ECLI:NL:RBGEL:2026:459

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
11454875
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:49 BWArt. 3:53 BWArt. 6:203 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging koopovereenkomst paard wegens wederzijdse dwaling over aangeboren ECVM

Eiser kocht op 1 januari 2023 een paard van gedaagde voor €9.750,00, waarbij het paard klinisch en röntgenologisch was gekeurd. Later bleek het paard te lijden aan de aangeboren aandoening Equine Complex Vertebral Malformation (ECVM), die niet was vastgesteld bij de keuring en het paard ongeschikt maakt als rijpaard.

Eiser stelde dat de koopovereenkomst vernietigd moest worden wegens wederzijdse dwaling en sommeerde gedaagde tot terugbetaling van de koopsom. Gedaagde betwistte dat het paard gebrekkig was en verwees naar de clausule 'as is, where is' in de koopovereenkomst.

De rechtbank oordeelde dat beide partijen niet wisten en ook niet hoefden te weten dat het paard ECVM had met zulke ernstige gevolgen. De clausule in de overeenkomst was onvoldoende concreet om het risico van volledige ongeschiktheid bij eiser te leggen. Daarom is sprake van wederzijdse dwaling en is de koopovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk vernietigd.

Vanwege het feit dat het paard inmiddels ouder is en de gezondheid is verslechterd, en eiser het paard wil houden als wei-maatje, matigt de rechtbank de terugbetaling tot €2.500,00. Daarnaast worden redelijke dierenartskosten van €204,92 en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van €453,75 toegewezen. De overige vorderingen, waaronder stallingskosten, worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De koopovereenkomst is vernietigd wegens wederzijdse dwaling en gedaagde moet gedeeltelijke terugbetaling en kosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11454875 \ CV EXPL 24-3916
Vonnis van 9 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. N. Ligthart,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D. Gölkusu.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident tevens bepaling mondelinge behandeling in de hoofdzaak van 11 april 2025, en de daarin genoemde processtukken,
- de akte uitlating producties van 13 oktober 2025 van [eiser] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025. [eiser] is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. [gedaagde] is verschenen, vertegenwoordigd door mevrouw [gedaagde] en haar gemachtigde. [eiser] en [gedaagde] hebben spreekaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van het verhandelde op de mondelinge behandeling. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de akte van 13 oktober 2025 van [eiser] . Dit bezwaar is verworpen en [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld een antwoordakte te nemen, maar heeft daarvan desgevraagd afgezien.
1.3.
Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] is een onderneming die zich bezighoudt met het fokken van en handelen in paarden. [eiser] is consument.
2.2.
Nadat [eiser] haar interesse kenbaar had gemaakt voor het paard ‘Berkeley’, later genaamd ‘Bailey’, geboren op 28 april 2019, (hierna: het paard), heeft [gedaagde] op
15 december 2022 röntgenfoto’s gemaakt en op 26 december naar [eiser] toegezonden. [eiser] heeft de foto’s ter beoordeling aan [dierenarts 1] (hierna: [dierenarts 1] ) werkzaam bij Paardenkliniek Buitenzorg, voorgelegd. [dierenarts 1] heeft het paard klinisch gekeurd. De conclusie van die keuring in het onderzoeksrapport van 30 december 2022 luidt als volgt:
“klinisch acceptabel”. Als gebruiksdoel van het paard staat in het onderzoeksrapport vermeld:
“sport”.
2.3.
[eiser] heeft op 1 januari 2023 het paard gekocht van [gedaagde] voor een koopsom van € 9.750,00. In de koopovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“(…) §
5 Veterinaire keuring en aanvaarding van het Paard
Het paard is op 15-12-2022 röntgenologisch en klinisch gekeurd. Deze foto’s zijn naar de koper toegestuurd en beoordeeld door hun eigen arts.
De koper is door Verkoper in de gelegenheid gesteld om het Paard zelf veterinair te laten keuren en onderzoeken en heeft daar gebruik van gemaakt. Het paard is op 30-12-2022 klinisch gekeurd in opdracht van de koper.
§ 5.1:
Partijen komen overeen dat de dag van de keuring 30-12-2022 de actuele gezondheidstoestand van het door de koper geaccepteerde paard weergeeft,
De koper aanvaardt het paard “as is, where is” per datum van bezichtiging.
