Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4671

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/05/453152 / HZ RK 25-37
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15.21 OwArt. 15.22 lid 2 OwArt. 15.23 OwArt. 15.24 OwArt. 15.25 Ow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling koopprijs en kostenvergoeding voor percelen gemeente Overbetuwe

De zaak betreft de prijsvaststelling van meerdere percelen die het Rentambt aan de gemeente Overbetuwe te koop heeft aangeboden op grond van hoofdstuk 9 van de Omgevingswet. De rechtbank heeft deskundigen benoemd die een advies uitbrachten over de werkelijke waarde van de percelen, waarbij rekening is gehouden met gebruikswaarde en ontwikkelingspotentie.

De deskundigen bepaalden de prijs op €2.600.000, waarbij de gebruikswaarde en een verwachtingswaarde voor woningbouwplannen zijn meegewogen. De gemeente betwistte enkele uitgangspunten, zoals de risicoafslag en de proceduretijd, maar de rechtbank volgde de deskundigen en verwierp de bezwaren.

Daarnaast stelde de rechtbank de kosten vast van de door haar benoemde deskundigen (€69.697,48), de juridische bijstand van het Rentambt (€25.006,21) en overige deskundige bijstand (€3.515,05), die de gemeente moet vergoeden. Tevens werd een naheffing griffierecht van €9.474 opgelegd aan de gemeente.

De rechtbank concludeert dat de prijs en kosten redelijk zijn vastgesteld en veroordeelt de gemeente tot betaling van genoemde bedragen.

Uitkomst: De rechtbank stelt de koopprijs vast op €2.600.000 en veroordeelt de gemeente tot vergoeding van kosten voor deskundigen en juridische bijstand.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/453152 / HZ RK 25-37
Beschikking van3juni 2026
in de zaak van
BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE OVERBETUWE,
te Elst, gemeente Overbetuwe,
verzoekende partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. P.L.G. Haccou,
tegen
STICHTING HET RENTAMBT VAN OVER-BETUWE,
te Elst, gemeente Overbetuwe,
verwerende partij,
hierna te noemen: het Rentambt,
advocaat: mr. H. Zeilmaker.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de prijsvaststelling voor een aantal percelen die het Rentambt aan de Gemeente te koop heeft aangeboden op grond van hoofdstuk 9 van de Omgevingswet (Ow). De rechtbank stelt de prijs voor deze percelen vast op in totaal € 2.600.000,00. Ook stelt de rechtbank de kosten vast van de door haar benoemde deskundigen die advies hebben uitgebracht over de koopprijs. Ten slotte stelt de rechtbank de vergoeding vast voor de kosten van juridische en deskundige bijstand die de Gemeente aan het Rentambt moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van 18 juli 2025 (hierna: de tussenbeschikking)
- het deskundigenadvies van 4 maart 2026
- het verkort proces-verbaal van het pleidooi van 31 maart 2026 en de daarin vermelde stukken
- de akte opgave kosten rechtsbijstand van het Rentambt van 15 april 2026
- de antwoordakte opgave kosten rechtsbijstand van de Gemeente van 24 april 2026.
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

3.De verdere beoordeling

3.1.
Bij tussenbeschikking heeft de rechtbank deskundigen benoemd en aan hen opgedragen om – met inachtneming van het bepaalde in artikel 15.21 tot en met 15.25 Ow – advies uit te brengen over de prijs van de onroerende zaken die het Rentambt op grond van hoofdstuk 9 Ow aan de Gemeente te koop heeft aangeboden. Het gaat om de percelen kadastraal bekend [kadasterkenmerken] .
3.2.
Op 22 december 2025 hebben de deskundigen een conceptadvies uitgebracht. Nadat partijen in de gelegenheid waren gesteld – en van die gelegenheid gebruik hebben gemaakt – om te reageren op het conceptadvies, hebben de deskundigen op 4 maart 2026 hun definitieve advies uitgebracht.
3.3.
Partijen hebben tijdens het pleidooi op 31 maart 2026 gereageerd op het definitieve deskundigenrapport.
