Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4564

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
05.059672.26 05.238989.25 16.220925.25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige voor openlijke geweldpleging en diefstal in vereniging

Op 25 februari 2026 pleegde verdachte samen met medeverdachten openlijke geweldpleging tegen een voorbijganger aan de Amsterdamseweg in Arnhem, waarbij het slachtoffer letsel opliep. Tevens werd diezelfde dag een fatbike gestolen uit een fietsenstalling nabij een school. De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken was bij beide feiten.

De verdediging voerde aan dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk geweld had gebruikt in vereniging, maar de rechtbank concludeerde op basis van verklaringen, camerabeelden en een medewerker van het COA dat verdachte wel degelijk deelnam aan het geweld. Verdachte verklaarde zich niets te herinneren, mogelijk door medicatie en middelengebruik.

De rechtbank legde een jeugddetentie van 80 dagen op, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de ernst van de feiten, het strafblad en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank wees een schadevergoeding van €399 toe aan de benadeelde partij wegens de diefstal en wees de vordering van het slachtoffer wegens proceskosten af wegens onvoldoende onderbouwing.

De rechtbank wees verzoeken tot tenuitvoerlegging van eerdere jeugddetentie af omdat hierover reeds onherroepelijke beslissingen waren genomen. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken van de Rechtbank Gelderland op 9 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 80 dagen jeugddetentie, waarvan 60 voorwaardelijk, en betaling van €399 schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/059672-26, 05/238989-25 (tul) en 16/220925-25 (tul)
Datum uitspraak : 9 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonend aan [adres] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. G.F. Schadd, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 25 februari 2026 te Arnhem aan de Amsterdamseweg,
in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen,
te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
  • het slaan en/of het schoppen tegen het gezicht, het hoofd en/of de armen, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en/of
  • het gooien van een (fiets)accu tegen de schouder, althans in de richting van het lichaam, van die [slachtoffer] ;
subsidiair:
hij op of omstreeks 25 februari 2026 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door
  • die [slachtoffer] tegen het gezicht, het hoofd en/of de armen, althans het lichaam, te slaan en/of te schoppen en/of
  • een (fiets)accu tegen de schouder, althans het lichaam, te gooien;
2.
hij op of omstreeks 25 februari 2026 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets (van het merk La Souris), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen.
2. Overwegingen over het bewijs [1]
FEIT 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Over de subsidiair ten laste gelegde mishandeling in vereniging heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte en de medeverdachte tezamen en in vereniging geweld hebben gebruikt en dat verdachte opzet heeft gehad op het door de medeverdachte gebruikte geweld. De raadsman heeft de rechtbank daarom gevraagd verdachte vrij te spreken van het in vereniging plegen van geweld. Ten aanzien van de resterende eenvoudige mishandeling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 25 februari 2026 op de Amsterdamseweg in Arnhem liep, ter hoogte van de achterkant van het centraal station. Hij kreeg een woordenwisseling met twee jongens met een Arabisch uiterlijk die op zwarte fatbikes voorbij fietsten, waarna er een confrontatie volgde waarbij [slachtoffer] klappen en trappen kreeg. [slachtoffer] heeft hierbij letsel opgelopen aan zijn gezicht, hoofd en armen. [2]