De verkoper verstrekt geen garantie ten aanzien van de gezondheidstoestand van het paard en de toekomstige geschiktheid van het paard voor de sport, de fokkerij dan wel voor welke doeleinde dan ook (…)”.
2.4.
[eiser] heeft het paard op 1 januari 2023 opgehaald en de volledige koopsom betaald aan [gedaagde] .
2.5.
Per Whatsapp-bericht van 15 mei 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] laten weten dat het niet goed gaat met het paard en dat zij een afspraak heeft gemaakt bij Dierenartspraktijk Lingehoeve (hierna: Lingehoeve).
2.6.
Op 30 mei 2024 heeft [eiser] dierenarts [dierenarts 2] (hierna: [dierenarts 2]), van Lingehoeve, ingeschakeld om het paard te onderzoeken. Hij schrijft, voor zover relevant, het volgende in het onderzoeksrapport:
“(…)Conclusie:Klinisch licht neurologische bevindingen welke zich uiten in veel inbalans. Rontgenologisch was er sprake van ECVM (equine complex vertebral malformation), vernauwing van het intervertebrale foramen en mineralisatie in het bovenste deel van de disk van C67 en in mindere mate van C65.
Therapie/plan:Therapeutisch is er niets te doen aan ECVM (aangeboren). Kijken of het paard tijdens wat training verbeterd is een mogelijkheid eventueel met behulp van wat medicatie (…)”.
2.7.
Per WhatsApp-bericht van 5 juni 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] medegedeeld dat [dierenarts 2] bij het paard de aangeboren aandoening ‘Equine Complex Vertebral Malformation’ (hierna: EVCM) heeft geconstateerd en dat dit al zichtbaar was op de röntgenfoto’s bij de aankoop. [gedaagde] antwoordt diezelfde dag per WhatsApp-bericht dat haar dierenarts op de foto’s niets afwijkends heeft gezien en dat hij de foto’s ook heeft beoordeeld en goed heeft bevonden.
2.8.
Op 21 juni 2024 heeft er een afspraak plaatsgevonden tussen [eiser] en [dierenarts 2]. Hij schrijft daarover in een brief van 3 juli 2024 het volgende naar [eiser] :
“(…) gezien de bevindingen is nog uitgebreid gesproken over de kansen en mogelijkheden van Bailey. Aangezien hij zeker niet beter is gaan bewegen, zijn bevindingen structureel zijn (geen blessure maar permanent afwijkend) en hij gezien zijn maat met de gedane bevindingen heel erg moeilijk sterker te krijgen is mag de kans dat hij als rijpaard kan gaan functioneren zeer klein genoemd worden en is hij voor de sport ook niet geschikt. (…)”.
2.9.
Bij aangetekende brief van 9 juli 2024 roept [eiser] primair de vernietiging in van de koopovereenkomst op grond van dwaling en subsidiair ontbindt zij de koopovereenkomst wegens non-conformiteit. Zij sommeert [gedaagde] om over te gaan tot terugbetaling van de koopsom van € 9.750,00.
2.10.
Bij brief van 5 augustus 2024 wijst [gedaagde] alle aansprakelijkheid van de hand. Haar gemachtigde schrijft in haar brief aan [eiser] het volgende.
“(…) cliënte heeft de röntgenfoto’s nogmaals voorgelegd aan twee verschillende dierenartsen en zij beiden concludeerden dat er geen (aanmerkelijke) afwijkingen zichtbaar zijn aan de hals (…). Ten tijde van de koop was er dus geen sprake van een gebrek dan wel afwijkingen die een normaal gebruik als rijpaard in de weg staan. Ook de door uw cliënt ingeschakelde dierenarts heeft destijds niet geoordeeld dat er op de röntgenfoto’s een gebrek zichtbaar was. De omstandigheid dat deze dierenarts de aandoening ECVM zou hebben gemist, komt voor rekening en risico van uw cliënt. Daarnaast stelt de dierenarts dat de aanwezigheid van ECVM niet altijd hoeft te leiden tot daadwerkelijke klachten van het paard (…). De omstandigheden waarin het paard bij uw cliënt heeft geleefd, kunnen hebben bijgedragen aan het ontstaan van de klachten. Zo’n vijftien maanden na de verkoop kan niet meer worden onderzocht of die klachten ten tijde van de koop aanwezig waren (…)”.
