Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4665

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
05/404033-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf voor wederrechtelijke vrijheidsberoving bemoeizorgwerker met toekenning smartengeld

Op 20 december 2024 heeft verdachte een bemoeizorgwerker wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd door hem in een kamer op te sluiten, de deur en het raam te blokkeren, dreigende handelingen te verrichten met een zaag en een touw, en de telefoon van het slachtoffer af te pakken. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte deze gedragingen heeft gepleegd.

Verdachte lijdt aan schizofrenie en cannabisgebruik, wat zijn gedragskeuzes beïnvloedde. Psychiater Kemperman concludeerde dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, wat de rechtbank volgde. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 120 dagen op, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en rekende de 90 dagen voorarrest hierop in.

De rechtbank wees het verzoek tot vergoeding van materiële schade af wegens onvoldoende causaal verband, maar kende wel smartengeld van €2.000 toe vanwege de ernstige impact van de vrijheidsberoving. Daarnaast werd beslag gelegd op het gebruikte touw en de hamer, die verbeurd werden verklaard. De voorwaardelijke geldboete uit een eerdere zaak werd ten uitvoer gelegd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 dagen gevangenisstraf, waarvan 30 voorwaardelijk, met toekenning van €2.000 smartengeld en verbeurdverklaring van gebruikte voorwerpen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/404033-24
Datum uitspraak : 26 mei 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. L.E. de Rode, advocaat in Zutphen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Hij op of omstreeks 20 december 2024 te [woonplaats] opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door van een kamer / studio, waarin die [aangever] en/of verdachte zich bevonden, de (voor)deur en/of een raam af te sluiten en/of (daarbij) de sleutel van die deur onder zich te houden en/of tegen die [aangever] te zeggen, dat hij ( [aangever] ) vandaag die kamer niet meer uitkomt en/of dat hij, verdachte die [aangever] gegijzeld houdt en/of door de telefoon van die [aangever] af te pakken en/of (vervolgens) die [aangever] een (klauw)hamer en/of een stuk touw en/of een zaag te tonen en/of door de deur te blokkeren (door op een keukentrapje voor die deur te gaan zitten) en/of door tegen die [aangever] een of meermalen te zeggen, dat hij, verdachte, die [aangever] gegijzeld wil houden en/of dat die [aangever] zijn, [aangever] ', handen met een touw moet vastbinden en/of door een of meermalen met de zaag dreigende bewegingen richting die [aangever] te maken.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 23-25;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 30;
- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 12;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 mei 2026.
Ten aanzien van de zaag en het touw
Aangever [aangever] heeft verklaard dat verdachte meermaals dreigende bewegingen maakte met de zaag op het moment dat hij wilde opstaan. Daarnaast heeft [aangever] verklaard dat verdachte op enig moment een oranje touw naar hem toe gooide, waarbij hij zei dat aangever zijn handen hiermee moest vastbinden. Verdachte heeft deze gedragingen ontkend. De rechtbank overweegt echter dat de aangifte van [aangever] op essentiële punten wordt ondersteund door de verklaring van verdachte en de bevindingen van de politie. Verdachte heeft verklaard dat hij de zaag vasthield terwijl hij boos was op aangever. De politie zag in de woning een oranje touw op het aanrecht liggen. De rechtbank neemt de aangifte van [aangever] daarom als uitgangspunt. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat alle ten laste gelegde gedragingen bewezen kunnen worden.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks20 december 2024 te [woonplaats] opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en
/ofberoofd gehouden, door van een
kamer /studio, waarin die [aangever] en
/ofverdachte zich bevonden, de
(voor
)deur en
/ofeen raam af te sluiten en
/of(daarbij) de sleutel van die deur onder zich te houden en
/oftegen die [aangever] te zeggen, dat hij ( [aangever] ) vandaag die kamer niet meer uitkomt en
/ofdat hij, verdachte die [aangever] gegijzeld houdt en
/ofdoor de telefoon van die [aangever] af te pakken en
/of(vervolgens) die [aangever] een
(klauw
)hamer en
/ofeen stuk touw en
/ofeen zaag te tonen en
/ofdoor de deur te blokkeren (door op een keukentrapje voor die deur te gaan zitten) en
/ofdoor tegen die [aangever] een of meermalen te zeggen, dat hij, verdachte, die [aangever] gegijzeld wil houden en