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op 25 februari 2026 samen met verdachte aan de achterkant van het station in Arnhem was. Aangever [slachtoffer] was daar ook. [medeverdachte 1] en verdachte kregen een woordenwisseling met [slachtoffer] toen zij [slachtoffer] voorbij fietsten. Verdachte en [medeverdachte 1] keerden om en fietsten terug naar [slachtoffer] . Verdachte zette zijn fiets neer. Hij begon met [slachtoffer] te vechten. [medeverdachte 1] keek eerst toe, maar raakte daarna ook in gevecht met [slachtoffer] . [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] geslagen en een fietsaccu tegen de rechterschouder van [slachtoffer] gegooid. [3]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij op woensdag 25 februari 2026 vanuit de achterzijde van het station Arnhem centraal over de Amsterdamseweg in Arnhem liep. Ze zag dat er een woordenwisseling gaande was tussen een man met een ontbloot bovenlichaam en twee jongens op zwarte fatbikes. [getuige] zag dat de jongens van hun fatbike stapten, deze neerlegden en dat er vervolgens een vechtpartij ontstond, waarbij de twee jongens de man met het ontbloot bovenlichaam sloegen. [4]
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op 25 februari 2026 op de openbare weg in gevecht is geraakt met [medeverdachte 1] en een tweede jongen. Verdachte heeft verklaard dat hij zich niets kan herinneren van een vechtpartij aan de Amsterdamseweg. De rechtbank komt toch tot de conclusie dat verdachte de andere jongen was. [medeverdachte 1] heeft namelijk verklaard dat de tweede jongen die bij het geweld betrokken was, [medeverdachte 2] was. Bovendien is op camerabeelden van het incident te zien dat de andere jongen een zwart trainingspak droeg met witte en oranje strepen langs de armen en benen en zwarte schoenen met lichtgekleurde accenten. Op camerabeelden van het AZC aan [adres] is te zien dat verdachte kort na het tenlastegelegde feit (rond 14.45 uur) aanbelt. Hij draagt zwarte schoenen met lichtgekleurde accenten. Onder zijn arm heeft hij een zwart trainingspak vast met witte en oranje strepen erop. Verdachte heeft zichzelf herkend op de hiervoor genoemde camerabeelden van het AZC. Bovendien heeft een medewerker van het COA verklaard dat verdachte toen hij rond 14.45 uur terugkwam bij het AZC kapotte knokkels had en om verband vroeg. [5]
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte samen met [medeverdachte 1] geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] . Dit is gebeurd op de openbare weg, te weten de Amsterdamseweg in Arnhem, achter het centraal station. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging. De rechtbank ziet onvoldoende bewijs voor het schoppen, omdat alleen [slachtoffer] hierover heeft verklaard. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van dit deel van de tenlastelegging.
FEIT 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat de ten laste gelegde diefstal in vereniging van de fatbike wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman is van mening dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De beoordeling door de rechtbank
Op 25 februari 2026 ging aangever [aangever] met zijn fatbike van het merk La Souris, type Crossboss V8 naar school ( [locatie] ). Hij zette zijn fiets in de fietsenstalling. Toen hij om 15.45 uur weer in de fietsenstalling kwam, zag hij dat zijn fiets weg was. [6]
Op camerabeelden van [locatie] is te zien dat twee verdachten een zwarte fatbike met op de zijkant in witte letters de tekst ‘Crossboss’ uit het rek halen en met de fiets aan de hand richting de uitgang lopen. De fatbike wordt door de verdachten samen bij de uitgang van de fietsenstalling omhoog geduwd. [7]
Verbalisant [verbalisant 1] laat een foto van de beide verdachten van de diefstal bij [locatie] zien aan de medewerkers van het COA aan [adres] . Meerdere medewerkers herkennen een van de beide verdachten met 100% zekerheid als [medeverdachte 2] . [8]
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal in vereniging.