3.4.
Na het pleidooi heeft het Rentambt een definitieve kostenopgave naar de rechtbank gestuurd. De Gemeente heeft daarop gereageerd.
De vaststelling van de prijs door de rechtbank
3.5.
De rechtbank zal de prijs voor de onroerende zaken vaststellen op € 2.600.000,00. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Uitgangspunt bij de beoordeling
3.6.
Op grond van artikel 16.122 Ow stelt de rechtbank de prijs vast met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5.21 tot en met 15.25 Ow. De waardebasis is de werkelijke waarde. Bij het bepalen van de werkelijke waarde wordt uitgegaan van de prijs die tot stand zou zijn gekomen bij een veronderstelde vrije koop in het economisch verkeer tussen het Rentambt als redelijk handelende verkoper en de Gemeente als redelijk handelende koper (artikel 15.22 lid 2 Ow).
3.7.
De waarde van de onroerende zaken moet daarbij in beginsel worden bepaald met inachtneming van onder meer de bestemming, de ligging en de huidige en toekomstige bebouwings- en gebruiksmogelijkheden. Indien sprake is van meerdere bouw- of gebruiksmogelijkheden, kan het Rentambt aanspraak maken op de hoogste waarde. Bij het bepalen van de waarde mag echter op grond van artikel 15.23 Ow geen rekening worden gehouden met voor- of nadelen van het werk waarvoor wordt aangekocht, andere overheidswerken die met dat werk verband houden en de plannen voor deze werken. De invloed daarvan op de waarde van de onroerende zaken moet worden geëlimineerd.
De uitgangspunten van het deskundigenrapport
3.8.
In het definitieve rapport hebben de deskundigen de prijs beoordeeld per 4 maart 2026. Op basis van de gecombineerde inzichten uit gebruikswaarde, ontwikkelpotentie, risicoanalyse en referentietransacties adviseren de deskundigen de prijs vast te stellen op in totaal € 2.600.000,00, kosten koper.
3.9.
Op de percelen [kadasterkenmerken] (beide gedeeltelijk) bevindt zich een twee-onder-een-kapwoning met aanpandige bergruimte, vrijstaande atelierruimte en verdere aanhorigheden, ondergrond en tuin inclusief dierverblijf, plaatselijk bekend als [adres] . Op de percelen [kadasterkenmerken] (beide gedeeltelijk) bevindt zich een vrijstaande bedrijfswoning met aanpandige garage, bedrijfsruimten, garageboxen en verdere aanhorigheden, ondergrond, tuin en erf, plaatselijk bekend als [adres] . De overige percelen omvatten, afgezien van enkele kleine opstallen, onbebouwde grond die in gebruik is als weg/ontsluiting, tuin, dierweide, opslag, dierverblijf en/of braakliggend. De percelen [kadasterkenmerken] betreffen weiland met notenbomen, door partijen “de boomgaard” genoemd.
3.10.
Het is de bedoeling dat op de percelen een woonzorgconcept van woningcorporatie Vivare en zorginstelling Pleyade wordt gerealiseerd, met 55 (sociale huur)appartementen, twee twee-onder-een-kapwoningen, een theehuis en handhaving van de woning [adres] .
3.11.
Bij de taxatie van de onroerende zaken hebben de deskundigen, met inachtneming van het huidig gebruik en de toegekende functie volgens het geldende omgevingsplan, de gebruikswaarde van ieder perceel bepaald. Verder hebben de deskundigen onderzocht welke waarde aan de percelen kan worden toegekend op basis van ontwikkeling naar woondoeleinden. Daarbij hebben zij het huidige plan van Vivare voor 55 zorgwoningen, dat de Gemeente als wenselijk en uitvoerbaar beschouwt, tot uitgangspunt genomen. Omdat het geldend planologisch regime nog niet in realisatie van dit plan voorziet, is in de benadering van de deskundigen sprake van een verwachtingswaarde.
De gebruikswaarde
3.12.
