Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4496

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 5739
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbArt. 7:1a AwbArt. 8:1 AwbArt. 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen rechtsherstel voor niet-betrekken WGA-uitkering UWV bij arbeidskorting

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2020, 2021 en 2022, omdat de door het UWV betaalde WGA-uitkeringen niet werden meegenomen in de berekening van de arbeidskorting. De inspecteur verklaarde de bezwaren over 2020 en 2021 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en wees de verzoeken om ambtshalve vermindering af. Het bezwaar over 2022 werd ongegrond verklaard.

De rechtbank oordeelt dat het niet betrekken van de WGA-uitkering van het UWV in de arbeidskorting leidt tot ongelijke behandeling ten opzichte van WGA-uitkeringen die via werkgevers worden betaald. Deze ongelijke behandeling is door de Hoge Raad als strijdig met het gelijkheidsbeginsel aangemerkt, maar de rechter laat het rechtsherstel aan de wetgever over.

De kabinetsreactie van maart 2025 bevestigt dat de ongelijke behandeling wordt opgeheven door per 1 januari 2027 geen arbeidskorting meer toe te passen over socialezekerheidsuitkeringen, waaronder de WGA. De rechtbank ziet geen reden om eerder rechtsherstel te bieden en verklaart het beroep ongegrond. De aanslagen blijven in stand, maar de inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat WGA-uitkeringen van het UWV niet worden betrokken bij de arbeidskorting over 2020-2022.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5739

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 juni 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de inspecteur van 18 april 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor ieder van de jaren 2020, 2021 en 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.
De inspecteur heeft de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 niet-ontvankelijk verklaard en aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering. Hij heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 afgewezen.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2022 ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].
Zoals afgesproken op zitting, heeft de inspecteur na het sluiten van het onderzoek nog een stuk, te weten een reeds eerder door hem aan belanghebbende gestuurd – en door haar ontvangen – stuk ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft dit stuk aan het dossier toegevoegd.

