Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4717

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
002797-26 en 165055-23 (tul) en 270860-24 (tul) en 323908-24 (tul) en 21-004817-22 (tul)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen bedreiging en vernieling met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Gelderland heeft op 12 juni 2026 een man veroordeeld voor medeplegen van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en vernieling van eigendommen van het slachtoffer en diens buurvrouw. Op 22 november 2025 bedreigde verdachte samen met anderen het slachtoffer door meerdere knalpatronen op diens woning af te vuren, wat op video werd vastgelegd. Twee dagen eerder vernielde verdachte schuttingen van het slachtoffer en diens buurvrouw.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Verdachte handelde op verzoek van een derde medeverdachte en zou hiervoor 500 euro ontvangen. De bedreiging veroorzaakte grote onrust bij het slachtoffer, diens kinderen en de buurt. Verdachte had een strafblad met eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten en liep ten tijde van de feiten een proeftijd.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 137 dagen op, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 180 uur. Tevens werd een contactverbod opgelegd ten aanzien van het slachtoffer. De civiele vordering tot smartengeld werd deels toegewezen voor een bedrag van €750,- met wettelijke rente vanaf de datum van de bedreiging. De rechtbank nam het advies van de reclassering over en hield rekening met de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 137 dagen gevangenisstraf, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, een taakstraf van 180 uur en een contactverbod wegens medeplegen bedreiging en vernieling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05-002797-26 en 05-165055-23 (tul) en 05-270860-24 (tul) en 05-323908-24 (tul) en 21-004817-22 (tul)
Datum uitspraak : 12 juni 2026
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1983 in [geboorteplaats],
ingeschreven op de [adres],
[postcode], in [plaats 1].
Raadsman: mr. C.F. Korvinus, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot aanpassing omschrijving feiten in de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op 22 november 2025 te [plaats 2], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door
- meerdere knalpatronen op, althans in de richting van, het huis van die [slachtoffer 1] te schieten, en/of
- deze beschieting op video vast te leggen;
2.
hij op 20 november 2025 te [plaats 2], opzettelijk en wederrechtelijk schuttingen en/of schuttingsdeuren, in elk geval enig goed, dat/die geheel aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

2.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op 22 november 2025 te [plaats 2], tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,
en/of met zware mishandeling,door
- meerdere knalpatronen op
, althans in de richting van,het huis van die [slachtoffer 1] te schieten
, en/of
- deze beschieting op video vast te leggen.
2.
hij op 20 november 2025 te [plaats 2], opzettelijk en wederrechtelijk
eenschutting
enen
/ofeenschuttingsdeur
en,
in elk geval enig goed, dat/die geheel aan
een ander, te weten aan[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toebehoorde
(n
), heeft vernield
,enbeschadigd
en/of onbruikbaar heeft gemaakt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

3.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen.

