Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4719

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
045292-23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling witwassen van contante geldbedragen en ingewisselde cadeaubonnen

De rechtbank Gelderland heeft op 11 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van witwassen van geldbedragen die niet konden worden verklaard uit legale inkomsten. Het ging om een totaalbedrag van €51.890,- aan contante stortingen minus opnames en €1.912,50 aan ingewisselde cadeaubonnen.

De officier van justitie stelde dat wettig en overtuigend bewezen was dat verdachte wist dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf. De verdediging voerde aan dat verdachte gokverslaafd was en een groot geldbedrag had gewonnen, maar kon dit niet concreet of verifieerbaar onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat de verklaring onvoldoende was en dat er een vermoeden van witwassen bestond.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte het geld voorhanden had en wist dat het uit een misdrijf afkomstig was, maar sprak hem vrij van het verwerven, overdragen, omzetten of gebruik maken van het geld. De strafmaat werd bepaald op basis van de ernst van het feit, de duur van de gedragingen en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 3 maanden op, onvoorwaardelijk, en een voorwaardelijke geldboete van €10.000 met een proeftijd van 2 jaar. Een taakstraf werd niet passend geacht vanwege de ernst en de aard van het feit en het ontbreken van openheid van zaken door verdachte. De rechtbank volgde het reclasseringsadvies en legde geen bijzondere voorwaarden op.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf en een voorwaardelijke geldboete van €10.000 wegens witwassen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.045292.23
Datum uitspraak : 11 juni 2026
Tegenspraak (art. 279 Sv Pro)
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats].
Raadsman: mr. S. Ettalhaoui, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 februari 2026 en 28 mei 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode tussen 1 januari 2020 tot en met 18 maart 2024 te Harderwijk en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
(van) een of meerdere geldbedragen, te weten een geldbedrag van (in totaal) €51.890,- (zijnde het verschil van de contante stortingen en de contante opnames) en/of een geldbedrag van (in totaal) € 1.912,50 (zijnde de ontvangsten van de rechtspersoon [bedrijf], althans een of meer voorwerpen
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken. Verdachte was gokverslaafd en heeft op enig moment een groot geldbedrag gewonnen. Dat geldbedrag heeft hij opgenomen, thuis bewaard en is hij later weer gaan uitgeven.
De beoordeling door de rechtbank
Vermoeden van witwassen
Op de bankrekeningen van verdachte ([rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2]) werden per jaar de volgende contante stortingen gedaan:
2020: € 12.560,-
2021: € 5.220,-
2022: € 70.510,-
2023: € 7.990,-
Van diezelfde bankrekeningen werden in totaal de volgende contante opnames gedaan:
2020: € 43.420,-
2021: € 0
2022: € 970,-
2023: € 0
Het inkomen van verdachte was in de periode van 20 december 2018 tot en met 20 maart 2023 in totaal € 11.323,97, bestaande uit zorgtoeslag, studiefinanciering en loon (€ 532,11) . Daarnaast is er geen winst uit de onderneming van verdachte – een taxibedrijf – aangegeven. Tevens is er tussen 2018 tot en met 2022 geen omzetbelasting van dit taxibedrijf aangegeven. Een andere legale bron van inkomsten in de vorm van een andere uitkering, toeslagen en/of dienstbetrekking, anders dan genoemd, is niet zichtbaar op rekeningen van verdachte. Ook anderszins is daarvan niet gebleken. Er is ook niet gebleken van bijvoorbeeld spaartegoeden. [2]
De rechtbank stelt vast dat in de tenlastegelegde periode het verschil tussen de contante stortingen en contante opnames € 51.890,- bedraagt, terwijl daar geen legale inkomsten tegenover staan. Daarom is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier een vermoeden van witwassen volgt.
Op de bankrekening van verdachte ([rekeningnummer 3]) is in de periode van 2 februari 2024 tot en met 16 maart 2025 € 1.912,50, afkomstig van [bedrijf], bijgeschreven aan ingewisselde cadeaubonnen.
Onderzoek van de politie in openbare bronnen wijst uit dat het een bedrijf betreft met de website [website]. Via deze website zijn cadeaubonnen in te wisselen tegen geld. Uit de transactiegegevens blijkt dat er 24 cadeaubonnen zijn ingewisseld tegen geld, variërend van
€ 18,75 tot € 225,-. 20 van de 24 transacties zijn exact € 75,-. Met welke middelen de cadeaubonnen zijn verkregen, is niet duidelijk. Op deze rekening van verdachte zijn geen andere crediteringen zichtbaar dan bovengenoemde. Een legale bron van inkomsten in de vorm van een uitkering, toeslagen en/of dienstbetrekking is niet zichtbaar op de rekening. [3]
De rechtbank constateert dat er onverklaarbaar veel cadeaubonnen zijn ingewisseld voor geld dat op de rekening van verdachte werd gestort, terwijl de aanschaf ervan in ieder geval niet verklaard kan worden uit legale inkomsten. Het inwisselen van de bonnen op verschillende momenten staat hier ook niet op zichzelf maar vindt plaats in een periode waarin sprake is van een vermoeden van witwassen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van het bedrag van € 1.912,50 aan ingewisselde cadeaubonnen dat is gestort op de rekening van verdachte een vermoeden van witwassen volgt.
Concrete min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring
In dat geval mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. e Als verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken bij zijn overwegingen over het bewijs.
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte op enig moment een groot geldbedrag heeft gewonnen met gokken en dat hij dat bedrag heeft opgenomen en later is gaan uitgeven. Dat bedrag stortte hij dan terug op de rekening om het later weer op te nemen. De verdediging heeft dit op geen enkele manier geconcretiseerd of met stukken onderbouwd. Onduidelijk is waar en wanneer dat geldbedrag dan gewonnen zou zijn en waarom dat niet terug is te zien op de rekening, terwijl dat bedrag kennelijk wel gestort is. Feitelijk volstaat verdachte met de verklaring dat het geld ooit is gewonnen met gokken maar niet meer dan dat. Hierdoor is de verklaring van verdachte niet concreet en verifieerbaar. Over de omgezette cadeaubonnen heeft verdachte helemaal niets verklaard.
Verder bevindt zich in het dossier een reactie van de raadsman namens verdachte op de zogeheten ’30-dagenbrief’, waarin wordt gesteld dat het overgrote deel van de stortingen en opnames op de bankrekening van verdachte afkomstig zijn uit behaalde gokwinsten en dat verdachte parttime taxichauffeur was. Wederom is dit niet verder geconcretiseerd of onderbouwd. Ook deze verklaring namens verdachte is dus niet concreet en verifieerbaar.
Verdachte heeft in de tenlastegelegde periode dus in totaal € 51.890,-+ € 1.912,50 op zijn bankrekeningen gestort (gekregen), terwijl daar geen gebleken legale inkomsten tegenover staan en daar geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand onaannemelijk verklaring over gegeven is, inhoudende dat dit bedrag niet van misdrijf afkomstig is. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig ander voorafgaand misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit wist.
Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode geldbedragen van in totaal € 51.890,- en € 1.912,50 voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze – middellijk of onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de gestorte geldbedragen heeft verworven, overgedragen, omgezet of daarvan gebruik heeft gemaakt en spreekt verdachte daarvan vrij.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
één ofmeer tijdstippen in
of omstreeksde periode tussen 1 januari 2020 tot en met 18 maart 2024 te Harderwijk en/of (elders) in Nederland, meermalen,
althans eenmaal,
(van) een of meerderegeldbedragen, te weten een geldbedrag van
(in totaal
)€ 51.890,- (zijnde het verschil van de contante stortingen en de contante opnames) en
/ofeen geldbedrag van (in totaal) € 1.912,50 (zijnde de ontvangsten van de rechtspersoon [bedrijf]
),
althans een of meer voorwerpen
-
heeft verworven,voorhanden heeft gehad
, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, wist,
althans redelijkerwijs moest vermoedendat
dat/die voorwerp
(en
)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig
was/waren uit enig misdrijf.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
witwassen, meermalen gepleegd

