Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4516

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
ARN 24_3535
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenArt. 3 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenArt. 4 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen per 28 februari 2022, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of het medisch en arbeidsdeskundig onderzoek van het UWV zorgvuldig en juist was.

Uit het dossier blijkt dat eiser sinds maart 2020 ziekgemeld is en een WIA-uitkering heeft aangevraagd. Het UWV heeft op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vastgesteld dat eiser 8,97% arbeidsongeschikt was, later aangepast naar 34,07% na bezwaar. Eiser voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen zwaarder waren dan vastgesteld, onder meer vanwege angststoornissen, fysieke klachten en vermoeidheid.

De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, met dossieronderzoek, spreekuur en hoorzitting. De verzekeringsartsen hebben rekening gehouden met alle klachten en beperkingen, en de rapporten bevatten geen tegenstrijdigheden. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd die het oordeel van de artsen onderbouwen of twijfel zaaien.

Ook de geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies is door de rechtbank bevestigd, omdat deze gebaseerd is op de juiste medische beperkingen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, het UWV heeft terecht geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het UWV voor een WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3535

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. J. Jansen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: J. Marquenie).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om eiser met ingang van
28 februari 2022 (de datum in geding) in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met deze weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd om eiser met ingang van de datum in geding in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Deze uitspraak is als volgt opgebouwd. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Het UWV heeft met het besluit van 9 mei 2023 geweigerd om eiser met ingang van de datum in geding een WIA-uitkering toe te kennen. Eiser is namelijk minder dan 35% arbeidsongeschikt. Met het bestreden besluit van 15 mei 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij deze weigering gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. Hierna heeft eiser nog nadere beroepsgronden ingediend. Het UWV heeft hierop gereageerd met een nader verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en het UWV hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. Eiser heeft voor het laatst gewerkt als klusjesman voor gemiddeld 37,88 uur per week. Hij heeft zich ziekgemeld op 2 maart 2020 en is op 30 oktober 2020 ziek uit dienst gegaan. Hij heeft vanaf 2 april 2021 tot en met 7 april 2021 een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet. Eiser heeft zich met ingang van 8 april 2021 opnieuw ziekgemeld en het UWV heeft eiser daarop ziekengeld op grond van de Ziektewet toegekend. Op 22 november 2021 heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. In het kader van de WIA-beoordeling per einde wachttijd heeft een onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en door een arbeidsdeskundige van het UWV. De verzekeringsarts heeft eisers belastbaarheid per de datum in geding vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis van deze FML heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser vastgesteld op 8,97%. Vervolgens heeft het UWV met het besluit van 9 mei 2023 geweigerd om aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen per de datum in geding.
4.1.
Met het bestreden besluit van 15 mei 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) en een arbeidsdeskundige b&b ten grondslag. De verzekeringsarts b&b heeft aanleiding gezien om de FML te wijzigen. De gewijzigde FML gaf de arbeidsdeskundige b&b aanleiding om het arbeidsongeschiktheidspercentage aan te passen naar 34,07%.
Zorgvuldigheid medisch onderzoek
5. Eiser voert in de eerste plaats aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd. Eiser stelt dat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage hoger ligt. De rapportages van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen geven een verkeerd beeld van de werkelijke medische klachten en beperkingen van eiser.
5.1.
De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek. [1] Van belang is dat het UWV zijn besluiten, omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene, mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. [2]
5.2.
De rechtbank ziet geen reden om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Bij de beoordeling acht de rechtbank van belang dat de (primaire) verzekeringsarts dossieronderzoek heeft verricht en eiser heeft onderzocht op een fysiek spreekuur. De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht, eiser gesproken via een MS Teams hoorzitting, informatie uit de bezwaarprocedure bestudeerd en medische informatie opgevraagd bij de huisarts. Uit de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts b&b blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten en dat de medische informatie die aanwezig is in het dossier betrokken is in de beoordeling door de verzekeringsarts b&b.