4.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

6.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 137 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, met een proeftijd van drie jaar en een taakstraf van 180 uur. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een contactverbod ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 1] wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat ten aanzien van feit 2 een schuldigverklaring zonder strafoplegging moet volgen. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman bepleit dat het voorwaardelijke strafdeel sterk gematigd dient te worden en dat daarnaast geen taakstraf zou moeten worden opgelegd aan verdachte. De raadsman acht de strafeis van de officier van justitie disproportioneel in het licht van de rol die verdachte heeft gehad bij de gepleegde feiten. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte inmiddels een baan met een woonvoorziening heeft en dat er dus sprake is van verbetering op het gebied van de beschermende factoren.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een ernstige bedreiging. Hij is samen met een medeverdachte naar het huis van het slachtoffer gereden, waar hij meerdere knalpatronen op de woning van het slachtoffer heeft afgevuurd. Dit was hem gevraagd door een derde medeverdachte en hij zou hier 500 euro voor krijgen. Dit is een indringende en intimiderende bedreiging en het enkele feit dat het slachtoffer en zijn kinderen niet thuis waren op het moment van de beschieting, doet niets af aan het bedreigende karakter daarvan. Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen grote gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg gebracht bij het slachtoffer en zijn kinderen, maar ook in de straat van het slachtoffer heeft hij voor onrust gezorgd. Meerdere buren hebben de schoten gehoord. Uit de onderbouwing bij het verzoek tot schadevergoeding wordt duidelijk welke impact dit feit heeft gehad op het leven van het slachtoffer. Hij is voortdurend op zijn hoede en zijn kinderen verblijven sindsdien uitsluitend bij hun moeder. Dit alles is te wijten aan verdachte en zijn mededaders. Dat geschoten is met (“slechts”) knalpatronen doet aan dit alles niet af. Toen het slachtoffer op de hoogte raakte van de bedreiging was dit namelijk onbekend. Daarnaast heeft verdachte twee dagen eerder de schuttingen van het slachtoffer en diens buurvrouw vernield. Dit is een vervelend feit. Het vernielen van goederen van anderen levert schade en overlast op.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 mei 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden regelmatig is veroordeeld wegens het plegen van misdrijven. Ook is verdachte in de afgelopen vijf jaar veroordeeld voor een bedreiging, een diefstal die gevolgd werd door een bedreiging en een bedreiging met zware mishandeling. Verdachte liep bovendien in een proeftijd van een eerdere veroordeling ten tijde van het bewezenverklaarde. Dit alles heeft verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
De reclassering schrijft in haar advies van 13 april 2026 dat verdachte ondanks het laatste toezicht wederom delicten heeft gepleegd. De reclassering heeft de laatste toezichtopdracht geretourneerd en verdachte is hiertegen in hoger beroep gegaan. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is duidelijk geworden dat deze zaak inmiddels onherroepelijk is en daarmee is ook het laatste toezicht negatief geëindigd. De reclassering ziet geen mogelijkheden meer om met verdachte samen te werken. Er zijn verschillende zorgen op het gebied van middelengebruik, huisvesting, dagbesteding en het psychisch functioneren van verdachte. Verdachte wil echter niet meewerken aan een klinische opname in het kader van middelengebruik en hij wil ook niet meer diagnostisch onderzocht worden. De reclassering concludeert dat de mogelijkheden qua toezicht uitgeput zijn en adviseert om aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank neemt dit advies over.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met de gewijzigde persoonlijke omstandigheden zoals door de raadsman aangevoerd. Verdachte lijkt inmiddels een baan te hebben met een woonvoorziening waardoor er nu mogelijk iets meer stabiliteit in zijn leven is.
Gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte acht de rechtbank de deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaar, zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden. De rechtbank zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 137 dagen opleggen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk. Dit leidt ertoe dat verdachte niet terug naar de gevangenis hoeft en dat de door hem ingezette positieve lijn niet zal worden doorbroken. Tegelijkertijd is er in de vorm van een fors voorwaardelijk strafdeel dan een stevige stok achter de deur die ervoor moet zorgen dat verdachte op het goede pad blijft. De rechtbank zal daarnaast aan verdachte een taakstraf opleggen van 180 uur en een contactverbod ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 1].

7.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.000,- aan smartengeld, met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de hoofdelijkheidsclausule.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er niet meer dan € 600,- aan smartengeld moet worden toegekend aan de benadeelde partij.
Overweging van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit.
Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, is sprake van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze. De benadeelde partij is met een misdrijf tegen het leven gericht bedreigd doordat zijn woning is beschoten door een van de drie verdachten, in samenwerking met twee medeverdachten. Er is direct op de woning geschoten met een vuurwapen. Deze normschending is van zodanige aard en ernst, dat de voor toekenning van smartengeld relevante nadelige gevolgen van die normschending voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Het gaat hier namelijk om een zeer ernstige, direct op de bewoners van de woning gerichte bedreiging.
De verdachte is door zijn bijdrage aan de beschieting naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de immateriële schade die de benadeelde partij daardoor heeft geleden. Dit betekent dat een vergoeding van immateriële schade op zijn plaats is.
De rechtbank heeft onder meer gekeken naar de Rotterdamse Schaal en naar bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend en acht om die reden een bedrag van € 750,- billijk. Deze is zonder nader onderzoek of onderbouwing toewijsbaar. De vordering tot immateriële schadevergoeding zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade op die datum is ontstaan.

8.De vorderingen tot tenuitvoerlegging (parketnummers 05-165055-23 en05-270860-24 en 05-323908-24 en 21-004817-22)

De politierechter heeft verdachte op 3 oktober 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een week (parketnummer 05-165055-23). Verdachte heeft zich met het bewezenverklaarde schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten tijdens de proeftijd van deze veroordeling. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van mening dat deze gevangenisstraf moet worden omgezet in een taakstraf. De rechtbank zal daarom in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf van 14 uur gelasten.
De rechtbank heeft daarnaast, net als de officier van justitie, geconstateerd dat inzake de parketnummers 05-270860-24, 05-323908-24 en 21-004817-22 de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling en de aantekeningen mondeling vonnis ontbreken. Dat betekent dat de rechtbank geen beslissingen hierover kan nemen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 63, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
137 dagen;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
90 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als bijzondere voorwaarde dat:
contactverbod
- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1978;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt op een
taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 3 oktober 2023 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf (parketnummer 05-165055-23);
 gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf een
taakstraf gedurende 14 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 7 dagen;
  • veroordeelt verdachte in verband met feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 750,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 750,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen maximaal 7 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit verkort vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. A.P. Sno en
mr. A. Bril, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juni 2026.
mr. A. Bril is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.