Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4643

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
05/091306-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 311 SrArt. 6:97 BWArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen woninginbraak met braak en diefstal van goederen

Tussen 5 en 7 juli 2024 hebben verdachte en twee medeverdachten een woning in [plaats] opengebroken en diverse goederen weggenomen. De bewoonster ontdekte de inbraak op 7 juli en zag drie mannen weglopen, waarna de politie werd ingeschakeld en de verdachten werden aangehouden.

De rechtbank baseerde haar oordeel op onder meer DNA-sporen op een blikje Shandy, getuigenverklaringen, chatberichten die het kraken en gebruik van de woning bevestigen, en de aanwezigheid van gestolen goederen bij medeverdachte. Verdachte werd wettig en overtuigend bewezen dat hij samen met anderen de woning heeft betreden en goederen heeft weggenomen.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van vijf maanden, rekening houdend met de ernst van de inbraak, het langdurig verblijf in de woning en de impact op de bewoonster. De materiële schade van €356,00 werd toegewezen, inclusief concertkaartjes en een schatting van de waarde van gestolen goederen. De vordering tot smartengeld en gemiste inkomsten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Verdachte werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente over de schadevergoeding.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf en betaling van materiële schadevergoeding van €356,00.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/091306-25
Datum uitspraak : 26 mei 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,
geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Raadsman: mr. K. Karakaya, advocaat in Apeldoorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 5 juli 2024 tot en met 7 juli 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan [adres] , alwaar hij,
verdachte, en medeverdachte(n) zich buiten weten of tegen de wil van rechthebbende bevond(en), een of meerdere goederen, te weten een of meerdere blikjes Shandy en/of een kroonluchter en/of een of meerdere vitrage en/of een motorjas en/of een motorhelm en/of een of meerdere kettingen en/of een riem en/of een kandelaar en/of een moersleutel en/of een of meerdere kilo’s zalm en/of een of meerdere pakken brinta en/of een of meerdere potten groente en/of macaroni mix, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] en/of [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen, onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Er heeft een inbraak plaatsgevonden in de woning aan [adres] in [plaats] . Het pand is eigendom van [bedrijf] en aangeefster [aangever] woont in het pand. De woning is achteraf gelegen. Op zo’n tweehonderd meter is een verlaten vakantiepark ( [plaats] ), waar een openbare parkeerplaats gelegen is. Tussen de parkeerplaats en perceel [nummer] is een hek geplaatst om te voorkomen dat mensen het perceel op lopen. [aangever] verliet op 5 juli 2024 rond 07:00 uur haar woning. Zij sloot alle deuren af door deze op slot te draaien. Zij liet de woning in goede staat en afgesloten achter. Op zondag 7 juli 2024 rond 14:00 uur kwam zij weer bij haar woning. Zij reed de oprit op richting de woning en zag dat het gordijn voor het raam boven de voordeur wapperde. Aangeefster probeerde de deur te openen. Zij hoorde meerdere voetstappen snel de trap af lopen. Het leek erop dat iemand met haast weg wilde. Zij kreeg vervolgens de voordeur niet open, omdat het schuifje aan de binnenzijde op de deur zat. Dit is vreemd, omdat dit van binnenuit moet zijn gedaan. Zij liep om de woning heen richting de achterzijde van de woning. Daar zag zij drie mannen weglopen, via het grasveld, in de richting van het verlaten vakantiepark. Ze liepen ongeveer dertig meter van de achterdeur af. Twee van de mannen droegen een volle rugzak. Zij zag dat de achterdeur geopend was. Zij opende de deur en zag dat er kussens achter de deur lagen. Die lagen er normaal gesproken niet. Er was braakschade aan de achterdeur. [aangever] liep een stukje achter de mannen aan en liep vervolgens terug. Zij had het vermoeden dat de mannen met de auto waren en is naar de parkeerplaats bij het vakantiepark gereden. Bij de parkeerplaats zag ze de man in de auto en zag ze opeens twee van de drie mannen lopen. Ze hadden rugzakken op die ze herkende van toen zij bij haar woning wegliepen. Ze heeft foto’s van de mannen gemaakt. Dit was ongeveer zeven of acht minuten nadat ze de mannen bij haar woning had gezien. Ze is achter de twee mannen aan gelopen en is de mannen gevolgd richting het dorp. [aangever] belde vervolgens de politie om de inbraak te melden en gaf haar locatie door. Zij bleef de twee mannen volgen. Ze had constant zicht op de mannen toen zij ze achtervolgde. De andere man stond nog bij de auto. De auto stond geparkeerd op de parkeerplaats bij het vakantiepark. Na enige tijd kwam de politie ter plaatse en die heeft de mannen meegenomen.