5.3.
De rechtbank ziet op grond van het voorgaande geen aanleiding te concluderen dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van eiser hebben gemist. Verder is de rechtbank van oordeel dat de rapporten van de verzekeringsartsen geen tegenstrijdigheden bevatten en dat de conclusies van de rapporten logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen.
5.4.
Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
De beperkingen voor arbeid
6. Eiser voert in de tweede plaats aan dat hij meer of zwaardere beperkingen heeft dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Hij heeft een angststoornis en krijgt meerdere keren per maand angst- en paniekaanvallen. Daarnaast ondervindt hij fysieke beperkingen, omdat hij artrose in zijn schouders heeft, pijn in zijn knie heeft en een pijnlijke buik en darmen heeft. Eiser heeft last van moeheid en heeft een slechte conditie. Ook had er een urenbeperking moeten worden aangenomen. Eiser is 61 jaar oud en hij ziet niet in dat er nog iets gaat veranderen in zijn situatie.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de verzekeringsartsen rekening hebben gehouden met eisers angstklachten bij de anamnese. De verzekeringsarts b&b constateert dat per datum in geding de persoonlijkheidsproblematiek-kenmerken en angstklachten dezelfde waren als in het verleden en dat eiser met deze kenmerken en klachten jarenlang heeft gewerkt. Volgens de verzekeringsarts b&b is er dan ook geen reden om aan te nemen dat het depressieve beeld van eiser essentieel veranderd is ten opzichte van pre-existentieel beeld (voor 2020). De rechtbank kan deze motivering van de verzekeringsarts b&b volgen en neemt daarbij in overweging dat eiser geen medische stukken heeft ingebracht waaruit volgt dat de vaststelling van de verzekeringsarts b&b onjuist is.
6.2.
De rechtbank overweegt verder dat de verzekeringsarts b&b vanwege eisers vermoeidheid en door zijn psychische klachten, in combinatie met somatische klachten (zoals schouderpijn, kniepijn verminderde conditie en dyspnoe bij inspanning), meer beperkingen aanneemt dan de verzekeringsarts. In de FML zijn beperkingen aangenomen voor zware fysieke belasting, de blootstelling aan stof, rook, gassen en dampen, grove trillingen en schouder- en knie- belastende factoren. Eiser heeft geen medische stukken ingebracht waaruit volgt dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen die uit artrose en pijn in zijn knie voortvloeien.
6.3.
Ten aanzien van de urenbeperking overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts b&b navolgbaar heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een stoornis die een aanzienlijk tekort aan energie aannemelijk maakt. Ook is er geen sprake van een duidelijk te groot energieverbruik door de aard van zijn aandoening of/en verminderde mogelijkheden tot recuperatie als objectief medisch vaststelbaar gevolg van ziekte dan wel gebrek. Ook is er geen therapie gaande waardoor eiser minder beschikbaar is te achten. Eiser heeft geen medische informatie ingebracht die maakt dat aan deze conclusie van de verzekeringsarts b&b getwijfeld dient te worden.
6.4.
Concluderend stelt de rechtbank dat het UWV in principe mag uitgaan van de medische beoordeling van zijn verzekeringsarts. Dat is slechts anders wanneer eiser met medische stukken twijfel heeft gezaaid over het medisch oordeel van de verzekeringsarts. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn beroepsgrond dat de medische beoordeling onjuist is, geen medische stukken overgelegd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat zijn beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Geschiktheid van de geduide functies
7. Eiser stelt als laatste dat, nu er verschillende beperkingen onvoldoende of niet zijn meegenomen, de functies die zijn geselecteerd niet passend zijn. Hij is van mening dat hij de functies van administratief medewerker en lader/losser en productiemedewerker confectie/kleermaker niet kan uitvoeren vanwege zijn nek- en schouderklachten. In de functie van lader/losser moet hij reiken en daar is hij op beperkt.
7.1.
Uitgaande van de juistheid van de medische beperkingen die bij eiser zijn vastgesteld (de FML), ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd geen reden om de geschiktheid van de door de arbeidsdeskundige b&b geselecteerde voorbeeldfuncties in twijfel te trekken. Het standpunt van eiser dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank onder 6.4 heeft overwogen, is die opvatting niet juist. De arbeidsdeskundige b&b heeft in zijn rapport en ook in het Resultaat functiebeoordeling van 1 mei 2024 de medische geschiktheid van deze voorbeeldfuncties voor eiser voldoende toegelicht. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV op goede gronden heeft geweigerd aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op .
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Er vindt een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek plaats op basis van artikel 2, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. De vereisten waar het onderzoek aan moet voldoen, staan in artikel 3 en Pro 4 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) 29 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2114.