3.De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:
1,
primair
hij op
of omstreeks25 februari 2026 te Arnhem aan de Amsterdamseweg,
in elk gevalopenlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een
of meerpersoon
en,
te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegd
egeweld bestond uit
  • het slaan
  • het gooien van een (fiets)accu tegen de schouder,
2.
hij op
of omstreeks25 februari 2026 te Arnhem tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen, een fiets (van het merk La Souris),
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [aangever] ,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen.
De rechtbank heeft taal- of schrijffouten in de tenlastelegging verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn belang geschaad.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

7.De motivering van de straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur. Daarnaast heeft hij een geheel voorwaardelijke jeugddetentie geëist van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het opleggen van een jeugddetentie van twee maanden passend is, waarbij de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht onvoorwaardelijk kan worden opgelegd en het resterende deel voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijk strafdeel kunnen de voorwaarden worden verbonden, zoals geadviseerd door de Raad. De raadsman is van mening dat daarnaast geen werkstraf moet worden opgelegd. Het gaat goed met verdachte bij Vitazorg. Verdachte is gestopt met zijn middelengebruik en heeft een vol dagprogramma. Binnen de opvang van het COA lukte het verdachte niet om zich staande te houden, maar bij Vitazorg lukt dat met de juiste begeleiding wel. De raadsman is van mening dat de positieve ontwikkeling van verdachte niet moet worden doorkruist door oplegging van een werkstraf. Hij heeft nog een groot aantal uren werkstraf te verrichten. Om recidive te voorkomen moet verdachte de ruimte krijgen om zich te richten op de traumabehandeling, de nog te starten behandeling van Iriszorg en zijn opleiding. Bij oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf ziet de raadsman een risico dat verdachte wordt overvraagd.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel justitiële documentatie van 21 mei 2026 (het strafblad),
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 13 mei 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
De rechtbank constateert dat verdachte meerdere malen is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Na het plegen van de feiten die in deze strafzaak aan de rechtbank ter beoordeling voorliggen, is verdachte nog veroordeeld voor een ander strafbaar feit. De rechtbank laat dit meewegen in de strafafdoening (artikel 63 Sr Pro).
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging en een diefstal. In eerste instantie is hij samen met een medeverdachte naar [locatie] gegaan en heeft hij daar een fatbike gestolen uit de fietsenstalling. Daarna is er tijdens het fietsen met de fatbike een conflict ontstaan met een voorbijganger op straat. Dit liep uit de hand, waarbij verdachte en een medeverdachte geweld hebben gebruikt tegen de voorbijganger. Het slachtoffer heeft daarbij letsel opgelopen aan zijn gezicht, hoofd en armen.
Verdachte heeft verklaard dat hij zich niets kan herinneren van zowel de diefstal van de fatbike, als van het gepleegde openlijke geweld. In de periode van het plegen van de feiten was verdachte verslaafd aan verdovende middelen en hij gebruikte daarnaast zware medicatie, wat zijn geheugen kan hebben beïnvloed. De rechtbank vindt het zorgelijk dat verdachte geen herinnering meer heeft of zegt te hebben aan de gepleegde feiten. Het plegen van geweld op straat tegen een voorbijganger zorgt voor gevoelens van onveiligheid voor de slachtoffers, maar ook voor de omstanders en de maatschappij als geheel. Een diefstal is een naar feit, dat in dit geval heeft gezorgd voor overlast en schade voor de eigenaar van de fatbike. De rechtbank neemt verdachte dit kwalijk. Dit is te meer het geval, omdat verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd, terwijl hij in twee proeftijden liep en zich aan strikte voorwaarden moest houden, waaronder het zich het onthouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten.
Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming
Uit het advies van de Raad blijkt dat verdachte sinds 17 maart 2026 bij [instelling] in [verblijfplaats] verblijft. Hij krijgt hier één-op-één begeleiding en sindsdien gaat het voorzichtig beter met hem. Verdachte is gestart met traumabehandeling en ervaart dit als fijn. De Raad schat het recidiverisico heel hoog in. Behandeling en intensieve begeleiding zijn volgens de Raad de belangrijkste beschermende factoren om niet opnieuw in aanraking te komen met politie en justitie. Daarbij is een ‘stok achter de deur’ in de vorm van een voorwaardelijke jeugddetentie onvermijdelijk. De Raad adviseert de rechtbank om verdachte geen werkstraf op te leggen, omdat hij nog een groot aantal uren werkstraf open heeft staan. De Raad is van mening dat verdachte zich moet kunnen richten op zijn traumabehandeling en school en op termijn ook op de verslavingsbehandeling bij Iriszorg. Als verdachte daarnaast nog meer uren werkstraf moet uitvoeren dan nu al het geval is, wordt hij volgens de Raad overvraagd. Er bestaat dan een risico dat de prille positieve ontwikkeling die verdachte laat zien sinds hij bij [instelling] verblijft, wordt doorkruist.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte én de maatschappij het meest gebaat zijn bij het zoveel mogelijk beperken van het hoge recidiverisico. De rechtbank vindt het positief dat verdachte sinds zijn plaatsing bij [instelling] laat zien dat hij op het rechte pad wil blijven en zich aan afspraken wil houden. Om deze positieve ontwikkeling niet te doorkruisen, zal de rechtbank conform het advies van de Raad, een deels voorwaardelijke jeugddetentie aan verdachte opleggen. De rechtbank is van oordeel dat een jeugddetentie van 80 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend is, gelet op de ernst van de feiten en het forse strafblad van verdachte. Bovendien zal de rechtbank, in lijn met het advies van de Raad, naast de voorwaardelijke jeugddetentie geen werkstraf opleggen in verband met het risico op overvraging. De rechtbank verbindt een proeftijd van 2 jaar aan de voorwaardelijke jeugddetentie onder de algemene voorwaarde dat verdachte niet opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank ziet geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden in deze strafzaak, omdat in het kader van de vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 05/238989-25 de door de Raad en de jeugdreclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden al zijn opgelegd.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