[aangever] is na de komst van de politie teruggegaan naar de woning. Zij zag dat de deur, direct bij binnenkomst in de hal, verbroken was. In de kamer aan de achterzijde van de woning was een kast naar het midden van de kamer geduwd, waar een plafondlamp boven hing. De lamp was weg. Door de hele woning waren kasten en lades opengetrokken. Verder bleek dat volgende goederen waren gestolen:
- een motorjas;
- een stuk of zes kettingen;
- een koperen kroonluchter [2]
- 2 x donkergrijze lange en brede vitrage uit de slaapkamer;
- een motorhelm;
- een Belt buckle uit Alberta, Canada
(de rechtbank begrijpt dat dit een riem betreft);
- een kandelaar;
- een moersleutel;
- ongeveer twee kilo zalm;
- twee pakken Brinta;
- potten groenten;
- macaronimix.
Verder stond er een sixpack met blikjes Shandy in de keuken toen [aangever] de woning verliet. De sixpack was bij thuiskomst aangebroken. Her en der door het huis trof [aangever] aangebroken en opgedronken blikjes Shandy. [3]
De politie kwam naar aanleiding van de melding van [aangever] ter plaatse. Zij zagen een vrouw zwaaien. Dit was op de oprit van [adres] naar [adres] . Zij zagen twee mannen op de door [aangever] aangewezen locatie staan. Het bleek te gaan om [verdachte] en [medeverdachte 1] . [aangever] vertelde dat een derde verdachte op de parkeerplaats bij IJsseldijk in een auto zat. [aangever] toonde twee foto’s van de auto en de bestuurder. De politie ging naar de parkeerplaats en zag daar de auto. Op de bestuurdersstoel zat een man. Het bleek te gaan om [medeverdachte 2] . [4]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het dossier geen belastend bewijs bevat dat verdachte betrokken is geweest bij de woninginbraak, terwijl daarvoor wel ontlastend bewijs te vinden is. Er is geen DNA van hem aangetroffen in de woning en bij zijn aanhouding werden er ook geen gestolen goederen bij hem gevonden. Het enkele feit dat verdachte zich dertig meter van de woning af bevond en dat hij gereedschap in zijn rugzak had, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat verdachte betrokken was bij de inbraak. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken.
Beoordeling door de rechtbank
Vaststaat dat er in de periode van 5 tot en met 7 juli 2024 is ingebroken in de woning aan [adres] in [plaats] , waarbij de bovengenoemde goederen zijn weggenomen. Daarbij is de achterdeur opengebroken. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte deze woninginbraak heeft (mede)gepleegd en overweegt daarover het volgende.
In de rugzak van [medeverdachte 1] werd een aangebroken sixpack aangetroffen met daarin blikjes Royal Club Shandy. [5]
Door de politie is verder forensisch onderzoek verricht in de woning. Een geopend blikje Shandy dat werd aangetroffen op de eerste verdieping van de woning is bemonsterd en gewaarmerkt als SIN AASB0260NL. [6] Deze bemonstering is onderzocht door Eurofins. Op de drinkopening van het blikje werd een enkelvoudig DNA-profiel aangetroffen van een man. Het DNA-profiel van [medeverdachte 2] komt overeen met dit DNA-profiel. De matchkans is kleiner dan één op één miljard. [7] De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat [medeverdachte 2] de donor is van dit celmateriaal.