2.11.
Bij brief van 12 augustus 2024 geeft [eiser] aan [gedaagde] de gelegenheid om over te gaan tot terugbetaling van de koopsom. Bij brief van 20 augustus 2024 ziet [gedaagde] hier vanaf, en doet zij uit coulance een voorstel om [eiser] met een bedrag van € 1.000,00 tegemoet te komen.
2.12.
Bij e-mail van 29 augustus 2024 heeft [eiser] van dit aanbod afgezien. Zij schrijft dat door Paardenkliniek Lingehoeve, Wolvega en Someren is vastgesteld dat sprake is van ECVM en dat dit een aangeboren gebrek is dat reeds aanwezig was ten tijde van de koop. Zij sommeert [gedaagde] nogmaals om over te gaan tot terugbetaling van de koopsom. [gedaagde] is daartoe niet overgegaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – kort samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair, voor recht te verklaren dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd dan wel ontbonden door [eiser] ,
II. subsidiair, de koopovereenkomst alsnog te vernietigen op grond van (wederzijdse) dwaling of te ontbinden op grond van een tekortkoming in de nakoming en [gedaagde] te veroordelen tot het terugnemen van het paard en terugbetaling van de koopsom van € 9.750,00,
III. meer subsidiair, over te gaan tot aanpassing van de koopovereenkomst en de aankoopprijs te verminderen tot € 500,00 en [gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling van de teveel betaalde koopsom van € 9.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024,
IV. primair en subsidiair [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van:
a. een bedrag van € 5.423,00 aan betaalde stallingskosten berekend tot en met november 2024, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024, en de nog te verschijnen maandelijkse stallingskosten tot het moment dat [gedaagde] het paard terugneemt,
b. een dwangsom van € 200,00 per dag, met een maximum van € 20.000,00, voor elke dag na de uitspraak dat [gedaagde] nalaat om het op te halen,
c. een bedrag van € 202,94 aan dierenartskosten,
d. een bedrag van € 1.043,63 aan buitengerechtelijke incassokosten,
e. de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt de volgende stellingen aan haar vordering ten grondslag. Zij heeft met [gedaagde] een overeenkomst gesloten die inhield de verkoop van een gezond rijpaard. Later is echter gebleken dat het paard lijdt aan de aangeboren aandoening ECVM. Deze aandoening was zichtbaar op de voorafgaand aan de koop gemaakte röntgenfoto’s en was dus voor de levering reeds aanwezig. Door deze aandoening is het paard niet berijdbaar. [eiser] stelt dat de koopovereenkomst om die reden bij brief van 9 juli 2024 rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd, althans ontbonden, wegens dwaling dan wel non-conformiteit. Indien de buitengerechtelijke vernietiging dan wel ontbinding geen stand houdt, vordert zij in deze procedure subsidiair vernietiging van de overeenkomst wegens (wederzijdse) dwaling, dan wel ontbinding van de overeenkomst wegens non-conformiteit, en in laatste instantie (meer subsidiair) vermindering van de koopprijs. [eiser] wil hoe dan ook dat [gedaagde] de koopsom aan haar terugbetaalt en dat zij de door haar geleden schade vergoedt.
3.3.
[gedaagde] betwist dat het paard ten tijde van de levering gebrekkig was. Voor zover sprake is van dwaling, dan is dit wederzijds en dient dit voor rekening van [eiser] te blijven. In artikel 5.1 van de overeenkomst is uitdrukkelijk opgenomen dat dwaling voor rekening van [eiser] komt. [gedaagde] heeft bovendien geen garanties gegeven over de (rij)geschiktheid van het paard, nu zij een jong, groen paard verkocht, ‘as is, where is’. Voorts stelt zij dat het paard voorafgaand aan de koop klinisch en röntgenologisch is onderzocht en dat de dierenarts van [eiser] het paard acceptabel heeft bevonden. Volgens [gedaagde] staat verder niet vast dat de vastgestelde ECVM de (enige) oorzaak is van de klachten van het paard. Deze klachten kunnen ook het gevolg zijn van het gebruik van het paard na levering. [gedaagde] concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
Vaststaat dat het paard lijdt aan de aangeboren aandoening ECVM en dat deze aandoening bij dit paard zulke ernstige gevolgen heeft dat het feitelijk geen andere functie heeft dan in de wei te staan. De kern van het geschil tussen partijen is wie het risico van deze situatie draagt.
