verrekend moesten worden met de vordering in rekening-courant. De rechtbank verwierp deze stellingen, oordeelde dat Beheermaatschappij daadwerkelijk was ontbonden en dat de aanspraken terecht als loon uit vroegere dienstbetrekking zijn belast. Ook het regulier voordeel uit aanmerkelijk belang werd bevestigd vanwege het niet betalen van rente over de schuld aan de vennootschap.

De rechtbank concludeerde dat de aanslag, revisierente en belastingrente terecht zijn vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem op 8 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2019, revisierente en belastingrente wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5532

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 maart 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.472.266 en naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 307.419.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 334.141 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en € 892.195 revisierente in rekening gebracht (de revisierentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang gehandhaafd. De belastingrentebeschikking is vastgesteld op € 322.532 en de revisierentebeschikking is verminderd tot € 778.817.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Bij de zitting is, met kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen.

Feiten

Belanghebbende was tot 15 november 2019 enig aandeelhouder en bestuurder van [beheermaatschappij] B.V. (Beheermaatschappij).
In het dossier is een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van “[beheermaatschappij] B.V.” opgenomen (vervaardigd op 20-9-2024) met als nummer [nummer 1]. Daarin is de volgende passage opgenomen:
“Op 21-10-1997 is geregistreerd dat de onderneming is m.i.v. 01-10-1997 verplaatst naar het adres: [locatie], [postcode] [plaats].
Ressorteert onder district van de Kamer van Koophandel te Gooi-, Eem- en Flevoland.”
Als handelsnaam staat vermeld: [beheermaatschappij] B.V.
3. In het dossier is een uittreksel uit het handelsregister onder nummer [nummer 2] opgenomen van Beheermaatschappij (vervaardigd op 20-9-2024). Daarin is als handelsnaam “[naam bedrijf]” vermeld en als statutaire naam “[beheermaatschappij] B.V.” vermeld en een RSIN-nummer [RSIN-nummer]. Daarin is de volgende passage opgenomen:
“Op 22-11-2019 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 15-11-2019.”
4. Op 20 november 2019 heeft de Kamer van Koophandel een door belanghebbende ingevuld en ondertekend formulier 17a ontvangen. Volgens dit formulier is “[naam bedrijf]” met nummer [nummer 2] op 15 november 2019 ontbonden wegens het ontbreken van baten. Per 22 november 2019 is Beheermaatschappij uitgeschreven uit het handelsregister. Als bewaarder van de boeken en bescheiden heeft belanghebbende zichzelf aangewezen.
5. In de jaarrekeningen en jaarverslagen 2009, 2011 en 2013 van Beheermaatschappij die bij de Kamer van Koophandel zijn ingediend staat het nummer [nummer 2] vermeld.
6. In de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2019 van Beheermaatschappij is per november 2019 de volgende vermogensopstelling opgenomen:
Activa
Passiva
Overige financiële vaste activa
€ 6.304.157
Gestort en opgevraagd kapitaal
€ 2.900.768
Overige vorderingen
€ 266.493
Voorziening voor lijfrente, stamrecht en pensioen
€ 3.664.880
Liquide middelen
€ 4
Schulden aan leveranciers en handelskredieten
€ 5.006
Totaal Activa
€ 6.570.654
€ 6.570.654
7. De balanspost "voorziening voor lijfrente, stamrecht en pensioen" van € 3.664.880 bestaat uit een stamrechtverplichting en een pensioenverplichting ten behoeve van belanghebbende. De stamrechtverplichting is op de commerciële balans van Beheermaatschappij gewaardeerd op € 566.893. De fiscale waarde van de pensioenverplichting bedraagt € 3.097.987. De commerciële waarde van de pensioenverplichting bedraagt € 3.894.086.
8. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019 de totale schuld van belanghebbende aan Beheermaatschappij vastgesteld op € 4.598.233.
9. Belanghebbende heeft op 11 februari 2013 met [beheermaatschappij] B.V. een rekening-courantovereenkomst gesloten, waarin is bepaald dat over het saldo een rente in rekening wordt gebracht van 5% per jaar.
10. Voor de jaren 2015 en 2016 heeft belanghebbende een beroepsprocedure gevoerd over de vraag of de niet in rekening gebrachte rente over de rekening-courantschuld in de jaren 2015 en 2016 ten bedrage van € 167.388 respectievelijk € 162.297 als een uitdeling diende te worden aangemerkt. In de hoger beroepsprocedure is overeengekomen dat de genoemde bedragen in 2019 in aanmerking zullen worden genomen.
11. Voor de jaren na 2019 zijn door Beheermaatschappij geen aangiften vennootschapsbelasting meer ingediend.
12. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019 het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 4.472.266, bestaande uit het inkomen vermeld in de aangifte van € 11.287, vermeerderd met de afkoop van de pensioenvoorziening van € 3.894.086 en de afkoop van het stamrecht ten bedrage van € 566.893. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vastgesteld op € 307.419, bestaande uit een vervreemdingsvoordeel van € 114.097 en een regulier voordeel van € 193.322.
13. Tussen belanghebbende, zijn echtgenote en de gemachtigde enerzijds en de Belastingdienst anderzijds heeft op 3 februari 2023 een gesprek plaatsgevonden om tot een totaaldeal te komen. Daarvan is een verslag opgemaakt. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
“Aangaande de aangiften IB/PVV 2019: gemachtigde geeft aan dat alles wat we schrijven over het pensioen en de revisierente correct is en dat hij daar niets tegen in te brengen heeft. Desgevraagd geeft belanghebbende aan dat de pensioenverplichting en de stamrechtverplichting niet ergens anders zijn ondergebracht. Ook is de schuld aan de vennootschap niet afgelost. S geeft aan dat het bedrag van het vrijvallende stamrecht niet juist is. Hij zal belanghebbenden daar nog nader over informeren.
Gemachtigde vraagt zich of hoe we nu verder gaan. Eerder is ook al geprobeerd eruit te komen. Het geld is uit de vennootschap gehaald en is belegd in Duitsland. Het geld is niet opgemaakt aan uitspattingen et cetera. Er komt nu een aanslag uit 2019 voort van zo'n 2,5 miljoen euro en die kan sowieso niet betaald worden. In het verleden is er ook geprobeerd uit te komen maar dat is niet gelukt.”