De politie sprak verder met een buurvrouw, mevrouw [getuige] , die woonde aan [adres] , schuin tegenover [adres] . [getuige] vertelde dat zij op zaterdagmiddag 6 juli 2024 twee mannen had zien lopen op [adres] . Het ging om één jonge man van circa 30 jaar oud en één man van circa 50 jaar oud, met een gezet postuur, kaal hoofd en Oost-Europees uiterlijk. De mannen liepen in de richting van [adres] en kwamen ongeveer een half uur later weer teruggelopen. [8]
Onder [medeverdachte 1] werd een Samsung telefoon in beslag genomen, waarvan de inhoud is onderzocht. In de documenten zag de verbalisant een bestand met de titel: ‘brief OVJ aangepast door [naam] ’. De verbalisant zag dat het een mededeling aan de dienstdoende (hulp)officier van Justitie was over de bewoning van het pand aan [adres] te [plaats] . Hij zag dat het een aankondiging van kraken was. Er stond onder andere in dat zij al intrek in de woning hadden genomen. De brief was gedagtekend 5 juli 2024.
In de telefoon waren veel telefoonoproepen te zien van + [telefoonnummer] [account] .
Verbalisant zag verder een chat die afkomstig was van ‘ [account] ’ op 5 juli 2024:
Om 18:56 uur: ‘
NEEM IS OP DAN’
Om 18:59 uur: ‘
HEY KK HEBBEN JULLIR EEN SCHRORVENDRAAIER OF IETS VAN GEREEDSCHAP!???’ [9] .
Ook onder [medeverdachte 2] werd een telefoon in beslag genomen, waarvan de inhoud is onderzocht. In de contacten stond [naam] : + [telefoonnummer] . De verbalisant zag dat [medeverdachte 2] op 5 juli 2024 om 18:55 uur een gemiste oproep had van [naam] . Om 19:02 uur stuurde ze de volgende sms:
"KK HEBBEN JULLIE IETS VAN EEN SCHROEVENDRAAIER OF GEREEDSCHAP !?". [10]
De rechtbank overweegt dat [aangever] op 5 juli 2024 in de ochtend van huis is vertrokken. Op het moment dat zij op 7 juli 2024 thuiskomt, krijgt ze de voordeur niet open en hoort zij meerdere voetstappen op de trap, terwijl zij de enige bewoonster van het huis is. Als ze naar de achterkant van de woning loopt, is de achterdeur open en ziet zij drie mannen weglopen. De mannen lopen slechts dertig meter van de openstaande achterdeur af. [aangever] is naar de parkeerplaats gereden en daar komt zij de mannen opnieuw tegen, twee van de drie mannen lopend en de derde man ziet zij in de auto zitten. Kort erna verwijst zij de politie naar de mannen die zij herkent als de drie mannen die bij haar woning liepen. De politie houdt verdachte en twee medeverdachten aan.
De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat deze drie mannen – waaronder verdachte – uit de woning van [aangever] kwamen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de mannen zich op een privéterrein bevonden, vlakbij de woning, in een afgelegen gebied waar zij niet vandaan komen en waar zij in principe niets te zoeken hadden. Bij [medeverdachte 1] , met wie verdachte samen is aangetroffen, worden bovendien blikjes Shandy aangetroffen. De rechtbank gaat ervan uit dat deze blikjes uit de woning komen, gelet op het onderscheidende type drank. Bovendien is DNA van [medeverdachte 2] op één van de blikjes in de woning aangetroffen.
[medeverdachte 1] heeft dus de blikjes Shandy die bij hem zijn aangetroffen uit de woning van [aangever] weggenomen. De rechtbank dient te beoordelen of verdachte samen met anderen de ten laste gelegde goederen heeft weggenomen. De rechtbank leidt uit de genoemde bewijsmiddelen af (in het bijzonder de ‘brief OVJ’ en de berichten die in de telefoon van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn aangetroffen) dat de woning op 5 juli 2024 al is opengebroken en betrokken. Gelet op het tijdstip van de berichten die [naam] aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] stuurt, zal dit in de avond zijn geweest. Hiertoe hebben de mannen de achterdeur moeten openbreken, waarvoor gereedschap nodig is. De conclusie dat de mannen meerdere dagen achter elkaar in de woning zijn geweest, vindt verder steun in de waarneming van buurvrouw [getuige] . Zij ziet namelijk in de middag van 6 juli 2024 ook al twee mannen richting de woning lopen. In de periode van 5 tot en met 7 juli 2024, het moment dat [aangever] terugkwam, is er voldoende tijd geweest om spullen weg te halen (dan wel op te eten/drinken).