Bij de bepaling van de gebruikswaarde van de twee woningen met bijgebouwen ( [adressen] ) hebben de deskundigen de comparatieve methode toegepast. Bij het bedrijfsobject ( [adres] ) hebben zij ook gekeken naar de waarde van de bedrijfsgrond, mede gelet op de schaarste op de bedrijfsruimtemarkt en de ligging nabij het centrum.
3.13.
Van de overige, onbebouwde gronden grenst een substantieel deel aan negen bestaande woningen. Voor de eigenaren daarvan vertegenwoordigt deze grond volgens de deskundigen directe waardevermeerdering van hun eigendom; deze eigenaren zijn de meest gerede gegadigden voor tuinuitbreiding. Het resterende deel van de grond is aantrekkelijk voor gebruik als moestuin, hobbyweide of uitbreiding van bestaande tuinen. Een deel van de grond is nodig voor de ontsluiting van dergelijke percelen.
3.14.
Voor zowel de woningen [adressen] als de boomgaard bestaan meerdere potentiële kopers. Ten aanzien van de tuinuitbreidingskavels is verkoop op korte termijn volgens de deskundigen echter niet gegarandeerd. Daarom hebben zij in de waardering van die gronden een onzekerheidsmarge opgenomen van 25%.
3.15.
De deskundigen gaan uit van geoptimaliseerde deelverkopen. Zij begroten de gebruikswaarde op de som van de deelwaardes van de percelen, oftewel € 2.140.000,00.
3.16.
Het Rentambt kan zich hierin vinden, maar de Gemeente niet. De Gemeente meent dat een redelijk handelende koper op de peildatum het object in zijn geheel zou verwerven, waarbij deze een afslag toepast voor risico, looptijd en rendement. Volgens de Gemeente is het onrealistisch te veronderstellen dat alle aangrenzende eigenaren op de peildatum deelpercelen zouden afnemen tegen de marktwaarde. De Gemeente wijst erop dat de deskundigen niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe en op basis van welke uitgangspunten zij de gehanteerde risicoafslag van 25% hebben vastgesteld. Volgens de Gemeente moet worden uitgegaan van een redelijk handelende koper die – met het oog op de hoogste waarde die zou kunnen worden verkregen door het object uit te ponden – de tijd die daarmee is gemoeid en het risico van het ontbreken van koopbehoefte van aangrenzende eigenaren en marktontwikkelingen zal verdisconteren in de aankoopprijs. De som van afzonderlijke geoptimaliseerde deelopbrengsten komt daarentegen eerder overeen met een geoptimaliseerde eindopbrengst dan met de waarde die een willekeurige bereidwillige koper op de peildatum bereid is voor het geheel te betalen, aldus de Gemeente. De Gemeente houdt daarom vast aan de juistheid van de waardering van Kendes Rentmeesters en adviseurs (hierna: Kendes) die zij in reactie op het conceptrapport bij de deskundigen heeft ingebracht. Kendes gaat ervan uit dat voor een taxatie van de waarde is vereist dat op de peildatum sprake is van kopers die hun koopintentie kenbaar hebben gemaakt. Kendes heeft de gebruikswaarde vastgesteld op € 1.525.000,00.
3.17.
De rechtbank kan zich vinden in de door de deskundigen geadviseerde gebruikswaarde en neemt deze over. De deskundigen hebben in hun rapport gemotiveerd uiteengezet, en tijdens het pleidooi herhaald, dat in het vrije economische verkeer met het uitpondingsscenario de hoogste opbrengst kan worden bereikt. Dat strookt met het uitgangspunt dat het Rentambt aanspraak kan maken op de hoogste waarde. Daarbij komt dat het Rentambt voorafgaand aan de aanbieding aan de Gemeente al voorbereidingen had getroffen voor een veiling van het object, waarbij dat in delen zou worden verkocht.