Feiten

1. Met dagtekening 5 juni 2021 en 14 maart 2023 is aan belanghebbende de aanslag IB/PVV 2020, respectievelijk 2021 opgelegd.
2. Belanghebbende heeft tegen beide aanslagen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft in zijn uitspraak met dagtekening 18 april 2024 deze bezwaren wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft deze bezwaren vervolgens aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering van de betreffende aanslag en heeft deze verzoeken afgewezen.
3. Belanghebbende heeft de volgende inkomsten ontvangen in 2022:
Inhoudingsplichtige
Loon
Loonheffing
Loonbelastingtabel
Bedrijfstakpensioenfonds beroepsvervoer over de weg
€ 2.570
€ 941
Groen
UWV
€ 9.990
€ 802
Groen
[naam bedrijf] B.V.
€ 6.685
€ 0
Wit
4. Het arbeidsinkomen dat belanghebbende in 2022 heeft genoten bedraagt € 6.685. De uitkering van het UWV betreft een uitkering Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA-uitkering).
5. Belanghebbende heeft op 27 december 2023 de aangifte IB/PVV 2022 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen in de aangifte bedraagt € 19.245.
6. Met dagtekening 9 februari 2024 is de definitieve aanslag IB/PVV 2022 opgelegd conform de ingediende aangifte.
7. Met dagtekening 18 april 2024 heeft de inspecteur het tegen deze aanslag ingediende bezwaar afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de door belanghebbende in de jaren 2020, 2021 en 2022 genoten WGA-uitkering, welke alle jaren door het UWV aan haar werd uitbetaald, in de berekeningsgrondslag voor de arbeidskorting moet worden betrokken. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021
10. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 zijn opgelegd op respectievelijk 5 juni 2021 en 14 maart 2023. Verder staat onbestreden vast dat de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 wegens termijnoverschrijding terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
11. Op grond van artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:1 van Pro de Awb en artikel 26 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient eerst bezwaar gemaakt te worden tegen een voor bezwaar vatbare beschikking voordat beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Indien partijen daar beiden mee instemmen, kan echter rechtstreeks beroep worden ingesteld op grond van artikel 7:1a van de Awb.
12. De inspecteur heeft de beide door hem als zodanig aangemerkte verminderingsverzoeken op 18 april 2024 afgewezen. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift verzocht om de aanslagen IB/PVV 2020 en 2021 ambtshalve te verminderen. De rechtbank heeft deze verzoeken ontvangen op 16 mei 2024.
13. De rechtbank zou deze verminderingsverzoeken moeten doorsturen naar de inspecteur om ze als zodanig inhoudelijk te laten beoordelen, waarna – bij een eventuele afwijzing van de verzoeken – belanghebbende alsnog daartegen beroep zou kunnen instellen bij de rechtbank. Ter zitting hebben partijen echter toestemming gegeven voor rechtstreeks beroep, waardoor de rechtbank de verminderingsverzoeken over deze twee jaren ook kan beoordelen.
Inhoudelijk
14. Belanghebbende heeft haar WGA-uitkering direct van het UWV ontvangen. Voor de vaststelling van de hoogte van de arbeidskorting van belanghebbende, is in alle in geschil zijnde jaren met deze uitkering geen rekening gehouden. Wanneer daarentegen belanghebbende de WGA-uitkering van haar werkgever zou hebben ontvangen, dan zou deze uitkering wel tot de grondslag van de arbeidskorting hebben behoord. Dat in het geval dat de WGA-uitkering via het UWV wordt betaald deze uitkering niet en wanneer de WGA-uitkering via de werkgever wordt uitbetaald, wèl in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de arbeidskorting, is volgens belanghebbende in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij beroept zich hierbij op een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. [1] Dit gerechtshof oordeelde, kort gezegd, dat bij het vaststellen van de arbeidskorting rekening moet worden gehouden met een ontvangen WGA-uitkering en dat daarbij niet van belang is door wie die WGA-uitkering wordt uitbetaald.
15. De hiervoor genoemde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag is door de Hoge Raad vernietigd. [2] De Hoge Raad heeft geoordeeld dat wanneer een WGA-uitkering door een werkgever wordt uitbetaald, deze uitkering wel, en wanneer deze uitkering door het UWV wordt uitbetaald, niet meeloopt in de vaststelling van de arbeidskorting. De Hoge Raad vindt dit een niet gerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen en dit is daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In zoverre heeft belanghebbende dus gelijk.
16. De Hoge Raad oordeelt verder dat het niet aan de rechter, maar aan de wetgever is om in gevallen als daar aan de orde voor rechtsherstel te zorgen. Gelijke behandeling zou namelijk op verschillende manieren kunnen worden bereikt. Dat zou kunnen door ook in gevallen waarin de WGA-uitkering door het UWV wordt betaald, rekening te houden met de arbeidskorting. De wetgever zou echter bijvoorbeeld ook kunnen beslissen om nooit – dus ook wanneer de WGA-uitkering door de werkgever wordt uitbetaald – rekening te houden met de arbeidskorting (net als bij belanghebbende nu gebeurt). Omdat een keuze voor een van die manieren zich niet duidelijk laat afleiden uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen of de wetsgeschiedenis, heeft de Hoge Raad rechtsherstel overgelaten aan de wetgever.
17. De rechtbank overweegt dat het voorgaande ook geldt voor de zaken van belanghebbende. Dat betekent dat de rechtbank belanghebbende geen rechtsherstel biedt voor de geconstateerde schending van het discriminatieverbod en dat dit, net als in het geval waarin de Hoge Raad heeft beslist, niet leidt tot vermindering van de aanslagen.
18. Het kabinet heeft bij brief van 14 maart 2025 gereageerd op het arrest van 15 november 2024 (de kabinetsreactie). [3] De kabinetsreactie komt erop neer dat het kabinet ervoor kiest de ongelijke behandeling op te heffen door in geen enkel geval meer arbeidskorting toe te passen over socialezekerheidsuitkeringen, waaronder begrepen de WGA. Volgens het kabinet sluit inperking op die wijze het meest nauw aan bij een doel van de arbeidskorting (stimuleren arbeidsparticipatie) en wordt met een inperking voorkomen dat nieuwe mogelijke discriminaties ontstaan (bijvoorbeeld tussen mensen met een WGA-uitkering en mensen met een WW-uitkering). Het kabinet heeft ervoor gekozen deze inperking door te voeren per 1 januari 2027. De redenen daarvoor zijn (i) borgen dat degenen die een financieel nadeel ondervinden door de inperking niet te abrupt worden geconfronteerd met een inkomensdaling en (ii) softwareontwikkelaars en werkgevers de nodige tijd geven om te anticiperen op deze aanpassing.
19. De kabinetsreactie is voor de rechtbank geen aanleiding om aan belanghebbende toch rechtsherstel te bieden. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het kabinet met voldoende spoed actie heeft ondernomen om de discriminatie, binnen iets meer dan twee jaar na het arrest van 15 november 2024, op te heffen. Daarbij heeft de rechtbank op dit moment geen reden om eraan te twijfelen dat de wetgever 1 januari 2027 zal halen. Ook de voorgenomen wijze waarop de discriminatie wordt opgeheven, geeft de rechtbank geen aanleiding om in te grijpen. Zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 5.4.2 van het arrest van 15 november 2024 heeft overwogen, sluit het goed aan bij het doel van de arbeidskorting om een WGA-uitkering in geen enkel geval meer mee te tellen voor de berekening van de arbeidskorting.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat over de jaren 2020, 2021 en 2022 de aanslagen en bijbehorende belastingrentebeschikkingen in stand blijven. De inspecteur heeft op de zitting aangegeven het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende, te weten € 31,36 reiskosten, te vergoeden. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 31,36 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
Uitgesproken op 5 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 22 februari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:370.
2.Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657.
3.Brief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane en van de Minister van Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid van 14 maart 2025, 2025-0000079599.