Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4571

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
05.391755.24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 6:166 lid 1 BWArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijke geweldpleging in horecagebied Apeldoorn met taak- en voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 4 augustus 2024 mishandelde een groep van vier tot vijf personen het slachtoffer in het horecagebied van de Hoofdstraat te Apeldoorn. De rechtbank stelde vast dat verdachte (27 jaar) en medeverdachte (31 jaar) zich schuldig maakten aan openlijke geweldpleging in vereniging. Het slachtoffer liep ernstig letsel op, waaronder een gebroken jukbeen en hoofdletsel.

De rechtbank baseerde haar oordeel op camerabeelden, getuigenverklaringen en politieonderzoek. Verdachte heeft het slachtoffer geslagen, geschopt en vastgehouden, maar niet tegen het hoofd geschopt. De mishandeling leidde tot bewusteloosheid van het slachtoffer. Verdachte werd vrijgesproken van geweld tegen het hoofd en benen.

Gezien de ernst van het feit, het strafblad en het reclasseringsrapport, legde de rechtbank aan de 31-jarige verdachte een taakstraf van 150 uur en een gevangenisstraf van 32 dagen (waarvan 30 voorwaardelijk) op. De 27-jarige verdachte kreeg een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen. Beiden kregen toezicht met bijzondere voorwaarden en werden veroordeeld tot betaling van materiële en immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer.

De rechtbank matigde het smartengeld tot €2.000,00 en wees de materiële schade van €649,96 volledig toe. Verdachte en medeverdachte zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De straf en voorwaarden zijn mede gebaseerd op positieve ontwikkelingen bij verdachte en het voorkomen van recidive.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 150 uur, gevangenisstraf van 32 dagen waarvan 30 voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.391755.24
Datum uitspraak : 10 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Angola), wonende aan [adres] in [woonplaats] .
raadsman: mr. A. Vehab, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 augustus 2024 te Apeldoorn openlijk, te weten in het horecagebied gelegen aan/in de Hoofdstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door genoemde [slachtoffer]
- tegen diens hoofd, benen en/of lichaam te stampen, schoppen en/of slaan
en/of
- aan diens arm(en) te trekken en/of vast te houden;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer] . Wel dient verdachte vrijgesproken te worden voor het schoppen of stampen tegen het hoofd van verdachte. Die gedragingen zijn volgens de officier niet in vereniging gepleegd, maar door één van de medeverdachte (namelijk medeverdachte [medeverdachte 2] ).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het slaan, stampen en schoppen tegen het hoofd. Voor het overige tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
In de nacht van 4 augustus 2024 omstreeks 04.00 uur was verbalisant [verbalisant 1] samen met verbalisant [verbalisant 2] belast met een horecadienst in het centrum van Apeldoorn. Zij hoorden over de portofoon dat er een man buiten bewustzijn lag ter hoogte van de fietsenstalling aan de Paslaan in Apeldoorn. Ter plaatse aangekomen zagen verbalisanten een man met een bebloed gezicht op de grond liggen en hoorden zij omstanders zeggen dat een groep van vier of vijf Antillianen hem meermaals op zijn hoofd zou hebben geschopt. Het slachtoffer bleek [slachtoffer] te zijn (hierna: [slachtoffer] ). [2]
[slachtoffer] is onderzocht en behandeld op de spoedeisende hulp. Bij [slachtoffer] werd het volgende letsel geconstateerd: hoofdletsel met inprentingsstoornissen zonder zichtbare aanwijzingen voor hersenletsel, een gebroken jukbeen links, sterretjes zien met linker oog, een forse zwelling en paarse verkleuring van het linker oor, een wond aan de linker onder kaak en een wond links van de linker wenkbrauw. [3]
In die nacht waren er camera’s van cameratoezicht gericht op de kruising tussen de Paslaan en de Hoofdstraat in Apeldoorn. Op de beelden die zijn opgenomen met deze camera’s tussen 03.58.06 uur en 04.04.32 uur (hierna: de camerabeelden) is te zien dat een groep van vier personen een ander persoon (slachtoffer) mishandeld. Na deze mishandeling viel het slachtoffer op zijn hoofd en leek hij tweemaal op zijn hoofd te worden gestampt. door (naar later bleek) verdachte [medeverdachte 2] . Op dat moment was ook te zien dat het lichaam van het slachtoffer bewoog. De camerabeelden zijn door de politie veiliggesteld ten behoeve van het onderzoek. [4]
De politie heeft onderzoek gedaan naar de personen die op de camerabeelden te zien zijn. Zij hebben de camerabeelden van de mishandeling bekeken en de verdachten van deze mishandeling daarna op de camerabeelden gevolgd. De politie heeft de personen genummerd met de nummers 1 tot en met 5. Voor zover relevant in deze zaak zijn door verbalisanten de volgende personen herkend:
  • Verdachte 1 is herkend als [verdachte] ;
  • Verdachte 2 is herkend als [medeverdachte 1] .