De kwestie van de risicoafslag van 25% voor de tuinuitbreidingskavels had de Gemeente ook al in reactie op het conceptrapport naar voren gebracht. De deskundigen hebben in hun definitieve rapport gemotiveerd uiteengezet hoe de waardering van die kavels tot stand is gekomen. Zij hebben de waardering per individuele kavel afgeleid uit de prijs voor restgroen uit de grondprijzenbrief van de Gemeente en op basis van de ingeschatte waardevermeerdering voor de bestaande kavel waaraan de te kopen kavel wordt toegevoegd. Het door de Gemeente genoemde risico van kanteelvorming is volgens de deskundigen door de combinatie van de door hen getaxeerde waarde, de risicoaftrek van 25% en het belang van aangrenzende eigenaren om grond aansluitend aan de kavel van hun eigen woning zelf te verwerven, niet zodanig dat dit leidt tot een andere waardering. Deze redenering komt de rechtbank overtuigend voor. Ten aanzien van de gebruikswaarde van [adressen] heeft de Gemeente/Kendes naar aanleiding van het conceptrapport opmerkingen gemaakt over de toegepaste indexering van koopsommen van referenties op basis van de database van NVM/Brainbay. Naar aanleiding hiervan hebben de deskundigen navraag gedaan bij Brainbay. Dit heeft er kort gezegd toe geleid dat de deskundigen de gebruikswaarde van [adres] naar beneden hebben bijgesteld van € 780.000,00 naar € 740.000,00. De gebruikswaarde van [adres] is ten opzichte van het conceptrapport ongewijzigd gebleven. Ook deze onderbouwing komt de rechtbank overtuigend voor. De rechtbank gaat dan ook met de deskundigen uit van een gebruikswaarde van € 2.140.000,00.
De verwachtingswaarde
3.18.
De deskundigen hebben toegelicht dat de gebruikswaarde voor een redelijk handelende koper en verkoper een zekere ondergrens vormt. Volgens de deskundigen is ook sprake van een verwachtingswaarde, omdat de locatie al jaren onderwerp is van woningbouwplannen. Die verwachtingswaarde wordt mede bepaald door de duidelijke voorkeur van de Gemeente voor het plan van Vivare, waarbij nagenoeg alleen sociale huurwoningen worden gerealiseerd. Voor de bepaling van de verwachtingswaarde hebben de deskundigen referenties onderzocht van transacties waarbij gronden werden verworven in de verwachting dat woningbouw mogelijk zou worden, in het bijzonder binnenstedelijke inbreidingslocaties. In vergelijking met de gebruikte transacties kent het object waarover het in deze zaak gaat volgens de deskundigen betere exit-opties, doordat deelverkopen mogelijk zijn (waaronder [adres] ) en door alle aanliggende tuingronden. Het risico dat kapitaal langdurig zonder rendement vaststaat, is daardoor lager. Verder wegen marktpartijen volgens de deskundigen mogelijke optimalisaties van het plan van Vivare mee, evenals de mogelijkheid dat het plan niet doorgaat. Ook de boomgaard is een relevante factor. Deze is niet beschermd via de Bomenlijst van de Gemeente en kan dus zonder vergunning worden gerooid. Daardoor ontstaat ruimte voor aanvullende woningbouw, wat de ontwikkelpotentie aanzienlijk kan vergroten.
3.19.
Volgens de deskundigen wordt de mate waarin een redelijk handelende koper bereid is een opslag boven op de gebruikswaarde te betalen, bepaald door de risico-opbrengst-verhouding. Het plan van Vivare bevat relatief hoogwaardige sociale huurwoningen met relatief lage huurprijzen. De deskundigen hebben gerekend met gemiddelde ‘turnkey’ prijzen uit de markt voor het huidige, niet geoptimaliseerde plan van Vivare. Die prijzen zijn daarnaast getoetst aan de ‘puntenhuur’ conform het woningwaarderingstelsel en gekapitaliseerd met een voor woningcorporaties gemiddelde kostenvoet voor kapitaal. Dit leidt tot een marktconforme opbrengst van ‘verhuurklare’ sociale woningen. Deze opbrengst kan niet worden gedekt door de huurprijs. Het verschil, de onrendabele top, wordt gedragen door de koper. Voor de onrendabele top is in dit geval een extra dekking aanwezig in de vorm van een subsidie.