/ofdat die [aangever] zijn, [aangever] ', handen met een touw moet vastbinden en
/ofdoor
een ofmeermalen met de zaag dreigende bewegingen richting die [aangever] te maken.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De standpunten
De raadsman heeft bepleit dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard. Als gevolg daarvan dient hij te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat de Pro Justitia-rapporteur (psychiater Kemperman) in zijn rapport van 16 maart 2026 weliswaar tot de conclusie komt dat verdachte
‘slechts’enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, maar dat de medische stukken die zijn opgesteld in het kader van de zorgmachtiging (en de verlenging daarvan) voldoende aanknopingspunten bieden om af te wijken van deze conclusie. Uit die stukken valt af te leiden dat het delictgedrag geheel, althans in grote mate moet worden toegeschreven aan de psychische stoornis van verdachte. De rechtbank heeft een zelfstandige bevoegdheid om zich hierover een oordeel te vormen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de stukken waarnaar de raadsman verwijst zijn opgesteld in het kader van de procedure op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Dat is een civiele procedure met een heel ander doel en karakter dan de strafrechtelijke procedure. Psychiater Kemperman is deskundig op forensisch gebied. Hij is aangesteld om te beoordelen of er een causaal verband bestaat tussen de bij verdachte vastgestelde schizofrenie en het ten laste gelegde feit. Door Kemperman is geconcludeerd dat er een verband is tussen de vastgestelde stoornis en het feit. Die stoornis werkte echter niet dusdanig door dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. De officier van justitie heeft daarom gesteld dat de conclusie van Kemperman moet worden gevolgd dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van het hiervoor genoemde rapport van psychiater C.J.F. Kemperman van 16 maart 2026.
Kemperman heeft gerapporteerd dat verdachte lijdt aan schizofrenie, met een stoornis in cannabisgebruik. Hiervan was ten tijde van het ten laste gelegde feit ook sprake. De stoornissen waren van invloed op de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte destijds. Kemperman heeft beschreven dat verdachte door de schizofrenie een verhoogde achterdocht kent, waarbij een soms agressieve reactie ook niet wezensvreemd is. Toen verdachte zich gekrenkt en miskend voelde door [aangever] , lijkt hij tamelijk impulsief te zijn overgegaan tot het delictgedrag. Zijn sociaal invoelingsvermogen en de interpersoonlijke afstemming, agressieregulatie, impulscontrole en gewetensfuncties zijn beperkt. Een verhoogd stressniveau door het naderende overlijden en uit huis gaan van vader kan zijn impulsieve-agressiviteit ook nog hebben gefaciliteerd. De controle over het gedrag lijkt bij het tenlastegelegde wel enigermate beperkt te zijn geweest met beperkingen in inzicht en sturing. Geadviseerd wordt daarom om verdachte het tenlastegelegde in een enigszins verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank overweegt dat Kemperman heeft gerapporteerd vanuit zijn forensische expertise. Daarbij is hem expliciet gevraagd om zich uit te laten over de vraag of en zo ja, in hoeverre het strafbare feit aan verdachte kan worden toegerekend. De deskundigen die hebben gerapporteerd in het kader van het verzoek tot verlenen van een zorgmachtiging in de zin van de Wvggz hebben – evenals Kemperman – beschreven dat verdachte lijdt aan schizofrenie (waarvan wanen een onderdeel zijn). Zij hebben zich - zoals te verwachten in een dergelijke procedure - niet uitgelaten over de vraag naar de toerekenbaarheid van verdachte en evenmin gerapporteerd vanuit forensische expertise. Gezien het voorgaande is de rapportage van Kemperman voor de rechtbank leidend. De rechtbank volgt het advies van Kemperman en zal het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte toerekenen.
Verdachte is strafbaar.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht – te weten 90 dagen – dienen hierop in mindering te worden gebracht. Aan het voorwaardelijk deel van de straf dienen als bijzondere voorwaarden te worden verbonden een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor [adres] in [woonplaats] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij een bewezenverklaring aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd die gelijk is aan de duur van het voorarrest met daarnaast eventueel een voorwaardelijk strafdeel. Verzocht is rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en de beperkte duur van de gijzeling.