Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4715

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
337536-25 en 193211-25 (tul)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot gevangenisstraf en schadevergoeding voor uitlokking medeplegen bedreiging met vuurwapen

De rechtbank Gelderland heeft op 12 juni 2026 een man veroordeeld voor het uitlokken van medeplegen van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte had twee mededaders gevraagd om het slachtoffer te bedreigen door meerdere knalpatronen op diens woning af te vuren, waarvoor hij een geldbedrag van 500 euro beloofde. De bedreiging vond plaats op 22 november 2025 en werd vastgelegd op video.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het uitlokken van deze bedreiging heeft gepleegd. Verdachte had een eerdere veroordeling voor een soortgelijk feit tegen hetzelfde slachtoffer en liep ten tijde van het bewezenverklaarde feit nog in een proeftijd. De reclassering adviseerde een straf met bijzondere voorwaarden vanwege de alcoholverslaving en het hoge recidiverisico van verdachte.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en bijzondere voorwaarden waaronder klinische behandeling voor de alcoholverslaving. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €750 aan smartengeld aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van de bedreiging. De rechtbank verwierp het beroep op strafmatiging wegens een vermeend vormverzuim bij het ontgrendelen van de telefoon door de politie.

De straf en voorwaarden zijn mede gebaseerd op de ernst van de bedreiging, de impact op het slachtoffer en diens gezin, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank benadrukte het belang van een snelle klinische opname na detentie en de noodzaak van toezicht door de reclassering.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, en een schadevergoeding van €750 aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05-337536-25 en 05-193211-25 (tul)
Datum uitspraak : 12 juni 2026
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1978 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats] .
Raadsvrouw: mr. W.E. van Veldhuizen, advocaat in Apeldoorn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot aanpassing omschrijving feiten in de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , althans (een) ander(en), op 22 november 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- meerdere knalpatronen op, althans in de richting van, het huis van die [slachtoffer] te schieten, en/of
- deze beschieting op video vast te leggen,
welk feit verdachte in of omstreeks de periode van 15 november 2025 tot en met 22 november 2025 te [plaats] , althans in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of inlichtingen, te weten door
- te vragen of de twee mededaders, althans een ander, [slachtoffer] wilde(n) bedreigen/waarschuwen door meerdere kogels op het huis van die [slachtoffer] te schieten,
- de naam en het adres van die [slachtoffer] door te geven, en/of
- in ruil daarvoor een (of meer) geldbedrag(en) aan te bieden;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op 22 november 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door
- meerdere knalpatronen op, althans in de richting van, het huis van die [slachtoffer] te schieten, en/of
- deze beschieting op video vast te leggen.

2.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ,
althans (een) ander(en),op 22 november 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,[slachtoffer] hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door
- meerdere knalpatronen op,
althans in de richting van,het huis van die [slachtoffer] te schieten,
en/of
- deze beschieting op video vast te leggen,
welk feit verdachte in
of omstreeksde periode van 15 november 2025 tot en met 22 november 2025 te [plaats] ,
althans in Nederlandopzettelijk heeft uitgelokt door giften en
/ofinlichtingen, te weten door
- te vragen of
de twee mededaders, althanseen ander, [slachtoffer] wilde
(n)bedreigen/waarschuwen door meerdere kogels op het huis van die [slachtoffer] te schieten,
- de naam en het adres van die [slachtoffer] door te geven, en
/of
- in ruil daarvoor een
(of meer)geldbedrag
(en)aan te bieden.
De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

3.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
uitlokking van medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