3.20.
In hun definitieve advies zijn de deskundigen ingegaan op de notitie van Kendes, waarin Kendes betoogt dat rekening zou moeten worden gehouden met een aftrek van 10% vanwege de risico’s van herbestemming. Kendes heeft aangevoerd dat omwonenden bezwaar kunnen maken omdat sprake is van een toename van verkeersbewegingen en bouwmassa, waardoor sprake kan zijn van minder woongenot van die omwonenden. De deskundigen hebben in hun definitieve advies onderkend dat de kans groot is dat bezwaar zal worden gemaakt, maar zij achten geen kansrijke bezwaren aanwezig. Ook vinden zij het van belang dat het plan geheel voldoet aan de wensen van de Gemeente. In het conceptadvies waren de deskundigen bij de residuele berekening uitgegaan van een proceduretijd van twee jaar. Bij heroverweging zijn zij tot de conclusie gekomen dat, rekening houdend met de mogelijkheden van omwonenden om vertraging te bewerkstelligen door het aanwenden van rechtsmiddelen, een proceduretijd van vier jaar meer passend is. Ook hebben de deskundigen het rentepercentage waarmee zij hebben gerekend aangepast naar de gemiddelde kostenvoet voor kapitaal (WACC) van woningcorporaties. Dit heeft geleid tot een bijstelling van de residuele waarde van € 1.550.000,00 in het conceptadvies naar € 1.480.000,00 in het definitieve advies.
3.21.
Volgens het Rentambt is een proceduretijd van vier jaar te lang en moet worden uitgegaan van twee of hooguit drie jaar. Het Rentambt heeft daarbij gewezen op de prioritaire status die de Gemeente aan het project heeft toegekend en op de eigen planning van de Gemeente, waarin de proceduretijd tot de start van de bouw tweeënhalf jaar bedraagt. In dit verband heeft het Rentambt opgemerkt dat het is toegestaan te beginnen met de bouw voordat de vergunning onherroepelijk is. Het Rentambt verzoekt de rechtbank om in de eindbeschikking een proceduretijd van twee tot drie jaar tot uitgangspunt te nemen en om daarmee rekening te houden bij het bepalen van de prijs van de percelen.
3.22.
Een proceduretijd van twee of drie jaar is naar het oordeel van de rechtbank te kort. De deskundigen hebben tijdens het pleidooi in reactie op het standpunt van het Rentambt uiteengezet dat de planning waarnaar het Rentambt verwijst er geen rekening mee houdt dat een omwonende beroep en hoger beroep instelt, en dat niemand op basis van een niet-onherroepelijke vergunning zal gaan bouwen. De proceduretijd kan volgens de deskundigen dan ook niet korter zijn dan vier jaar. De rechtbank kan zich hierin vinden.
3.23.
De Gemeente vindt een looptijd van het project van vier jaar weliswaar realistisch, maar meent dat de deskundigen ten onrechte geen fasering van kosten en opbrengsten in de tijd hebben aangebracht. Hadden de deskundigen dit wel gedaan, dan had dat volgens de Gemeente geleid tot een groter effect op de residuele grondwaarde. De Gemeente neemt daarbij in aanmerking dat een eventuele vertraging als gevolg van zienswijzen niet betekent dat de ontwikkeling gedurende deze periode volledig stilligt. In de praktijk wordt in dat geval al gestart met voorbereidende werkzaamheden, zoals ontwerp en planuitwerking, waardoor kosten zich al in een eerder stadium voordoen, en wordt de gehele ontwikkeling dus niet integraal doorgeschoven in de tijd, aldus de Gemeente. Uit de door haar overgelegde schaduwberekening van Kendes volgt dat aanpassing van de looptijd, terwijl voor het overige dezelfde cijfers worden aangehouden, leidt tot € 440.000,00 aan lagere opbrengsten, aldus de Gemeente.
3.24.