De rechtbank zal eerst voor verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , in de volgorde van de nummering van de politie, vaststellen welke gedragingen door deze specifieke verdachte zijn verricht, waarbij telkens omwille van de leesbaarheid de naam van de verdachte zal worden gebruikt. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de vraag of en zo ja, in hoeverre het aan [verdachte] ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
[verdachte] (verdachte 1)
Verbalisant [verbalisant 3] heeft op de camerabeelden onder andere waargenomen dat [slachtoffer] ineens door [verdachte] werd geslagen. Daarnaast heeft hij op de camerabeelden waargenomen dat [verdachte] [slachtoffer] ook heeft vastgehouden, terwijl [medeverdachte 1] [slachtoffer] met zijn rechter hand tegen zijn hoofd leek te slaan. De schop die [verdachte] gaf kwam tegen het achterwerk van [slachtoffer] aan. [6] Verdachte zelf heeft erkend dat hij [slachtoffer] heeft geduwd en geschopt. [7] [verdachte] begon met de mishandeling van [slachtoffer] . [8]
[medeverdachte 1] (verdachte 2)
[medeverdachte 1] rende naar [verdachte] en [slachtoffer] toe nadat het slachtoffer, kennelijk door de kracht van de slag van [verdachte] , naar voren boog. Terwijl [verdachte] het slachtoffer nog vast leek te houden, leek [medeverdachte 1] [slachtoffer] met zijn rechter hand tegen zijn hoofd te slaan. Op het moment dat anderen uit de groep trappende bewegingen maakten richting [slachtoffer] , stond [medeverdachte 1] achter hem en haalde hij hard met zijn rechterarm uit naar het hoofd van [slachtoffer] . Hierbij leek hij [slachtoffer] hard op zijn achterhoofd of de zijkant van zijn hoofd te raken. Direct daarna viel [slachtoffer] voorover op de grond, waarbij hij zijn armen en of handen niet gebruikte om zichzelf op te vangen. [slachtoffer] bleef roerloos liggen. [9]
Tussenconclusie
Gelet op het voorgaande, stelt de rechtbank vast dat een vijftal personen betrokken is geweest bij de mishandeling van slachtoffer [slachtoffer] . [verdachte] heeft [slachtoffer] geslagen en geschopt tegen zijn lichaam en heeft [slachtoffer] vastgehouden (terwijl [medeverdachte 1] [slachtoffer] sloeg). Op de camerabeelden wordt niet gezien dat [verdachte] tegen het hoofd of de benen van [slachtoffer] heeft geschopt, dan wel dat hij aan zijn armen heeft getrokken. De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van die geweldshandelingen.
Ten aanzien van het tenlastegelegde
Voor bewezenverklaring van openlijke geweldpleging moet sprake zijn van het in vereniging plegen van geweld. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van het “in vereniging” plegen van geweld sprake is indien een bijdrage wordt geleverd aan het geweld die voldoende significant of wezenlijk is.. In dat kader dient de rechtbank dus te beoordelen of [verdachte] een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld heeft geleverd. Die bijdrage behoeft overigens niet van gewelddadige aard te zijn.
Gelet op de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van geweldshandelingen van verschillende verdachten die tegen [slachtoffer] zijn verricht en die kunnen worden gezien als een aaneengesloten samenstel van handelingen die in één en dezelfde vechtpartij zijn verricht. De rechtbank heeft hiervoor reeds vastgesteld welke handelingen [verdachte] in dit verband heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit dat verdachte een materiële bijdrage aan het geweld heeft geleverd die van voldoende gewicht was. [verdachte] heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging.