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd. Het slachtoffer kwam als bemoeizorgwerker bij verdachte thuis om hem te ondersteunen. Toen het slachtoffer hem teleurstellend nieuws bracht werd verdachte boos. Hij draaide de voordeur op slot, deed het raam dicht en zei tegen het slachtoffer dat hij niet meer weg mocht. Daarbij hield verdachte een zaag en een klauwhamer in zijn hand. Ook pakte verdachte de telefoon van het slachtoffer af, zodat hij niet om hulp kon vragen. Telkens als het slachtoffer wilde opstaan om weg te gaan, maakte verdachte dreigende bewegingen met de zaag. Na ongeveer vijftien tot twintig minuten mocht het slachtoffer gaan. Deze situatie is zeer beangstigend geweest voor het slachtoffer. Dit blijkt ook uit de impact die het incident op hem heeft gehad. De impact van de gebeurtenis heeft hij uitgebreid beschreven in de schriftelijke slachtofferverklaring.
De persoon van verdachte
Uit de hiervoor besproken rapportage van psychiater Kemperman volgt dat verdachte lijdt aan een schizofrenie, die mede van invloed was op het handelen ten tijde van het plegen van het strafbare feit. De rechtbank heeft het advies overgenomen om het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Kemperman heeft verder gerapporteerd dat het recidiverisico kan worden ingeschat als matig, gelet op het nog steeds bestaande psychotische beeld met waanideeën, een beperkt ziektebesef en bagatelliseren van het eigen gedrag bij een gebrekkige inleving en coping, antisocialiteit in de voorgeschiedenis en sociale isolatie. Verdachte wordt behandeld en begeleid door het FACT-team als onderdeel van GGZ-Centraal. Om het recidivegevaar te beperken is het verstandig om hiermee door te gaan. Het gebruik van anti-psychotische medicatie hierbij is belangrijk. Door de rechtbank is eerder een zorgmachtiging afgegeven. Deze is op 19 september 2025 met een jaar verlengd tot 19 september 2026.
De reclassering beschrijft in haar rapport van [geboortedag] 2026 dat sprake is van een positieve ontwikkeling. Middels de zorgmachtiging krijgt verdachte passende medicatie, wat heeft geresulteerd in een bepaalde mate van stabiliteit. Sinds januari 2025 is verdachte niet meer bij de politie in beeld geweest. Ook toont hij schuldbesef richting het slachtoffer. Waar verdachte in beginsel weerstand had tegen diagnostiek en hulpverlening, werkt hij inmiddels trouw mee. Uit contact met verschillende referenten blijkt dat op dit moment geen meerwaarde wordt gezien in een forensisch kader, omdat dit het al ingeslagen pad van hulpverlening kan doorkruisen en mogelijk zelfs een averechts effect zou kunnen hebben. Verdachte lijkt te gedijen bij het lopende hulpverleningstraject, waardoor de reclassering voortzetting hiervan noodzakelijk vindt met het oog op recidivevermindering en/of gedragsverandering. De reclassering adviseert daarom bij een veroordeling de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden alleen een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor [adres] in [woonplaats] (het werkadres van het slachtoffer).
De op te leggen straf/maatregel
De rechtbank stelt voorop dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig strafbaar feit met grote gevolgen voor het leven van het slachtoffer. Aan de andere kant ziet de rechtbank een kwetsbare verdachte, bij wie sprake is van ernstige psychiatrische problematiek. Ter terechtzitting heeft de rechtbank van verdachte gehoord dat het beter met hem gaat, zoals ook blijkt uit het reclasseringsrapport en uit de toelichting op zitting van de behandelend psycholoog. Hij neemt zijn medicatie en hij heeft meerdere keren per week dagbesteding in de vorm van vrijwilligerswerk. Ook onderhoudt hij inmiddels weer wat sociale contacten. Waar verdachte voorheen jarenlang in sociaal isolement leefde, probeert hij nu weer mee te draaien in de maatschappij. Gelet op deze positieve ontwikkelingen vindt de rechtbank het, net als de reclassering, van belang dat verdachte het huidige hulpverleningstraject voortzet om herhaling in de toekomst te voorkomen. Dit alles maakt dat de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend vindt.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 120 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (te weten 90 dagen), wordt op deze straf in mindering gebracht. Dat betekent dat verdachte niet terug in detentie hoeft. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zal de rechtbank als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer verbinden. Het locatieverbod zal de rechtbank niet opleggen, omdat verdachte in [woonplaats] woont en zijn leefwereld al zeer beperkt is. De rechtbank is van oordeel dat de belangen van het slachtoffer voldoende worden gewaarborgd door het feit dat verdachte op geen enkele wijze contact met hem mag opnemen.