In reactie hierop hebben de deskundigen tijdens het pleidooi uiteengezet dat de berekening van Kendes niet juist kan zijn, omdat Kendes wel de kosten heeft laten stijgen, maar niet de opbrengsten. Kendes heeft gerekend met andere parameters en verschillende percentages. De rechtbank neemt dit over en gaat gelet hierop voorbij aan de schaduwberekening van Kendes.
3.25.
Ten slotte is de Gemeente het niet eens met de verwachtingswaarde die de deskundigen toekennen aan de boomgaard. De Gemeente heeft erop gewezen dat het feit dat de bomen niet op de gemeentelijke Bomenlijst staan en dus zonder vergunning kunnen worden gerooid, uitsluitend de juridische mogelijkheid betreft om de bomen te kappen. Een verwachtingswaarde is volgens de Gemeente niet realistisch voor een boomgaard waarvan het behoud door de gemeenteraad als beleidsmatig uitgangspunt wordt gehanteerd.
De rechtbank volgt de Gemeente hierin niet. Volgens de eigen regelgeving van de Gemeente mogen de bomen worden gekapt. Het ligt voor de hand dat een redelijk handelende koper daartoe zal overgaan. De rechtbank acht het realistisch dat de gemeenteraad vervolgens – gegeven de woningnood – woningbouw op het betreffende stuk grond zal toestaan. Het toekennen van een verwachtingswaarde aan de boomgaard is dan ook realistisch.
3.26.
De residuele berekening van de grondwaarde leidt volgens de deskundigen in hun definitieve advies tot een grondwaarde van € 1.480.000,00. Dit komt overeen met een grondwaarde van € 25.517,00 per wooneenheid, € 228,00 per m² bruto grond en € 700,00 per m² netto bebouwbare grond. De deskundigen bepalen de waarde van de woning [adres] – die evenals de boomgaard buiten het plan van Vivare valt omdat deze afzonderlijk kan worden verkocht – in hun definitieve advies op € 635.000,00. De boomgaard waarderen zij op € 500.000,00. De totale waarde op basis van herontwikkeling voor woningbouwdoeleinden bedraagt daarmee volgens de deskundigen € 2.615.000,00.
3.27.
Deze berekening komt de rechtbank, mede gezien het voorgaande, overtuigend voor en zij neemt deze dan ook over. Dit betekent dat de prijs van de percelen zal worden bepaald op € 2.600.000,00.
3.28.
Wat partijen met betrekking tot de prijsbepaling meer of anders hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten bespreking.
De kosten van de procedure
3.29.
Op grond van artikel 16.123 lid 4 Ow komen de kosten van deze procedure in beginsel ten laste van de Gemeente. Hieronder vallen zowel de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen als de kosten die het Rentambt heeft gemaakt voor rechtsbijstand en andere deskundige bijstand.
3.30.
Bij de beoordeling van de door het Rentambt gemaakte kosten moet de rechtbank toetsen of het redelijk is dat de kosten zijn gemaakt en of de omvang van die kosten (de hoogte van de declaraties) redelijk is (de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets). Ook het belang van de zaak en de mate waarin een zaak juridisch of anderszins gezien ingewikkeld is, spelen daarbij een rol.
3.31.
Bij de beantwoording van deze vragen komt aan de rechtbank een grote mate van vrijheid toe, terwijl artikel 16.123 Ow door de daarin gebezigde bewoordingen haar in belangrijke mate van haar motiveringsplicht ontheft. De aan zodanige motivering te stellen (minimum)eisen zijn mede afhankelijk van wat partijen over en weer hebben aangevoerd.
De kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen
3.32.