Beoordeling door de rechtbank

14. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2019, de revisierentebeschikking en de belastingrentebeschikking terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
15. In geschil is of sprake is van het prijsgeven van de pensioenrechten en stamrechtverplichtingen en of sprake is van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. Meer in het bijzonder is in geschil of Beheermaatschappij in 2019 is opgehouden te bestaan als gevolg van het uitgeschreven zijn van Beheermaatschappij uit het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel.
16. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de stukken blijkt dat Beheermaatschappij niet is ontbonden, maar “[naam bedrijf] B.V.” Volgens belanghebbende heeft de Kamer van Koophandel op eigen initiatief Beheermaatschappij ontbonden, waardoor er geen sprake is van prijsgeven van de pensioenaanspraak en de stamrechtaanspraak. Belanghebbende verwijst naar een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, waarin staat dat Beheermaatschappij (ook) staat ingeschreven onder het nummer [nummer 1]. Mocht al sprake zijn van prijsgeven van rechten, dan dienen die rechten te worden verrekend met de vordering in rekening-courant die Beheermaatschappij op belanghebbende heeft. Volgens belanghebbende is er ook geen sprake van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang.
17. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van prijsgeven van de pensioenaanspraak en de stamrechtverplichting. Belanghebbende heeft de ontbinding van Beheermaatschappij zelf geïnitieerd door formulier 17a bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel in te dienen. “[naam bedrijf] B.V.” komt niet voor in het handelsregister en kan daardoor niet zijn ontbonden. Dat Beheermaatschappij ook stond ingeschreven onder het nummer [nummer 1] doet niets af aan het voorgaande. De inspecteur is verder van mening dat sprake is van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang.
18. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is Beheermaatschappij opgehouden te bestaan?
19. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht stelt dat Beheermaatschappij door belanghebbende is ontbonden. Tot de stukken van het geding (bijlage 21 bij het verweerschrift) behoort een formulier 17a dat bij de Kamer van Koophandel kan worden ingediend om door te geven dat een rechtspersoon is ontbonden. Uit het formulier volgt dat het formulier op 20 november 2019 is binnengekomen bij de Kamer van Koophandel en op 22 november 2019 is ingeschreven in het Handelsregister. Het formulier staat op naam van [naam bedrijf] met nummer [nummer 2]. In het formulier staat dat de rechtspersoon is ontbonden op 15 november 2019 en dat er geen baten zijn. Belanghebbende is vermeld als bewaarder van de boeken en heeft het formulier ondertekend. De stelling van belanghebbende dat niet Beheermaatschappij maar [naam bedrijf] is ontbonden wordt verworpen, omdat [naam bedrijf] de handelsnaam van Beheermaatschappij is, met het nummer [nummer 2]. [naam bedrijf] en Beheermaatschappij zijn dezelfde entiteiten. De ontbinding van “[naam bedrijf]” is dus tevens de ontbinding van Beheermaatschappij. Dat Beheermaatschappij ook onder nummer [nummer 1] bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven is niet relevant, omdat dit nummer al in 1997 is uitgeschreven, onder dit nummer geen activiteiten bekend zijn en waren en het formulier 17a betrekking heeft op nummer [nummer 2]. Tenslotte is van belang dat in de jaarrekeningen en jaarverslagen nummer [nummer 2] expliciet staat vermeld en belanghebbende er zelf kennelijk ook vanuit ging dat Beheermaatschappij was ontbonden, omdat voor de jaren na 2019 door Beheermaatschappij geen aangiften vennootschapsbelasting meer zijn ingediend.
Zijn de pensioenaanspraak en de aanspraak op een stamrechtuitkering terecht als inkomen uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking genomen?
20. Op grond van artikel 38n, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) blijft onder meer artikel 19b, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, zoals die artikelen luidden op 31 december 2016 van toepassing.
