ECLI:NL:RBGEL:2026:457

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
11643465
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering boete op grond van finale kwijting en beperkte boetebepalingen in notariële akte

In deze burenzaak vordert eiser betaling van bijna €25.000 aan boetes wegens vermeende overtredingen van gebods- en verbodsbepalingen uit notariële leveringsaktes. De procedure volgt op een eerdere kortgedingprocedure waarin partijen een schikking troffen met finale kwijting van alle vorderingen uit de rechtsbetrekking tussen hen.

De kantonrechter oordeelt dat de vordering van eiser onder deze finale kwijting valt, omdat de boetes en de onderliggende geschillen in de eerdere procedure aan de orde waren en de kwijting ook toekomstige vorderingen omvat. Daarnaast blijkt uit de notariële akte slechts één boetebeding van toepassing, dat beperkt is tot het gebruik van een uitweg. Veel van de door eiser genoemde overtredingen zijn niet met een boete bedreigd en kunnen daarom niet als grondslag dienen.

De rechtbank concludeert dat de gevorderde boetes onvoldoende zijn onderbouwd en dat de vordering daarom wordt afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagden, die worden begroot op €50. De uitspraak is gedaan door kantonrechter M.J.C. van Leeuwen op 9 januari 2026.

Uitkomst: De vordering tot betaling van boetes wordt afgewezen wegens finale kwijting en onvoldoende grondslag in de notariële akte.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11643465 \ CV EXPL 25-1163
Vonnis van 9 januari 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.H. van de Beeten,
tegen

