ECLI:NL:RBGEL:2026:4569

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
339695-25 en 13/177187-25 (tul)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • S. Jansen
  • M.A. van Leeuwen
  • P.J. Verbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 38p SrArt. 57 SrArt. 267 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal, verduistering en belediging met voorwaardelijke ISD-maatregel

Op 11 december 2025 heeft verdachte in Arnhem meerdere levensmiddelen gestolen uit een Albert Heijn en een winkelmandje verduisterd. Tevens heeft hij bijzondere opsporingsambtenaren beledigd met grove woorden, maar zonder discriminatoir oogmerk. De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen.

De verdediging voerde aan dat het discriminatoir oogmerk niet bewezen kon worden en dat het winkelmandje niet aan verdachte in bruikleen was gegeven. De rechtbank verwierp deze verweren en verklaarde verdachte schuldig aan diefstal, eenvoudige belediging en verduistering.

Gezien de recidive en ernstige verslavingsproblematiek van verdachte, die reeds drie ISD-maatregelen had ondergaan, legde de rechtbank een voorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar op met bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast werd een gevangenisstraf van drie dagen opgelegd, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank wees de civiele vordering tot smartengeld af wegens onvoldoende onderbouwing. Ook werd de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf afgewezen vanwege de nieuwe ISD-maatregel. Het vonnis werd uitgesproken op 10 juni 2026 door de meervoudige kamer van de Rechtbank Gelderland te Arnhem.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 dagen gevangenisstraf en een voorwaardelijke ISD-maatregel van 2 jaar met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/339695-25 + 13/177187-25 (tul)
Datum uitspraak : 10 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats],
op dit moment verblijvende aan de [adres] in ([postcode]) [verblijfsplaats].
Raadsman: mr. G.J. Gerrits, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 11 december 2025 te Arnhem meerdere levensmiddelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 11 december 2025 te Arnhem opzettelijk iemand, te weten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] (beiden buitengewoon opsporingsambtenaar) in het openbaar mondeling heeft beledigd, door de woorden toe te voegen: "kanker homo's" en/of "kanker leijers" en/of "kanker hoer" in elk geval woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking, terwijl deze belediging werd aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en/of bestond uit, werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door een of meer gedragingen die haat tegen en/of discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst en/of levensovertuiging, hun geslacht, hun seksuele gerichtheid en/of hun handicap tot uitdrukking brachten;
3.
hij op of omstreeks 11 december 2025 te Arnhem opzettelijk een winkelmandje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welk winkelmandje, althans goed, verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten in bruikleen als klant en/of bezoeker van de Albert Heijn, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het discriminatoire oogmerk niet kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, waarbij hij heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat dit specifieke winkelmandje aan verdachte in bruikleen is gegeven.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte, p. 27-28;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 mei 2026.
Feit 2
Op 11 december 2025 bevonden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], zich in uniform gekleed en belast met de incidentenafhandeling, op het Willemsplein, kruising Jansbuitensingel, in Arnhem. Omstreeks 17:29 uur zagen zij een manspersoon, naar later bleek verdachte, lopen op het fietspad. Zij zagen dat de verdachte in zijn hand een blauwkleurig mandje had, met daarop het AH logo en daarin rood- en groengekleurde chocoladedoosjes. Zij zagen dat verdachte hun kant op keek en naar hen wees. Zij hoorden dat de man tegelijkertijd met een luide stem schreeuwde
“Kanker homo's, Kanker leijers”.Zij zagen dat het erg druk was op straat en zij zagen dat meerdere passanten omkeken en geschokt keken. Op het moment dat de verbalisanten op de verdachte afliepen, zagen zij hem met versnelde pas weglopen. De verdachte bleef doorlopen na het aanroepen. Na 20 meter werd verdachte door [verbalisant 1] bij zijn arm gepakt en is hij staande gehouden ter zake belediging van een ambtenaar in functie. Tijdens het aanmaken van een melding bij het operationeel centrum bleef verdachte schreeuwen. [verbalisant 1] hoorde dat de verdachte steeds harder ging schreeuwen met de teksten:
“Kankerhoer”, “Je kanker moeder” en “Kanker Homo”. Ook [verbalisant 2] hoorde dat de verdachte in zijn richting de woorden “
Kankerhoer”en “
Je kanker moeder”bezigde. [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hebben verklaard dat zij hun werk als handhavers van de gemeente Arnhem met grote passie uitvoeren en dat zij zich in hun goede naam en goede eer aangetast voelden. [2]
Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft beledigd met de woorden
“kanker homo’s”, “kanker leijers” en “kanker hoer”, terwijl deze beledigingen tegen hen werden gedaan in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
Discriminatoir oogmerk
De vraag die, gelet op de tenlastelegging, vervolgens moet worden beantwoord, is of deze beledigingen werden begaan met een discriminatoir oogmerk. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
De verbalisanten stonden bij een auto met pech. Op dat moment kwam verdachte aan lopen over het fietspad, keek naar de verbalisanten, wees naar hen en begon naar hen te schreeuwen en de hierboven genoemde woorden te uiten. Ook na de aanhouding bleef verdachte deze woorden roepen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij die dag veel alcohol had gedronken en in een dronken bui was. Hij kan zich niet meer herinneren dat hij bijzondere opsporingsambtenaren tegen kwam. Ook kan hij zich niet herinneren dat hij de woorden
“Kanker homo's”, “Kanker leijers”en
“kanker hoer”heeft geroepen.