Conclusie ten aanzien van het tenlastegelegde
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank de tenlastegelegde openlijke geweldpleging in vereniging tegen [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks4 augustus 2024 te Apeldoorn openlijk, te weten in het horecagebied gelegen aan/in de Hoofdstraat
, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door genoemde [slachtoffer]
- tegen diens
hoofd, benen en/oflichaam te
stampen,schoppen en
/ofslaan
en
/of
-
aandiens arm
te trekken en/ofvast te houden;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, gelet op de ernst van het feit en het letsel, het strafblad van verdachte, het reclasseringsrapport en het van toepassing zijnde taakstrafverbod, gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat strafeis moet worden gematigd tot een geheel onvoorwaardelijke taakstraf en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen in verband met het taakstrafverbod. De omstandigheden zoals genoemd in het reclasseringsrapport zijn niet meer actueel. Verdachte werkt momenteel fulltime en heeft een relatie. Hij is niet meer in beeld geweest voor uitgaansgeweld na het tenlastegelegde feit. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat hij zal recidiveren. Verdachte heeft dagbesteding en zijn middelengebruik is onder controle, het is niet noodzakelijk om hem daarvoor onder toezicht van de reclassering te stellen middels het opleggen van bijzondere voorwaarden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van uitgaansgeweld. In de Hoofdstraat van Apeldoorn, een druk uitgaansgebied, heeft verdachte met anderen [slachtoffer] mishandeld. Deze mishandeling was dusdanig dat [slachtoffer] bewusteloos op de grond viel en roerloos bleef liggen. Verdachte en zijn mededaders hebben hem daar ‘gewoon’ laten liggen en hebben het hazenpad gekozen. Dit getuigt van een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit en het welzijn van een medemens, in dit geval [slachtoffer] . Verdachte en zijn mededaders hebben zich enkel bekommerd om hun eigen vlucht en hebben [slachtoffer] aan zijn lot overgelaten. Gelukkig was er ander uitgaanspubliek aanwezig dat zich over [slachtoffer] ontfermde en bij hem bleef totdat de politie en ambulance ter plaatse kwam. Het geweld dat door de groep is toegepast, is ronduit schokkend. Verdachte nam daaraan deel. Dit soort uitgaansgeweld heeft een grote impact op de samenleving. Doordat omstanders en uitgaanspubliek ongewild worden geconfronteerd met dergelijk grof geweld, neemt het gevoel van onveiligheid en intolerantie steeds grotere vormen aan.
In haar advies van 29 mei 2025 acht de reclassering het psychosociaal functioneren van verdachte, zijn middelengebruik, zijn partnerrelatie ten tijde van het tenlastegelegde feit en zijn sociale netwerk delictgerelateerd. Ook signaleerde de reclassering op dat moment problemen op verschillende leefgebieden; verdachte beschikte niet over een vaste verblijfplaats, had geen inkomen en geen daginvulling met een vaste structuur. Hij omringde zich bovendien met personen die onderdeel uitmaken van het criminele circuit en er is sprake (geweest) van negatieve beïnvloeding door hen. Verdachte streefde toen een stabiele leefsituatie na en in tegenstelling tot eerdere reclasseringstrajecten, staat hij open voor hulpverlening om hem hierbij te ondersteunen. De reclassering adviseerde op basis van deze informatie om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, gedragsinterventie, diagnostiek en ambulante behandeling, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole.
Ter terechtzitting heeft verdachte toegelicht dat het reclasseringsrapport stamt uit de tijd dat hij dakloos was. Hij heeft nu een fulltime baan als lasser, een ander sociaal netwerk, een nieuwe relatie met wie hij samenwoont. Ook gebruikt hij geen drugs meer. De rechtbank vindt deze positieve ontwikkelingen van verdachte te prijzen en zal dit ook meenemen in de bepaling van de strafmaat.
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank de hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking genomen, alsook de straffen die rechters in vergelijkbare gevallen opleggenUit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 mei 2026 volgt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het onderhavig feit is veroordeeld voor een soortgelijk misdrijf. Zo is verdachte op 7 mei 2021 onherroepelijk veroordeeld wegens geweld tegen beroepsbeoefenaars en heeft hij daarvoor een werkstraf van 40 uren gekregen, die hij volledig heeft verricht. Dat betekent dat het taakstrafverbod van toepassing is.
Alles overwegende is de rechtbank, gelet op de aard en de ernst van de feiten en de positieve ontwikkelingen van verdachte, van oordeel dat een taakstraf van 150 uur subsidiair 75 dagen hechtenis met daarbij een gevangenisstraf voor de duur van 32 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk (met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering gesteld is geweest), met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. Hoewel de rechtbank ziet dat verdachte uit eigen beweging positieve stappen heeft gezet en een ogenschijnlijk stabiel leven leidt, acht zij deze ontwikkelingen nog wel wat pril. Om verdachte een kans te bieden om de door hem opgebouwde stabiliteit nader vorm te geven en om het recidiverisico te verlagen, zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel wel alle bijzondere voorwaarden koppelen zoals door de reclassering geadviseerd.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 649,96 aan materiële schade en € 3.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het materiële deel geheel kan worden toegewezen. Er is tevens sprake van immateriële schade die voor vergoeding in aanmerking komt, maar niet voor het gehele bedrag. De officier van justitie wijst er in dit kader op dat in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 2] het bedrag van € 3.000,00 is toegewezen, en dat gelet daarop een bedrag van € 3.000,00 in de onderhavige zaak aan de hoge kant is. Het voorgaande met toekenning van de wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte wordt verzocht te bepalen dat verdachte en zijn medeverdachte voor de schade hoofdelijk aansprakelijk zijn.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering voor zover die ziet op de immateriële schade primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat niet is vast te stellen welk lichamelijk letsel door benadeelde is opgelopen als gevolg van het openlijk geweld. Bovendien is de gestelde psychische schade niet onderbouwd met stukken. Er kan niet worden vastgesteld dat sprake is van rechtstreekse immateriële schade. Subsidiair dient de vordering voor wat betreft de immateriële schade fors gematigd te worden.
Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging gesteld dat deze schade vooral is ontstaan door de zware mishandeling gepleegd door [medeverdachte 2] . De benadeelde dient daarom ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de vordering voor wat betreft de materiële schade voldoende onderbouwd is en redelijk voorkomt. De rechtbank wijst de vordering voor wat betreft de materiële schade dan ook volledig toe, te weten voor een bedrag van € 649,96.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 BW Pro recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen een categorie van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) valt. Door het groepsgeweld heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een gebroken jukbeen, hoofdletsel en wonden aan wenkbrauw, onderkaak en oor.
Op grond van artikel 6:106 BW Pro is verdachte gehouden om deze schade (die benadeelde als gevolg van het openlijke geweld heeft geleden) te vergoeden. Bij de vaststelling van die schade kijkt de rechtbank naar de aard van het letsel en naar de bedragen die de Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen hebben toegekend. In dat kader heeft de rechtbank ook acht geslagen op de ‘Rotterdamse schaal’ en de door de Rechtspraak geformuleerde aanbevelingen daarop, die zijn geaccordeerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het gevorderde schadebedrag van € 3.000,00 matigen tot een bedrag van € 2.000,00.
De rechtbank kan niet vaststellen dat sprake is van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’, gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging, terwijl door benadeelde onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld ter onderbouwing van de stelling dat sprake zou zijn van een aantasting in de persoon op andere wijze. De hoogte van de schadevergoeding is dus niet mede bepaald op een aantasting in de persoon op andere wijze.
Wettelijke rente
Verdachte is:
  • over de materiële schade vanaf 7 september 2024 en
  • over de immateriële schade vanaf 4 augustus 2024
wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
Groepsaansprakelijkheid
Artikel 6:166 lid 1 BW Pro bepaalt dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.
De hoofdelijke aansprakelijkheid van de tot een groep behorende personen die deze bepaling in het leven roept, leidt ertoe dat de benadeelde die ten gevolge van een gedraging in groepsverband schade heeft geleden ter verkrijging van volledige vergoeding daarvan ermee kan volstaan één van de tot de desbetreffende groep behorende personen aan te spreken.
Blijkens de wetsgeschiedenis voorziet de regeling van artikel 6:166 BW Pro in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in een ieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan. Zij vindt haar begrenzing in de eis dat de kans op het aldus toebrengen van schade hen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband (Hoge Raad 3 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1726).
Dat de rechtbank niet kan vaststellen wie van de verdachten de bij de benadeelde partij ontstane schade heeft veroorzaakt, staat in het onderhavige geval dus niet aan toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in de weg. Ten aanzien van verdachte is immers bewezen verklaard dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een delict waarbij hij en de medeplegers van dat delict verantwoordelijk én aansprakelijk zijn voor het geheel van het door de groep gepleegde geweld en de gevolgen daarvan. Verdachte is op grond van deze groepsaansprakelijkheid tot vergoeding van de hiervoor genoemde schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachten de schade hebben vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f Sr de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op een taakstraf van 150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering gesteld is geweest;
  • bepaalt dat een deel van deze gevangenisstraf – te weten 30 dagen – niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor een eerste afspraak;
  • actief deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Rekening houdend met het resultaat van de SCIL, is het mogelijk dat de CoVa plus beter aansluit bij zijn leerbehoeften. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van zijn trainer/begeleider;
  • zich diagnostisch laat onderzoeken en aansluitend behandelen door Trajectum of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
  • spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk of andere passende vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
  • werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik in kaart te brengen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 649,96 aan materiële schade, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 649,96 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 6 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 2.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 20 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen, dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.A. Arts (voorzitter), mr. S. Jansen en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juni 2026.
De griffier is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, basisteam recherche Apeldoorn, opgemaakte proces-verbaal (‘eindpv [medeverdachte 2] ’), dossiernummer PL0600-2024361275, gesloten op 9 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 5 (eindpv [medeverdachte 2] ).
3.Letselrapportage Forensische Geneeskunde, p. 100-101 (eindpv overige verdachten)
4.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 97 (eindpv [medeverdachte 2] ).
5.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 99 (eindpv [medeverdachte 2] ) en het aanvullend proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 februari 2025.
6.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 97 (eindpv [medeverdachte 2] )
7.De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 20 mei 2026.
8.Het aanvullend proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 februari 2025.
9.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 97 en 98 (eindpv [medeverdachte 2] ) en het aanvullend proces-verbaal van bevindingen, d.d. 4 februari 2025.