4.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

6.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd van drie jaar. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat aan verdachte alle door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het locatieverbod, worden opgelegd, in combinatie met een bevel tot dadelijke tenuitvoerlegging van de bijzondere voorwaarden. Verder heeft de officier van justitie benadrukt dat het van belang is dat verdachte zo snel mogelijk geplaatst wordt in de [kliniek] , en als dit niet aansluitend op zijn detentie kan plaatsvinden, de Directie Individuele Zaken (DIZ) de opdracht moet krijgen om voor verdachte een overbruggingsplek te vinden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd die gelijk is aan de duur van het voorarrest, met een voorwaardelijk deel en eventueel een voorwaardelijke taakstraf. Omdat verdachte graag klinisch wil worden opgenomen, heeft de raadsvrouw zich niet verzet tegen de oplegging van het reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het locatieverbod. Ook heeft de raadsvrouw zich om diezelfde reden niet verzet tegen een bevel tot dadelijke tenuitvoerlegging van de bijzondere voorwaarden.
Over de hoogte van de straf heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, omdat de politie zonder toestemming van verdachte zijn telefoon heeft ontgrendeld en in zijn telefoon heeft gekeken. Dit levert een vormverzuim op dat moet leiden tot strafmatiging.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een ernstige bedreiging. Hij heeft twee mededaders gevraagd om zijn overbuurman te bedreigen. Hij beloofde hen dat zij hier 500 euro voor zouden krijgen. De twee mededaders zijn vervolgens naar de woning van het slachtoffer gereden waar een van hen meerdere knalpatronen op de woning van het slachtoffer heeft afgevuurd. Dit is een indringende en intimiderende bedreiging en het enkele feit dat het slachtoffer en zijn kinderen niet thuis waren op het moment van de beschieting, doet niets af aan het bedreigende karakter daarvan. Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen grote gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg gebracht bij het slachtoffer en zijn kinderen, maar ook in de straat van het slachtoffer heeft hij voor onrust gezorgd. Meerdere buren hebben de schoten gehoord. Uit de onderbouwing bij het verzoek tot schadevergoeding wordt duidelijk welke impact dit feit heeft gehad op het leven van het slachtoffer. Hij is voortdurend op zijn hoede en zijn kinderen verblijven sindsdien uitsluitend bij hun moeder. Dit alles is te wijten aan verdachte en zijn mededaders.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 mei 2026. Verdachte is op 10 juli 2025 veroordeeld wegens een misdrijf (WWM-feit) tegen hetzelfde slachtoffer als in de onderhavige zaak. Verder blijkt uit het strafblad van verdachte dat hij voor dat feit in een proeftijd liep ten tijde van het bewezenverklaarde. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
De reclassering schrijft in haar advies van 19 mei 2026 dat er sprake is van instabiliteit op verschillende leefgebieden en dat het alcoholgebruik van verdachte de grootste risicofactor is. Er is al een lange tijd sprake van een alcoholverslaving bij verdachte en de delicten uit het verleden heeft hij voornamelijk gepleegd onder invloed van alcohol. Verdachte is verschillende keren ambulant behandeld voor zijn alcoholverslaving. Momenteel staat hij open voor een klinische opname om aan zijn verslaving te werken. Verdachte is inmiddels aangemeld voor de [kliniek] , maar er is nog geen opnamedatum bekend. De reclassering heeft de DIZ gevraagd om een overbruggingsplek te regelen, maar vanwege capaciteitsproblemen is er nog geen plek beschikbaar gekomen voor verdachte. De reclassering adviseert om voorgaande redenen om aan verdachte een straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, met onder meer een meldplicht, een klinische behandelverplichting en een alcoholverbod. Daarnaast geeft de reclassering aan dat verdachte een overbruggingsplek nodig heeft en dat, vanwege het hoge recidiverisico, de bijzondere voorwaarden en het toezicht hierop dadelijk uitvoerbaar moeten worden verklaard. De rechtbank neemt dit advies over.
De rechtbank houdt bij de strafoplegging verder rekening met de rol van verdachte. Hij was de opdrachtgever en hij heeft zijn mededader(s) 500 euro beloofd om zijn overbuurman te bedreigen. Het misdrijf is op initiatief van verdachte gepleegd en zou niet hebben plaatsgevonden als verdachte dit niet aan zijn mededader(s) had gevraagd. Deze omstandigheden wegen in strafverzwarende zin mee en de rechtbank acht het dan ook gerechtvaardigd om aan verdachte een zwaardere straf op te leggen dan aan zijn mededaders.
Gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte acht de rechtbank de deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaar, zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden. De rechtbank zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden opleggen, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het locatieverbod.
Over het beroep dat door de verdediging wordt gedaan op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en daarmee op strafverlaging, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de verbalisant, zoals de verdediging stelt, ongeautoriseerd allerlei berichten heeft gelezen. Hij heeft de telefoon op de gebruikelijke wijze op vliegtuigstand willen zetten om te voorkomen dat op afstand berichten uit de telefoon verwijderd zouden worden. Toen direct na het ontgrendelen van de telefoon een foto met een wapen te zien was op het beginscherm van de telefoon, heeft de verbalisant hierop geklikt om vervolgens een filmpje van de beschieting te zien in het gesprek. Verbalisant heeft niet gescrold in het gesprek om nog meer berichten te lezen, maar heeft wel geklikt op de video van de beschieting en hij heeft deze video bekeken. Verder onderzoek naar de inhoud van de telefoon heeft niet plaatsgevonden. Het handelen van de verbalisant was gerechtvaardigd gezien de dreiging die op dat moment gaande was en de ernst van de verdenking tegen verdachte.
Ten slotte vindt de rechtbank het wenselijk dat verdachte aansluitend op zijn detentie direct geplaatst wordt in de [kliniek] waar verdachte al is aangemeld voor zijn klinische behandeling. Mocht aan het einde van zijn detentie nog geen plek in deze kliniek voor verdachte beschikbaar zijn, dan geeft de rechtbank nadrukkelijk in overweging het ertoe te leiden dat de Dienst Individuele Zaken verdachte zal plaatsen op een overbruggingsplek.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