Als er een andere verklaring is voor het verdwijnen van de goederen uit de woning dan dat verdachte dit samen met anderen heeft weggenomen, dan had het onder de genoemde belastende omstandigheden op de weg van verdachte gelegen om die verklaring te geven. Dat heeft hij niet gedaan.
Al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte samen met anderen de woning van [aangever] heeft opengebroken en in de periode van 5 tot en met 7 juli 2024 de ten laste gelegde goederen uit de woning heeft weggenomen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in
of omstreeksde periode van 5 juli 2024 tot en met 7 juli 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen, in/uit een woning
en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan [adres] , alwaar hij,
verdachte, en
demedeverdachte
(n
)zich buiten weten of tegen de wil van rechthebbende bevond
(en
),
een ofmeerdere goederen, te weten een of meerdere blikjes Shandy en
/ofeen kroonluchter en
/ofeen of meerdere vitrage en
/ofeen motorjas en
/ofeen motorhelm en
/ofeen of meerdere kettingen en
/ofeen riem en
/ofeen kandelaar en
/ofeen moersleutel en
/ofeen of meerdere kilo’s zalm en
/of een ofmeerdere pakken brinta en
/of een ofmeerdere potten groente en
/ofmacaroni mix,
in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten deleaan [aangever] en
/of[bedrijf]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en
/of dat/die weg te nemen goederen, onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
, verbreking en/of inklimming.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer personen, waarbij de schuldigen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat, gelet op de bepleite vrijspraak.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft samen met anderen een woninginbraak gepleegd. Zij hebben de woning op 5 juli 2024 betrokken, waarna zij twee dagen later door de bewoonster werden betrapt. In de tussentijd hebben zij een grote hoeveelheid spullen gestolen, maar ook van de aanwezige voorraad gegeten en gedronken en de woning danig overhoop gehaald. De bewoonster heeft de moed gehad om de mannen te achtervolgen tot de politie ter plaatse was. De verdachten hebben met hun handelen geen enkel respect getoond voor het eigendom van de bewoonster. Haar woning is privédomein waar zij zich geborgen voelt en persoonlijke eigendommen veilig zijn. De daders hebben niet alleen goederen weggenomen, maar ook het gevoel van veiligheid van de bewoonster ernstig aangetast. Ter terechtzitting heeft de bewoonster verteld dat zij voortaan bang is om haar huis onbeheerd achter te laten. Om die reden is na het incident haar zoon bij haar ingetrokken.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor een woninginbraak geldt als uitgangspunt de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte de inbraak samen met anderen heeft gepleegd en dat zij meerdere dagen in de woning zijn geweest, waarbij de schade groot is.
Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde
gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden passend en geboden. Van persoonlijke
omstandigheden die een lagere straf rechtvaardigen, is de rechtbank niet gebleken.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend en die vordering ter terechtzitting aangevuld. De benadeelde partij vordert € 350,00 aan smartengeld. Daarnaast heeft de benadeelde partij de volgende materiële kosten gevorderd:
- € 56,00 aan kosten voor concertkaartjes;
- de kosten voor de weggenomen goederen, zoals opgesomd in de lijst per e-mail van 6 juli 2025 aan de politie. Deze e-mail maakt onderdeel uit van het dossier;
- ongeveer € 400,00 - € 500,00 aan gemiste inkomsten in verband met het opnemen van drie vrije dagen.