De aanleiding voor het uiten van de beledigingen alsook waarom deze specifieke woorden zijn gebruikt, zijn onduidelijk gebleven. De rechtbank kan enkel constateren dat verdachte in een dronken bui allerlei woorden met daarvoor het woord “kanker” heeft geschreeuwd en dat die woorden beledigend zijn geweest voor de verbalisanten. Van enig besef bij verdachte dat het noodzakelijke gevolg van zijn handelen is dat haat tegen homoseksuelen door hem tot uitdrukking is gebracht, is niet gebleken. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de inhoud van het dossier, in dit geval bij het gebruiken van deze woorden geen sprake was van een discriminatoir oogmerk. Verdachte zal daarvan dan ook partieel worden vrijgesproken.
Feit 3
Uit het onder feit 2 opgenomen bewijsmiddel blijkt dat verdachte ten tijde van de aanhouding een blauw winkelmandje van de Albert Heijn (hierna: AH) bij zich had met daarin rood- en groengekleurde chocoladedoosjes.
Op camerabeelden van de vestiging van de Albert Heijn aan de Van Lawick van Pabststraat 76 in Arnhem wordt door verbalisant [verbalisant 3] gezien dat om 17.24 uur een man met meerdere groene en rode doosjes in een winkelmand richting de toegangspoortjes van de winkel loopt en - op het moment dat de poortjes open gaan omdat mensen de winkel binnen gaan - de man snel tegen de richting in door de toegangspoortjes loopt. Daarna is te zien dat op het moment dat de man de winkel uitloopt, hij het winkelmandje met daarin de goederen nog vast heeft. De kleding op de camerabeelden komt overeen met de kleding van verdachte. [3]
Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van de aanhouding een winkelmandje bij zich had en dat hij de in dat winkelmandje aangetroffen goederen heeft gestolen. [4]
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte te zien is op beelden van voornoemde AH-vestiging met een winkelmandje met goederen en dat hij binnen een kort tijdsbestek (ongeveer 10 minuten) wordt aangehouden met een AH-winkelmandje met daarin dezelfde goederen als waarmee hij de AH-vestiging uitliep. De rechtbank acht op grond hiervan wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als klant/bezoeker van de Albert Heijn een winkelmandje in bruikleen had en dat hij zich deze wederrechtelijk heeft toegeëigend door daarmee de winkel te verlaten.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 t/m 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 11 december 2025 te Arnhem meerdere levensmiddelen
, in elk geval enig goed,
dat/die
geheel of ten deleaan de Albert Heijn
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op
of omstreeks11 december 2025 te Arnhem opzettelijk iemand, te weten [verbalisant 1] en
/of[verbalisant 2] (beiden buitengewoon opsporingsambtenaar) in het openbaar mondeling heeft beledigd, door de woorden toe te voegen: "kanker homo's" en
/of"kanker leijers" en
/of"kanker hoer"
in elk geval woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking, terwijl deze belediging werd aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening
, terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en/of bestond uit, werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door een of meer gedragingen die haat tegen en/of discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst en/of levensovertuiging, hun geslacht, hun seksuele gerichtheid en/of hun handicap tot uitdrukking brachten;
3.