7.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.000,- aan smartengeld, met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de hoofdelijkheidsclausule.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding is vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat er maximaal € 600,- aan schadevergoeding kan worden toegekend aan de benadeelde partij.
Overweging van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit.
Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, is sprake van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze. De benadeelde partij is met een misdrijf tegen het leven gericht bedreigd doordat zijn woning is beschoten door een van de drie verdachten, in samenwerking met twee medeverdachten. Er is direct op de woning geschoten met een vuurwapen. Deze normschending is van zodanige aard en ernst, dat de voor toekenning van smartengeld relevante nadelige gevolgen van die normschending voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Het gaat hier namelijk om een zeer ernstige, direct op de bewoners van de woning gerichte bedreiging.
De verdachte is door zijn bijdrage aan de beschieting naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de immateriële schade die de benadeelde partij daardoor heeft geleden. Dit betekent dat een vergoeding van immateriële schade op zijn plaats is.
De rechtbank heeft onder meer gekeken naar de Rotterdamse Schaal en naar bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend en acht om die reden een bedrag van € 750,- billijk. Deze is zonder nader onderzoek of onderbouwing toewijsbaar. De vordering tot immateriële schadevergoeding zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade op die datum is ontstaan.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05-193211-25)

De politierechter heeft verdachte op 10 juli 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van mening dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vordering, nu de handtekening ontbreekt op de vordering van 19 februari 2026.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 maanden;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de Tactus Reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
  • verdachte zich tijdens de proeftijd voor de duur van één jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door forensische verslavingskliniek of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan verdachte zijn detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
  • verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend aan verdachte zijn klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek;
  • verdachte, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
  • verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kan inhouden urineonderzoek, ademonderzoek, een speekseltest en/of een alcoholband. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
  • verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1978;
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voornoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als overige voorwaarden dat verdachte;
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht
dadelijk uitvoerbaarzijn;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf;
 verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 05-193211-25;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 750,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 750,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen maximaal 7 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
  • bepaalt dat als de medeverdachten (een deel van) het schadebedrag betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit verkort vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. A.P. Sno en
mr. A. Bril, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juni 2026.
mr. A. Bril is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.