1.[naam gedaagde 1] ,

2.
[naam gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 juni 2025;
- de brief van [eiser] van 7 november 2025 met bijlagen;
- de e-mail van [gedaagden] van 7 november 2025 met een bijlage;
- de mondelinge behandeling van 18 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar beide partijen een pleitnota hebben overgelegd en voorgedragen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en [gedaagden] zijn buren. Zij bewonen een pand aan [adres] in [woonplaats] dat oorspronkelijk één geheel was, maar later is gesplitst. [gedaagden] woont op nummer [nummer] en [eiser] op nummer [nummer] .
2.2.
Tussen partijen zijn diverse geschillen gerezen. Dit heeft onder meer geleid tot een procedure in kort geding, waar partijen op 8 februari 2024 een schikking hebben getroffen die in een proces-verbaal is vastgelegd. Daarin staat onder meer:
Partijen verlenen elkaar na uitvoering van het bovenstaande finale kwijting van al hetgeen zij in het kader van deze procedure gevorderd hebben en al hetgeen zij mogelijk nog te vorderen hebben in het kader van de rechtsbetrekking die tussen hen heeft bestaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] te veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 24.999,00, te vermeerderen met rente vanaf de eerste dag volgend op de dag van dagvaarding en voorts veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagden] voert gemotiveerd verweer. [gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten die [gedaagden] heeft moeten maken voor deze procedure, te weten een bedrag van € 340,12, althans een door de kantonrechter vast te stellen bedrag.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] stelt dat [gedaagden] een groot bedrag aan boetes verschuldigd is. [eiser] beroept zich op de leveringsaktes van de woningen van partijen waarin diverse gebods- en verbodsbepalingen zijn opgenomen. Volgens [eiser] heeft [gedaagden] deze bepalingen talrijke malen overtreden en is, rekenend met een boete van € 250,00 per overtreding, een groot bedrag aan boetes verbeurd.
4.2.
[gedaagden] heeft primair gesteld dat in het tussen partijen gevoerde kort geding finale kwijting is overeengekomen en [eiser] deze vordering dus niet meer kan instellen.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat dit verweer slaagt. In het ter zitting in kort geding op 8 februari 2024 opgemaakt proces-verbaal zijn afspraken vastgelegd over – kort gezegd – aan de riolering uit te voeren werkzaamheden en afspraken met betrekking tot de inrit. Onweersproken is dat er in kort geding geen vorderingen specifiek op de thans gevorderde boetes gericht waren. Echter zijn de boetes ter zitting wel besproken, zoals [gedaagden] stelt en [eiser] erkent en was er een vordering van [eiser] ingesteld tot het vrijhouden van de inrit waarbij een boete is gevorderd.
4.4.
Vervolgens hebben partijen in het kader van hun ter zitting bereikte schikking elkaar finale kwijting verleend van “al hetgeen zij mogelijk nog te vorderen hebben in het kader van de rechtsbetrekking die tussen hen heeft bestaan”. In het kort geding was nu juist de rechtsbetrekking tussen partijen als buren aan de orde en het gebruik van het terrein rondom de woningen (waaronder de uitweg/inrit). Naar het oordeel van de kantonrechter moet deze zinsnede gelet op de insteek van het kort geding en hetgeen daar aan de orde is gekomen, zo worden begrepen dat ook de vermeende overtredingen van [gedaagden] van ge- en verboden op het terrein van (één van) partijen in de schikking zijn betrokken en de finale kwijting ook daarop ziet. De thans gevorderde boetes zijn gegrond op overtredingen in de periode vóór deze overeenstemming, nu [eiser] immers op 20 januari 2024 de laatste overtreding in het door hem bijgehouden excelsheet heeft genoteerd [1] . Dit leidt reeds tot afwijzing van de vordering van [eiser] .
4.5.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat [eiser] zich beroept op verplichtingen die voortvloeien uit verschillende notariële aktes, die in de akte van levering van partijen zijn overgenomen. Echter enkel in de akte van 28 februari 2003 is een boete opgenomen. Deze ziet, voor zover hier relevant en samengevat, op het gebruik aan de uitweg die in eigendom is van [eiser] en waarop een erfdienstbaarheid ten behoeve van [gedaagden] rust.
4.6.
Gezien de aard van de aktes, waaruit de verplichtingen ook voor derden duidelijk moeten volgen, kan de boetebepaling niet ook worden toegepast op andere bepalingen dan waarvoor dat expliciet is beschreven, zoals [eiser] heeft betoogd. Een groot deel van de door [eiser] gestelde en genoteerde overtredingen van [gedaagden] , zoals het los laten lopen van een hond, het lopen of fietsen of rijden over (een stukje van) de parkeerplaats van [eiser] , het spelen van kinderen op het terrein zonder dit vantevoren te vragen en het in onderbroek (door zeer groot gat in broek) lopen door [gedaagden] , zijn niet met een boete bezwaard en dus kunnen de notariële aktes niet dienen als grondslag voor een vordering van boetes. Een andere grondslag heeft [eiser] niet gesteld. Reeds hierom is het door [eiser] gevorderde bedrag onjuist.
4.7.
Daarbij komt nog dat wat betreft de uitweg – voor zover van belang in deze zaak en samengevat – enkel is verboden, op straffe van een boete, het plaatsen van wagens of andere voertuigen of andere zaken op de uitweg zodanig dat een ongehinderd gebruik van de uitweg niet mogelijk is. Dat hiervan sprake is geweest, is onvoldoende onderbouwd door [eiser] . Hij maakt immers in zijn overzicht geen duidelijk onderscheid tussen kort en lang stilstaan en vermeldt niet waaruit de vermeende hinder dan bestond. Ook is vaak niet duidelijk waarom vermeende overtredingen door derden aan [gedaagden] worden toegerekend. Wel worden veel overtredingen genoemd, onder meer het laten slingeren van afval, die niet met een boete bedreigd zijn. Ook op grond van de boetebepaling uit de akte van 28 februari 2023 is [gedaagden] dus geen boete aan [eiser] verschuldigd, althans dit is onvoldoende onderbouwd.
4.8.
De vorderingen van [eiser] worden op grond van het voorgaande afgewezen.
4.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden niet begroot op het door hen gestelde bedrag, maar op:
- verletkosten
50,00
Totaal
50,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] begroot op € 50,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.
560

Voetnoten

1.Productie 9 bij dagvaarding