4.2.
[eiser] stelt dat zij de koopovereenkomst – vanwege ECVM en de verstrekkende gevolgen daarvan – bij brief van 9 juli 2024 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft vernietigd dan wel heeft ontbonden. Aan het beroep op vernietiging van de koopovereenkomst legt [eiser] primair (wederzijdse) dwaling ten grondslag.
4.3.
Voldaan is aan het vereiste dat sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken voor beide partijen. Het was partijen onbekend dat het paard de aandoening ECVM had, nu dit door beide dierenartsen niet is vastgesteld naar aanleiding van het klinische onderzoek. De kantonrechter overweegt voorts dat partijen ook niet de juiste voorstelling van zaken hadden kunnen of moeten hebben. ECVM is immers een veel voorkomende en in bijna alle gevallen onschuldige aandoening. Nergens blijkt uit dat iemand, ook niet de dierenarts die het paard klinisch heeft gekeurd, wist dan wel had moeten weten dat ECVM in dit geval tot deze extreme gevolgen zou leiden. Het is voorts evident dat [eiser] de overeenkomst niet had gesloten als zij hiervan had geweten. Dit wordt door [gedaagde] ook niet weersproken. [eiser] heeft verder, onder verwijzing naar de verklaringen van de dierenartsen en het onderzoeksrapport van Paardenkliniek Lingehoeve, voldoende gemotiveerd gesteld dat ECVM de beperkingen van het paard veroorzaakt.
4.4.
Het beroep van [gedaagde] dat in dit geval de (wederzijdse) dwaling voor rekening en risico komt van [eiser] , faalt. In de koopovereenkomst is weliswaar in artikel 5.1 opgenomen dat het paard “as is, where is” wordt geleverd en dat geen garantie wordt verstrekt omtrent de toekomstige geschiktheid voor bepaalde doeleinden, maar dit houdt naar oordeel van de kantonrechter geen echte exoneratieclausule in. De bepaling is namelijk onvoldoende concreet om dit extreme geval waarin het paard volledig onbruikbaar is als rijpaard voor rekening van de koper te leggen. [gedaagde] heeft voorts niet gemotiveerd gesteld dat artikel 5.1 dit bijzondere en uitzonderlijke geval van volledige ongeschiktheid voor het gebruik als rijpaard onder het risico van de koper laat vallen.
4.5.
[gedaagde] heeft verder niet, althans onvoldoende, gesteld dat de onjuiste voorstelling van zaken op andere wijze voor rekening en risico van [eiser] zou moeten komen. Dat het gaat om een levend wezend dat kwalen kan krijgen, rechtvaardigt niet dat [eiser] enkel het risico zou moeten dragen wanneer het paard bij aangaan van de overeenkomst ECVM heeft met vergaande gevolgen, terwijl zij als koper daar geen rekening mee hoefde te houden.
4.6.
Het geslaagde beroep op dwaling leidt ertoe dat [eiser] middels de brief van
9 juli 2024 rechtsgeldig buitengerechtelijk tot vernietiging is overgegaan. De in dit verband gevorderde verklaring voor recht (primaire vordering onder I.) is daarom toewijsbaar zoals hierna vermeld in de beslissing. Nu het beroep op dwaling slaagt en de primaire vordering onder I wordt toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan het subsidiaire beroep op non-conformiteit (vordering onder II) en meer subsidiair op vermindering van de koopprijs (vordering onder III).
4.7.
Aan de buitengerechtelijke vernietiging komt terugwerkende kracht toe (artikel
3:49 BW in samenhang met artikel 3:53 BW Pro). De vernietiging heeft in beginsel tot gevolg dat partijen zonder rechtsgrond hebben gepresteerd, waardoor zij vorderingen uit onverschuldigde betaling hebben verkregen (artikel 6:203 BW Pro). Het gevolg hiervan zou in beginsel zijn dat [eiser] een vordering tot teruggave van de koopprijs heeft en dat zij het paard moet teruggeven, als ware de koopovereenkomst nooit gesloten.