De benadeelde partij heeft verzocht om het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij vordert verder als proceskosten de reis- en parkeerkosten van en naar de terechtzitting, te berekenen vanaf het woonadres van de benadeelde.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij als het gaat om de concertkaartjes en het smartengeld kan worden toegewezen. De gevorderde bedragen voor de weggenomen goederen komen de officier van justitie redelijk voor en zijn eveneens toewijsbaar. Voor de gemiste inkomsten is ter terechtzitting door de benadeelde partij een bedrag geschat, maar daarbij ontbreekt een nadere onderbouwing. De benadeelde partij dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard voor dat deel van de vordering. De officier van justitie heeft de toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De reis- en parkeerkosten kunnen volgens de officier van justitie naar redelijkheid worden berekend, kijkend naar de reisafstand van het adres van aangeefster naar de rechtbank.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is aangevoerd dat het causale verband tussen het ten laste gelegde feit en de geleden schade onvoldoende is onderbouwd. Het concert had nog kunnen worden bijgewoond. Van de vermeende weggenomen goederen zijn geen bonnen of facturen overgelegd. De rechtbank kan daarom ook geen gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Ook de onderbouwing voor de gemaakte reiskosten en de gederfde inkomsten ontbreekt.
Ten aanzien van het smartengeld ontbreekt de onderbouwing voor het bestaan van geestelijk letsel. De benadeelde partij heeft op de terechtzitting aangegeven niet heel veel angst te hebben sinds de inbraak. De nadelige gevolgen van de inbraak liggen daarmee dus niet zo voor de hand dat een aantasting in persoon als bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek moet worden aangenomen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Vast staat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit schade heeft geleden waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.
De benadeelde heeft een bedrag van € 56,00 gevorderd ter vergoeding van gekochte concertkaartjes. Het concert vond plaats in de avond op de dag dat de inbraak door haar in de middag werd ontdekt. De rechtbank acht het aannemelijk dat de benadeelde het concert niet meer kon bijwonen, aangezien zij zich bezig moest houden met het afhandelen van de inbraak en het opruimen van haar woning. Er is sprake van rechtstreekse schade die voldoende is onderbouwd. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 56,00 toe.
De benadeelde heeft aan de politie op 6 juli 2025 een lijst gestuurd waarop gestolen goederen staan en (een schatting van) de aankoopprijs per artikel. Ter terechtzitting heeft zij vergoeding van de kosten voor deze goederen gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de goederen op deze lijst waarvan bewezen is dat deze uit de woning zijn weggenomen – met andere woorden: de goederen die op de tenlastelegging staan – voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige goederen op de lijst komt in het dossier onvoldoende naar voren dat deze ook bij de inbraak zijn weggenomen. Het gaat om de volgende goederen die voor vergoeding in aanmerking komen:
- verzilverde belt buckle uit USA, in 1991 in Alberta, Canada gekocht voor 110 USA dollar;
- indiaanse kettingen en oorbellen, € 100,-, 2024, contant betaald;
- koperen kroonlamp, € 100,-, 20 jaar terug op de Weerselose markt in Overijssel;
- zilveren kaarsen standaard voor vijf of zes kaarsen, € 100,- antiekwinkel Musselkanaal, 2004;
- motorjas, zwarte markt Beverwijk, 2005 € 100,-;
- motorhelm, 2e hands winkel Dld, € 15,-, 2019;
- 7 kg zalm uit de vriezer.
Gelet op de restwaarde van de spullen en het feit dat er geen aankoopbonnen of facturen zijn overgelegd, zal de rechtbank niet het gehele bedrag toewijzen. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek zal de rechtbank een bedrag toewijzen van € 300,00.
Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij naar voren gebracht dat zij enkele vrij dagen heeft moeten nemen als gevolg van de inbraak. Zij schatte in dat het ging om drie dagen voor een totaalbedrag à € 400,00 - € 500,00. Dit bedrag kon zij (op korte termijn) niet nader onderbouwen met stukken. De rechtbank acht dit deel van de vordering daarom onvoldoende onderbouwd. Ook zal zij niet overgaan tot een schatting, nu het dossier geen aanknopingspunten bevat om de hoogte van het inkomen te kunnen bepalen. De zaak aanhouden voor een nader debat hierover zou een onevenredige belasting opleveren voor het strafgeding. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van haar vordering.