Bij brief van 26 maart 2026 heeft de voorzitter van de deskundigencommissie de rechtbank de kostenopgave doen toekomen. Het gaat om een totaalbedrag van € 69.697,48 inclusief kantoorkosten en btw. Tijdens het pleidooi heeft de Gemeente bezwaar gemaakt tegen dit bedrag. Volgens de Gemeente is bij deskundige Vermeulen gerekend met 48,6 uur in plaats van de gespecificeerde 48,36 uur. Deskundige Vermeulen heeft daarop toegelicht dat in eenheden van zes minuten wordt geschreven en dat 48,6 uur dus hetzelfde is als 48 uur en 36 minuten oftewel 48:36 zoals op de urenberekening staat. Deze toelichting komt de rechtbank juist voor, zodat het bezwaar van de Gemeente niet opgaat. Verder heeft de Gemeente betoogd dat bij de deskundige Van Lenthe € 0,25 te veel is gerekend en bij de deskundige Kootstra € 0,62 te veel. De Gemeente heeft echter niet aangegeven waar dit verschil volgens haar in zit. Dit had wel op haar weg gelegen. Gezien het voorgaande gaat de rechtbank aan de bezwaren van de Gemeente voorbij. Zij begroot de kosten van de deskundigen op € 69.697,48 inclusief kantoorkosten en btw.
De kosten van juridische bijstand
3.33.
Het Rentambt maakt aanspraak op vergoeding door de Gemeente van een bedrag van in totaal € 25.006,21 inclusief btw wegens kosten van juridische bijstand. De Gemeente refereert zich op dit punt aan het oordeel van de rechtbank.
3.34.
Het is redelijk dat kosten voor juridische bijstand zijn gemaakt. Het in totaal in rekening gebrachte bedrag is ook redelijk, zeker als het wordt afgezet tegen de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen. Het gevorderde bedrag komt dan ook voor vergoeding in aanmerking.
De kosten van overige deskundige bijstand
3.35.
Het Rentambt heeft zich voorts laten bijstaan door Rentmeesterskantoor [naam] (hierna: [rentmeesterskantoor] ). [rentmeesterskantoor] heeft daarvoor tot en met 19 maart 2026 een bedrag van in totaal € 3.515,05 inclusief btw in rekening gebracht. De Gemeente refereert zich ook op dit punt aan het oordeel van de rechtbank. Omdat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en binnen een redelijke omvang zijn gebleven, komen de kosten voor vergoeding in aanmerking.
Naheffing griffierecht
3.36.
Aan de Gemeente is een bedrag van € 714,00 aan griffierecht in rekening gebracht. Van het Rentambt – dat geen verweerschrift heeft ingediend – is geen griffierecht geheven. Op grond van artikel 10 lid 1 van Pro de Wet Griffierechten Burgerlijke Zaken (WGBZ) moet de hoogte van het griffierecht worden bepaald aan de hand van het verzoek in het verzoekschrift. De Gemeente heeft in het verzoekschrift geen bedrag genoemd dat zij voor de onroerende zaken zou willen betalen. In het voorgaande heeft de rechtbank de prijs voor de percelen bepaald op € 2.600.000,00. De rechtbank zoekt voor de bepaling van de hoogte van het griffierecht aansluiting bij dat bedrag. Ten tijde van het aanbrengen van het verzoekschrift (2025) bedroeg het griffierecht voor zaken met een beloop van meer dan € 1.000.000,00 voor niet-natuurlijke personen € 10.188,00. Dit betekent dat aan de Gemeente een naheffing van € 9.474,00 (€ 10.188,00 -/- € 714,00) zal worden opgelegd.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
bepaalt de prijs van de percelen kadastraal bekend als [kadasterkenmerken] , plaatselijk bekend [adressen] en ongenummerd te Elst, gemeente Overbetuwe, op € 2.600.000,00,
4.2.
veroordeelt de Gemeente tot betaling aan het Rentambt van € 25.006,21 inclusief btw aan kosten van juridische bijstand en € 3.515,05 inclusief btw aan kosten van andere deskundige bijstand,
4.3.
veroordeelt de Gemeente tot betaling van de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, vastgesteld op een totaalbedrag van € 69.697,48 inclusief kantoorkosten en inclusief btw,
4.4.
bepaalt dat de griffier een bedrag van € 9.474,00 aan griffierecht zal naheffen van de Gemeente.
Deze beschikking is gegeven door mr. D. Vergunst, mr. K.H.A. Heenk en mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
JE/Vg/KH/Ma