hij op
of omstreeks11 december 2025 te Arnhem opzettelijk een winkelmandje
, in elk geval enig goed, geheel of ten deletoebehorende aan de Albert Heijn,
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachteen welk winkelmandje
, althans goed,verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten in bruikleen als klant en/of bezoeker van de Albert Heijn, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
diefstal;
feit 2:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;
feit 3:
verduistering.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 dagen met aftrek van voorarrest en daarnaast te bepalen dat aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van 2 jaar wordt opgelegd met daaraan gekoppeld de voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering in haar rapport van 20 mei 2026.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft allereerst bepleit dat het openbaar ministerie nog niet had kunnen en mogen overgaan tot het vorderen van een ISD-maatregel, omdat enkel is voldaan aan de kwalificatie als zeer actieve veelpleger als daarbij ook een proces-verbaal wordt betrokken dat is opgemaakt vóór tenuitvoerlegging van de laatst opgelegde ISD-maatregel. Hij heeft daartoe verwezen naar hetgeen de rechtbank Breda op 2 september 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:5625) heeft
overwogen ten aanzien van de wettelijke criteria. De raadsman heeft subsidiair bepleit dat de rechtbank niet zou moeten overgaan tot het opleggen van een (vierde) ISD-maatregel, omdat deze niet effectief zal zijn en neer zou komen op een gevangenisstraf voor de duur van de maatregel. Uit drie eerder aan verdachte opgelegde ISD-maatregelen blijkt dat deze niet hebben gezorgd voor gedragsverandering bij verdachte. Hij haalt daar geen motivatie uit om zijn leven op orde te krijgen. De raadsman heeft verzocht om de door de reclassering geadviseerde voorwaarden op te leggen in het kader van een voorwaardelijke gevangenisstraf en daarnaast het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf te beperken tot de duur van het voorarrest. Subsidiair, mocht de rechtbank overgaan tot het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel, heeft de raadsman verzocht de duur van deze maatregel te beperken tot ten hoogste zes maanden.
Verder heeft de raadsman verzocht de geschorste voorlopige hechtenis op te heffen vanwege het bepaalde in artikel 67a lid 3 van het wetboek van Strafvordering.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van levensmiddelen uit een supermarkt en verduistering van een winkelmandje. Verdachte heeft zich laten leiden door geldelijk gewin en heeft geen respect voor andermans eigendommen getoond. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van bijzondere opsporingsambtenaren. Door deze beledigingen te uiten in het openbaar, zijn de betrokken ambtenaren aangetast in hun eer en goede naam. Verdachte heeft hiermee getoond geen respect te hebben voor ambtenaren.
Strafblad
Uit het uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat aan hem drie keer eerder een ISD-maatregel is opgelegd, dat de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd in de proeftijd van een voorwaardelijke gevangenisstraf die is opgelegd op 20 juni 2025 door de politierechter van de rechtbank Amsterdam (waarvan de tenuitvoerlegging is gevorderd) en dat verdachte in de vijf jaren voor het tenlastegelegde meermaals onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten als de bewezenverklaarde feiten.
Reclasseringsadvies
Uit het rapport van de reclassering van 20 mei 2026 volgt dat bij verdachte sprake is van ernstige verslavingsproblematiek waarvoor hij op dit moment ambulant wordt begeleid. Verdachte verblijft sinds januari 2026 binnen een beschermde woonomgeving ([woonomgeving] in [verblijfsplaats]). Er zijn sinds december 2025 geen nieuwe delicten gepleegd. Verdachte laat
een meewerkende en transparante houding zien naar de woonbegeleiding, behandelaar en
toezichthouder. Hoewel de verslaving nog alom aanwezig is, is het streven voor de komende periode om verdachte te motiveren om in ieder geval van de harddrugs af te blijven om daarmee zijn huidige woonsetting te kunnen handhaven. Het risico op herhaling wordt hoog ingeschat. Het risico op onttrekking aan voorwaarden wordt, gebaseerd op het recente verleden, gemiddeld ingeschat. De huidige positieve samenwerking in vergelijking met het verleden, is voor de reclassering een belangrijk argument om nu niet voor een volgende onvoorwaardelijke ISD-maatregel te kiezen. De reclassering adviseert een voorwaardelijk ISD-traject om te trachten om verdachte zonder delicten en met gebruik van (hard)drugs een zo’n stabiel mogelijk leven te laten leiden. Zij adviseren de volgende voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, verblijf in een instelling voor beschermd/begeleid wonen of maatschappelijke opvang en beheersing van middelen gebruik.
ISD-maatregel
De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) kan worden opgelegd als aan een aantal voorwaarden is voldaan.
De rechtbank stelt vast dat de door verdachte gepleegde diefstal en verduistering misdrijven zijn waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Verder is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van deze feiten ten minste drie keer wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf veroordeeld of is aan hem bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf opgelegd.
De bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en/of maatregelen.
Gezien de (veelvuldige) recidive en verdachte’s verslavingsproblematiek moet er zonder
adequate behandeling en (woon)begeleiding ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Dit heeft het verleden, waarbij aan hem drie keer eerder een ISD-maatregel is opgelegd, ook uitgewezen.
Daarom eist de veiligheid van personen of goederen in beginsel het opleggen van de ISD-maatregel, die strekt tot beveiliging van de maatschappij en beëindiging van recidive.