FEIT 1
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het ten laste gelegde onder 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.000,- aan proceskosten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Hij heeft de rechtbank daarom gevraagd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat de vordering niet is onderbouwd.
De beoordeling van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende duidelijk is en onvoldoende is onderbouwd. Onder de post van gevorderde proceskosten [
de rechtbank begrijpt: materiële schade] wordt verwezen naar ‘omzet van 4 weken’ á € 2.000,-, zonder enige nadere toelichting of onderbouwing. De benadeelde partij is evenmin op zitting verschenen om een toelichting op de vordering te geven. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering indien gewenst nog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
FEIT 2
De benadeelde partij [aangever] , als minderjarige wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [vertegenwoordiger] , heeft in verband met het ten laste gelegde onder 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 399,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om de vordering toe te wijzen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verzocht aan de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel geen gijzeling te verbinden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft inhoudelijk geen verweer gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij. Hij heeft de rechtbank wel gevraagd de hoofdelijkheid uit te spreken en geen gijzeling op te leggen in het kader van de schadevergoedingsmaatregel.
De beoordeling door de rechtbank
Uit het onderzoek op de terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde diefstal in vereniging (feit 2) rechtstreeks schade heeft geleden. De schadepost is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Voor de door de benadeelde partij geleden schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank wijst de vordering daarom toe.
Verdachte is wettelijke rente verschuldigd vanaf 25 februari 2026.
De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte de schade heeft vergoed.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van verdachte wordt geen gijzeling opgelegd.

10.De vorderingen tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 05/238989-25
De kinderrechter van deze rechtbank heeft verdachte op 3 december 2025 veroordeeld tot een jeugddetentie van 100 dagen, waarvan 23 dagen voorwaardelijk wegens het plegen van een diefstal met geweld op 9 september 2025.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht, conform de beslissing van de kinderrechter van 22 mei 2026, de bijzondere voorwaarden te wijzigen en de proeftijd te verlengen met één jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat op 22 mei 2026 al door de kinderrechter op de vordering is beslist. De raadsman heeft daarbij aangegeven dat de verdediging niet voornemens is om beroep in te stellen tegen de beslissing van de kinderrechter. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de beslissing van de kinderrechter van 22 mei 2026 over te nemen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank constateert dat de beslissing van de kinderrechter van 22 mei 2026, waarin de proeftijd is verlengd met één jaar en de bijzondere voorwaarden zijn gewijzigd (conform het onderhavige advies van de Raad), inmiddels onherroepelijk is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.
In de zaak met parketnummer 16/220925-25
De kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte op 6 november 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 3 weken wegens een mishandeling, gepleegd op 30 juli 2025.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd, conform de beslissing van de kinderrechter van 22 mei 2026, dat in plaats van de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie een taakstraf aan verdachte wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat op 22 mei 2026 al door de kinderrechter op de vordering is beslist. De raadsman heeft daarbij aangegeven dat de verdediging niet voornemens is om beroep in te stellen tegen de beslissing van de kinderrechter. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de beslissing van de kinderrechter van 22 mei 2026 over te nemen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de kinderrechter op 22 mei 2026 al inhoudelijk op de vordering tot tenuitvoerlegging heeft beslist en dat deze beslissing inmiddels onherroepelijk is. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.

11.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

12.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot
een jeugddetentie voor de duur van 80 (tachtig) dagen;
 bepaalt dat van die jeugddetentie 60 (zestig) dagen niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
 stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaar onder de
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;
 heft het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis op;
 verklaart
de benadeelde partij [slachtoffer]niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan
de benadeelde partij [aangever], van een bedrag van € 399,- (driehonderdnegenennegentig euro) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die
de benadeelde partij [aangever]in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt, dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 wijst de vordering van de officier van justitie van 28 april 2026 (parketnummer 05/238989-25), strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter van deze rechtbank van 3 december 2025 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 23 dagen af;
 verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van 28 april 2026 in de zaak met parketnummer 16/220925-25.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter en kinderrechter), mr. E.M. van Poecke en mr. M.W. Stoet, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2026.
mr. M.W. Stoet is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026092748, gesloten op 26 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 11.
3.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 15 en 16.
4.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 18.
5.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 15, het proces-verbaal van bevindingen, p. 21 t/m 23, het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 77.
6.Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 52.
7.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 50.
8.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 23.