Smartengeld
Door de benadeelde is verder een bedrag van € 350,00 aan smartengeld gevorderd. Ter onderbouwing is in de vordering beschreven dat de benadeelde na de inbraak extra alert werd en dat zij zich onveilig voelde. Ter terechtzitting heeft zij toegelicht dat ze niet zozeer zelf angstig was, maar dat zij vooral bang was om haar huis onbeheerd achter te laten. Om die reden is haar zoon bij haar komen inwonen.
Er bestaat alléén recht op vergoeding van smartengeld op basis van een in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek genoemde grondslag. De rechtbank kan smartengeld toewijzen in de gevallen dat sprake is van (1) lichamelijk letsel, (2) als iemand in zijn eer of goede naam is geschaad of (3) als iemand op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van de eerste twee grondslagen is in deze zaak geen sprake, aangezien er geen fysiek letsel is ontstaan en niemand juridisch is geschaad in zijn eer of goede naam. Van de laatste grondslag kan (onder meer) sprake zijn indien de rechtbank grond daarvoor ziet in de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan.
Hoewel de rechtbank de door de benadeelde beschreven impact van het voorval voorstelbaar en ook begrijpelijk acht, biedt de huidige stand van de rechtspraak geen ruimte voor toewijzing van smartengeld in een geval als deze. De bewezenverklaarde diefstal met braak is op zichzelf een onvoldoende ernstige normschending om reeds daarom de aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen. Dit oordeel wordt niet anders als dit wordt beoordeeld tezamen met de door de benadeelde gestelde gevolgen (extra alertheid en het bij haar intrekken door haar zoon). De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot smartengeld.
Proceskosten
De benadeelde vordert verder de reis- en parkeerkosten van en naar de terechtzitting. Die kosten komen voor vergoeding in aanmerking, nu de benadeelde niet wordt bijgestaan door een advocaat. De rechtbank constateert dat de rit van [adres] te [plaats] naar het Paleis van Justitie te Arnhem 55 kilometer betreft. Dat brengt de reiskosten voor een retourrit op een bedrag van: 55 km x € 0.23 x 2 = € 25,30.
De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Uitgaande van een uurtarief van € 4,50 voor parkeren in het centrum van Arnhem en aanwezigheid bij de terechtzitting van 10:30 – 13:00 uur, zal de rechtbank een bedrag ter hoogte van (2,5 uur x € 4,50 =) € 11,25 aan parkeerkosten toewijzen.
Conclusie
De rechtbank zal in totaal het volgende bedrag aan materiële schade toewijzen:
(€ 56,00 + € 300,00 =) € 356,00. Verdachte is wettelijke rente verschuldigd over dit bedrag vanaf 7 juli 2024.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De proceskosten worden tot op heden begroot op (€ 25,30 + € 11,25 =) € 36,55.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Zij kan zich ter vergoeding van die schade nog tot de burgerlijke rechter wenden.

9.De beoordeling van het beslag

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit is beslag gelegd op de schoenen van verdachte (goednummer 3248123).
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schoenen terug mogen naar verdachte, nu het onderzoek is afgerond.
De raadsman heeft aangegeven dat het Openbaar Ministerie daarvoor contact kan opnemen met hem, aangezien verdachtes verblijfplaats onbekend is.
Voor zover de rechtbank nog een beslissing moet nemen over het beslag, beslist zij dat de schoenen teruggaan naar verdachte.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 47 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 gelast de teruggave van de schoenen (goednummer 3248123) aan verdachte;
Beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij
 veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 356,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op € 36,55;
 verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 356,00 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 3 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. S.W. van Kasbergen (voorzitter), mr. L.M. Vogel en
mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.

mr. L.M. Vogel en mr. H. Jansen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025062986, gesloten op 12 maart 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte [aangever] , p. 57-59; proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, p. 62-63.
3.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, p. 81-82.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 87-89.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 104-105, 110-112.
6.Proces-verbaal vooronderzoek lab, p. 233.
7.Rapport Forensisch DNA-onderzoek Eurofins d.d. 18 februari 2025, p. 236-238.
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 98.
9.Proces-verbaal van bevindingen, p. 131-133.
10.Proces-verbaal van bevindingen, p. 150-151.