Er is bij verdachte sprake van een ernstige drugsverslaving, met daarmee samenhangende problemen.. Het plegen van strafbare feiten hangt hier eveneens mee samen en daarom strekt de maatregel er ook toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van die verslavingsproblematiek.
De rechtbank is van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke eisen voor oplegging van de ISD-maatregel. Er wordt ook voldaan aan de voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers. Op grond van deze richtlijn kan een ISD-maatregel door het openbaar ministerie worden gevorderd ten aanzien van een stelselmatige dader die voldoet aan de wettelijke eisen en die wordt beschouwd als een “zeer actieve veelpleger”. Daaronder wordt verstaan een persoon van 18 jaar of ouder die over een periode van 5 jaren - waarvan het peiljaar het laatste jaar vormt - meer dan 10 processen-verbaal tegen zich zag opmaken, waarvan tenminste één in het peiljaar. Gelet op het uittreksel uit de Justitiële documentatie valt verdachte onder deze definitie. Hetgeen in het door de raadsman aangehaalde vonnis is geoordeeld, maakt het vorenstaande niet anders.
De rechtbank ziet in hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd geen reden om de ISD-maatregel niet op te leggen. De rechtbank overweegt dat de ISD-maatregel doorgaans voor (de maximale termijn van) twee jaar wordt opgelegd, vanwege de tijd die nodig is voor een effectief verloop van de maatregel. Uit het reclasseringsadvies en hetgeen ter zitting is besproken, zijn geen aanknopingspunten naar voren zijn gekomen voor het oordeel dat met een kortere duur van de maatregel kan worden volstaan. De rechtbank zal de ISD-maatregel dan ook opleggen voor de duur van twee jaar.
De rechtbank ziet evenwel aanleiding deze ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen en daarbij de bijzondere voorwaarden op te leggen die door de reclassering zijn geadviseerd. De voorwaarden van het meewerken aan een ambulante behandeling en het meewerken aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang acht de rechtbank noodzakelijk om het recidiverisico te beperken en toe te werken naar een delictvrij bestaan. Zoals hiervoor staat vermeld, heeft verdachte sinds hij verblijft in een beschermd wonen instelling, geen nieuwe delicten meer gepleegd maar is zijn verslavingsproblematiek nog alom aanwezig. Met de oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel kan verdachte de goede weg die hij is ingeslagen voortzetten. Verdachte is bovendien nu gemotiveerd voor gedragsverandering en om zijn leven te verbeteren. Dat de maatregel op zich verdachte niet motiveert, maakt niet dat de rechtbank tot een andere beslissing komt. De rechtbank zal een proeftijd van twee jaar verbinden aan de voorwaardelijke ISD-maatregel.
Op te leggen straf
Naast voornoemde maatregel zal de rechtbank gelet op de ernst van de feiten aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 dagen opleggen en de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht daarop in mindering brengen.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal gelet op het voorgaande het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [verbalisant 1] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend, omdat hij zich enorm beledigd voelde. De benadeelde partij vordert € 250,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat geen sprake is van een van de gronden genoemd in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
Overweging van de rechtbank
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
De rechtbank overweegt dat onvoldoende is gesteld en onderbouwd dat de benadeelde partij schade heeft geleden die op grond van een van de hiervoor genoemde grondslagen voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 13/177187-25)

De politierechter te Amsterdam heeft verdachte op 20 juni 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week.
De officier van justitie heeft afwijzing van de vordering verzocht.
De raadsman heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, omdat aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd. Toewijzing van de vordering vindt de rechtbank daarom niet opportuun.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 38p, 57, 267, 310 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
drie dagen;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;
 legt op de
maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
twee jaar;
  • bepaalt dat de maatregel
  • de algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
  • de algemene voorwaarde dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet Pro op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- de bijzondere voorwaarden dat:
o verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Het toezicht loopt reeds via unit Arnhem van de Reclassering Leger des Heils, gevestigd aan de Van Pallandstraat 11 te Arnhem (026-4430146);
o verdachte zich laat behandelen door een instelling voor forensische zorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
o verdachte, indien hij hiervoor na een intakeprocedure voor in aanmerking komt, in een instelling voor begeleid wonen of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang verblijft, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt;
o verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
 geeft opdracht aan Reclassering Leger des Heils (Van Pallandstraat 11 in Arnhem, telefoonnummer 026-4430146) om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte daarbij te begeleiden;
ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]
 verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging
 wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 20 juni 2025 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één week (parketnummer 13177187-25).
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Jansen (voorzitter), mr. M.A. van Leeuwen en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juni 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025600137, gesloten op 14 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 11.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 33.
4.Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 27 mei 2026.