8.De beoordeling van het beslag

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten is beslag gelegd op de volgende goederen:
  • een touw (goednummer 3358422);
  • een hamer (goednummer 3358424).
De officier van justitie heeft gevorderd dat het touw en de hamer worden onttrokken aan het verkeer, nu deze door verdachte zijn gebruikt bij het plegen van het strafbare feit.
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het beslag.
De rechtbank is tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gekomen en heeft geoordeeld dat verdachte daarbij een touw en een hamer heeft gehanteerd. Ingevolge artikel 33a lid 1 onder c Sr zijn voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan vatbaar voor verbeurdverklaring. De rechtbank zal het touw en de hamer daarom verbeurd verklaren.

9.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 4.796,26 aan materiële schade en € 2.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de materiële schade moet worden afgewezen, dan wel dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering. Het is onvoldoende duidelijk geworden of en zo ja, in hoeverre er een causaal verband bestaat tussen de schade en het strafbare feit. Dit omdat niet duidelijk is of (en in welke mate) de beschreven klachten zijn veroorzaakt door de bij benadeelde vastgestelde aandoening ACNES (buikwandpijnsyndroom). Over het verlies van arbeidsvermogen wordt verder opgemerkt dat het onzekere toekomstige schade betreft.
Ten aanzien van het gevorderde smartengeld heeft de verdediging primair verzocht om de vordering af te wijzen, althans de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren voor dit deel van de vordering. Bij het uitblijven van een onderbouwing waaruit blijkt dat sprake is van geestelijk letsel, is er geen grondslag om smartengeld toe te wijzen. Subsidiair is verzocht om het bedrag te matigen tot € 750,00, gelet op de bedragen die in andere zaken worden toegewezen in het geval van een wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
In het strafproces kan vergoeding worden gevorderd van de schade die de benadeelde partij heeft geleden als er voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade. In dit geval heeft de benadeelde partij vergoeding van schade gevorderd, bestaande uit kosten voor craniosacraal therapiebehandelingen, gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de therapiesessies en kosten door verlies van arbeidsvermogen.
Uit de schriftelijke slachtofferverklaring volgt dat bij de benadeelde partij in december 2025 de diagnose ACNES is gesteld, waarvoor hij in behandeling is. Daarbij is toegelicht dat stress (door het incident met verdachte) deze aandoening kan verergeren. De rechtbank kan uit de stukken niet afleiden of (en in hoeverre) deze aandoening van invloed is geweest op het ontstaan van de materiële schadeposten. De verdediging en de rechtbank hebben de benadeelde partij hierover op de terechtzitting ook geen nadere vragen kunnen stellen. Hoewel de rechtbank niet kan uitsluiten dat de klachten zijn ontstaan dan wel verergerd door het bewezenverklaarde handelen van verdachte, kan zij zonder nadere informatie evenmin vaststellen dat er een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen het handelen van verdachte en de gevorderde materiële schade. De verdediging heeft de vordering op dit punt gemotiveerd betwist. Een nader debat hierover zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot materiële schade. Hij kan zich voor vergoeding van deze schade tot de burgerlijke rechter wenden.
Smartengeld
De benadeelde partij vordert € 2.000,- aan smartengeld. De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 aanhef Pro en onder b BW recht op vergoeding van smartengeld onder meer in het geval dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. In dit geval brengt de aard en de ernst van de normschending naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen (onder meer langdurige vermoeidheids- en stressklachten) daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De benadeelde partij is immers van zijn vrijheid beroofd, waarbij verdachte een zaag en een hamer vasthield. Verdachte maakte dreigende bewegingen met de zaag telkens als de benadeelde wilde opstaan. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de benadeelde in deze bedreigende situatie terechtkwam, terwijl hij bij verdachte thuiskwam om zorg te verlenen en verdachte te ondersteunen. Gelet op de aard en ernst van het feit en kijkend naar de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 2.000,00 billijk. Zij zal dit deel van de vordering in het geheel toewijzen.
Verdachte is wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag vanaf 20 december 2024.
De rechtbank ziet verder aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De proceskosten worden tot op heden begroot op nul.

10.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05-233082-23)

De politierechter heeft verdachte op 13 december 2023 veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 200,00.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de vordering tot tenuitvoerlegging.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. De rechtbank wijst de vordering toe.

11.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

12.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als bijzondere voorwaarde dat:
- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [aangever] , geboren op [geboortedag] 1965;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Beslissing ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging
 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 13 december 2023 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een
geldboete ter hoogte van € 200,00(parketnummer 05-233082-23);
Beslissing ten aanzien van het beslag
 verklaart verbeurd het touw (goednummer 3358422) en de hamer (goednummer 3358424);
Beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 2.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van materiële schade;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 2.000,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 20 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H.W. Martens (voorzitter), mr. L.M. Vogel en
mr. S.W. van Kasbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024594774, gesloten op 21 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.