21. Artikel 19b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) luidt als volgt (tekst 2016):
“Ingeval op enig tijdstip:
a. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling niet langer als zodanig is aan te merken;
b. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt;
c. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b, wordt prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is;
d. de zekerheidstelling wordt beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich op grond van artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, heeft verplicht deze zekerheid te stellen;
wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak.”
22. De waarde van de aanspraak ingevolge een pensioenregeling dient te worden gesteld op het bedrag dat bij een derde zou moeten worden gestort om de aanspraak te dekken (artikelen 13, zesde lid, van de Wet LB en 3.12, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.
23. De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat de pensioenaanspraak, de aanspraak op een stamrechtuitkering en daarmee de pensioenregeling ten gevolge van de ontbinding van Beheermaatschappij is prijsgegeven. Anders dan belanghebbende stelt, worden deze aanspraken niet verrekend met de vordering die Beheermaatschappij op belanghebbende heeft. Juist omdat Beheermaatschappij in 2019 een vordering op belanghebbende heeft die hoger is dan de commerciële waarde van de aanspraken, zijn de aanspraken voor verwezenlijking vatbaar en worden deze aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking. De inspecteur is ook terecht uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer van de aanspraken.
Is terecht revisierente in rekening gebracht?
24. In artikel 30i, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is – voor zover van belang – het volgende bepaald:
“1. Met betrekking tot de inkomstenbelasting wordt rente – revisierente – verschuldigd indien:
a. door de toepassing van artikel 19b, eerste of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 (…) de aanspraak ingevolge een pensioenregeling tot het loon wordt gerekend;
(…)
2. De revisierente bedraagt 20 percent van de waarde in het economische verkeer van aanspraken als bedoeld in het eerste lid.
(…)”.
25. De inspecteur heeft de waarde in het economisch verkeer van de pensioenverplichting berekend op € 3.894.086. De inspecteur heeft (na vermindering van de revisierentebeschikking bij uitspraak op bezwaar) € 778.817 revisierente over de pensioenaanspraak in rekening gebracht, ofwel 20% van € 3.894.083. Belanghebbende heeft de waarde van de aanspraak en het in rekening brengen van deze revisierente niet betwist.
26. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het oordeel in punt 23., de revisierente over de prijsgegeven pensioenaanspraak juist is berekend, omdat de feiten vaststaan en de wet duidelijk is. Belanghebbende heeft hier ook geen afzonderlijke beroepsgrond tegen gericht.
Is sprake van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang?
27. Tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten. [1] Tot de reguliere voordelen behoren ook onttrekkingen die als winstuitdeling zijn aan te merken. Onder omstandigheden kan een geldlening die een vennootschap verstrekt aan haar aandeelhouder als een onttrekking worden aangemerkt.
28. In zijn arrest van 13 januari 2023 [2] (het arrest) heeft de Hoge Raad in dat verband onder meer overwogen (met weglating van de voetnoten):
“3.4.2
Geldmiddelen die een vennootschap ten titel van lening aan haar aandeelhouder verstrekt, moeten op het moment van hun verstrekking worden aangemerkt als een onttrekking indien op dat moment vaststaat of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geleende gelden niet kan of zal aflossen. In dat geval moet namelijk worden aangenomen dat die gelden op het moment van verstrekking daarvan het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten en tot het vermogen van de aandeelhouder zijn gaan behoren op grond van de tussen hen bestaande vennootschappelijke betrekkingen. Dit wordt niet anders indien de mogelijkheid bestaat dat die gelden in de toekomst worden verrekend met een dividenduitkering van de vennootschap.