4.8.
De kantonrechter overweegt dat volledige ongedaanmaking van de koopovereenkomst in dit geval bezwaarlijk is. Het volgende is hiertoe redengevend. Het paard is sinds de aankoop ouder geworden en zijn gezondheidstoestand is achteruitgegaan, waardoor het niet mogelijk is het paard terug te leveren in de staat waarin [eiser] het heeft ontvangen. [eiser] heeft bovendien bijna anderhalf jaar het gewenste gebruik van Bailey kunnen maken, in de periode van het optrainen, waarbij de ECVM nog geen negatieve rol speelde. Dit gebeurde pas bij het onder het zadel brengen van Bailey.
Voorts heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij het paard liever niet terug wil leveren aan [gedaagde] , maar het zelf wil houden als ‘wei-maatje’. [gedaagde] heeft hier geen bezwaar tegen gemaakt. De kantonrechter acht het vanuit het oogpunt van het welzijn van het dier, voor [eiser] (en haar dochter) voor wie teruglevering in de huidige omstandigheden emotioneel belastend is, maar ook gelet op het risico dat [gedaagde] het paard geen passende opvang kan bieden, wenselijk dat het paard bij [eiser] blijft. De kantonrechter zal de gevolgen van de vernietiging daarom redigeren op grond van de redelijkheid en billijkheid. Dit betekent dat [eiser] het paard mag houden.
Om deze redenen zal de kantonrechter de verplichting tot terugbetaling van de volledige koopsom matigen op grond van artikel 3:53 lid 2 BW Pro. Gelet op de waarde van het paard en de ernst van de gevolgen van de aandoening, wordt de gedeeltelijke terugbetaling vastgesteld op een bedrag van € 2.500,00. Dit bedrag vormt naar oordeel van de kantonrechter een evenwichtige verdeling van de gevolgen van de vernietiging. Onder de primaire vordering is geen rente gevorderd over dit bedrag. Gelet op het voorgaande wordt de vordering IV onder b (het terugnemen van het paard door [gedaagde] op straffe van een dwangsom) afgewezen.
4.9.
[eiser] vordert nog een schadevergoeding, bestaande uit een bedrag van € 5.423,00 aan stallingskosten, een bedrag van € 204,91 aan dierenartskosten en de toekomstige schade per maand. Wat betreft de door [eiser] gevorderde schade overweegt de kantonrechter dat het onredelijk is om alle uitgaven die voortvloeien uit het houden van het paard aan [gedaagde] toe te rekenen. Het paard heeft zich niet voortdurend ziek gedragen, zodat niet kan worden aangenomen dat alle kosten (zoals stallingskosten) volledig het gevolg zijn van de aangeboren aandoening. Bovendien heeft [gedaagde] geen invloed gehad op de stalling van het paard. Dat [eiser] heeft besloten het paard te behouden, is bij de beoordeling van de schade eveneens relevant. Door het paard te houden en de verzorging voort te zetten, heeft [eiser] de schade niet beperkt, en zij heeft tegelijkertijd voordeel genoten van het gezelschap en het plezier dat het paard haar (wel nog) biedt. Voorts wil [eiser] het paard, ook bij een geslaagd beroep op vernietiging van de overeenkomst, zelf houden, waardoor zij stallingskosten blijft maken. Gelet hierop worden de stallingskosten van € 5.423,00 en de toekomstige schade afgewezen. Het bedrag van € 204,91 aan dierenartskosten is wel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2024. Dit zijn namelijk redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid.
4.10.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Zij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Gelet op de toegewezen hoofdsom (€ 2.500,00) wordt slechts een bedrag van € 453,75 toegewezen.
4.11.
Het geschil is ontstaan door de aangeboren aandoening ECVM, waarvan de aanwezigheid en met name de verstrekkende gevolgen ten tijde van de koop voor geen van partijen, noch hun dierenartsen, voorzienbaar waren. Onder deze omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

5.1.
verklaart voor recht dat de koopovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] van 1 januari 2023, bij brief van 9 juli 2024 rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 2.500,00,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 204,92 aan dierenartskosten,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 453,75 aan buitengerechtelijke kosten,
5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt
5.6.
wijst het anders of meer gevorderde af,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
9 januari 2026.
31608/560