3.4.3
Ook na het moment waarop een vennootschap gelden ter leen aan haar aandeelhouder heeft verstrekt, bestaat de mogelijkheid dat het bedrag ervan geheel of gedeeltelijk een onttrekking gaat vormen. Dat is het geval indien dat bedrag het vermogen van de vennootschap definitief heeft verlaten doordat de vennootschap rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk prijsgeeft op grond van de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen. De onttrekking vindt dan plaats op het moment van dit prijsgeven. Indien de vennootschap ook zonder die betrekkingen zulke rechten zou hebben prijsgegeven, maar tot een lager bedrag, vindt slechts een onttrekking plaats voor zover het prijsgegeven bedrag dit lagere bedrag overtreft.
3.4.4
Indien en voor zover een onttrekking als hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 bedoeld kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, kan zij onder omstandigheden een winstuitdeling door de vennootschap aan de aandeelhouder zijn. Die vereiste omstandigheden zijn: (a) dat de vermogensverschuiving naar de aandeelhouder is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen, en (b) dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling. Dit laatste vereiste strekt zich niet uit tot de exacte omvang van het bedrag van die vermogensverschuiving.
3.4.5
De inspecteur die zich op het standpunt stelt dat een winstuitdeling heeft plaatsgevonden, zal de feiten en omstandigheden moeten stellen en – in geval van betwisting – aannemelijk moeten maken die meebrengen dat en in hoeverre een bedrag definitief is onttrokken aan het vermogen van de vennootschap en dat bovendien is voldaan aan de hiervoor in 3.4.4 vermelde vereisten.
(…).
29. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag een bedrag van € 193.322 als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen, omdat belanghebbende geen rente heeft betaald over zijn schuld van € 4.598.233 aan Beheermaatschappij, terwijl een rentepercentage van 5% is overeengekomen. De rente is ook niet door Beheermaatschappij in de aangifte 2019 tot de baten gerekend.
30. De bestuurder heeft in het formulier 17a vermeld dat Beheermaatschappij geen baten meer heeft, terwijl de inspecteur stelt dat Beheermaatschappij nog wel nog recht had op een rentevergoeding ten bedrage van € 193.322. Het vermoeden is dan gerechtvaardigd dat het recht op de rentevergoeding is prijsgegeven voorafgaand aan de ontbinding en daarom geen bate meer bestond ten tijde van het besluit tot ontbinding door middel van formulier 17a. Belanghebbende heeft niets gesteld dat dit vermoeden ontzenuwt. De aandeelhouder, te weten belanghebbende, is hierdoor bevoordeeld. Gelet op het feit dat de overeenkomst met daarin onder meer het rentepercentage, is gesloten tussen de vennootschap en belanghebbende, is aannemelijk dat zowel belanghebbende als Beheermaatschappij zich van de bevoordeling bewust moeten zijn geweest. Belanghebbende heeft dit overigens ook niet betwist. Omdat sprake is van voldoende winstreserves, is sprake van een winstuitdeling en daarmee van een voordeel uit aanmerkelijk belang. De stelling dat de prijsgegeven rechten dienen te worden verrekend met de vordering in rekening-courant die Beheermaatschappij op belanghebbende heeft, kan belanghebbende niet baten. Juist door de (mogelijkheid van) verrekening is de schuld namelijk voor verwezenlijking vatbaar, zodat de correctie ook juist is als wordt verrekend met de schuld. Daarbij is van belang dat niet bruto dient te worden verrekend, maar netto. De tegen deze correctie gerichte beroepsgronden falen daarom.
Belastingrente
31. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.

Conclusie en gevolgen

32. Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2019, de revisierentebeschikking (na vermindering in bezwaar) en de belastingrentebeschikking is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. F.M. Smit en mr. J.J. Westerbaan, leden, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 8 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4.12, letter a, van de Wet IB 2001.