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 maanden geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf van 200 uren en een geldboete van 10.000 euro gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een voorwaardelijke dan wel onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen, maar geen geldboete. Verder heeft de raadsman verzocht bijzondere voorwaarden op te leggen, waaronder een gokverbod.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich over een periode van ruim vier jaren schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen. Witwassen van crimineel geld vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het in omloop zijn van dergelijke grote witgewassen geldbedragen heeft een sterk corrumperende werking en faciliteert ander strafbaar handelen. Daar houdt de rechtbank in de strafmaat rekening mee.
Uit het rapport van de reclassering volgt dat vanwege de proceshouding van verdachte er geen directe relatie gelegd kan worden tussen verdachte, de verdenking en zijn persoonlijke omstandigheden. Wel ziet de reclassering risicofactoren op het gebied van dagbesteding, financiën, de familiaire relatie en verslavingsgevoeligheid. Verdachte heeft, naast één dag school per week, geen gedegen dagbesteding. Ook heeft hij geen inkomen.
Gelet op het voorgaande, het beperkte zicht op verdachte en het ontbreken van een hulpvraag vanuit verdachte, ziet de reclassering op dit moment geen duidelijke aanknopingspunten voor toezicht of interventies. Een reclasseringstoezicht wordt derhalve niet geïndiceerd geacht.
Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor fraude van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Bij een benadelingsbedrag van
10.000 tot 70.000 euro is het oriëntatiepunt twee tot vijf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf.
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Het gaat om een fors bedrag dat is witgewassen en een aantal jaren waarin op verschillende momenten sprake is geweest van witwasgedragingen. Daar past naar het oordeel van de rechtbank geen taakstraf bij. Verder geeft verdachte geen openheid van zaken, verschijnt hij niet op zitting en heeft hij evenmin een hulpvraag. Dat is uiteraard aan verdachte, maar dat betekent wel dat ook in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding wordt gezien om ondanks de ernst van het feit een taakstraf op te leggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 3 maanden en een voorwaardelijke geldboete van 10.000 euro, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Witwassen en het verlenen van medewerking aan witwassenconstructies gaan veelal over geld en het betaald krijgen voor het meewerken aan het faciliteren van strafbaar handelen. Dat betekent dat geld over het algemeen de drijfveer is. Om verdachte in de toekomst ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten zal daarnaast een voorwaardelijke straf worden opgelegd. Omdat als gezegd geld de drijfveer is, zal de rechtbank die voorwaardelijke straf opleggen in de vorm van een geldboete. . De rechtbank ziet, gelet op het reclasseringsadvies, geen aanleiding aan de voorwaardelijke geldboete bijzondere voorwaarden te verbinden.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 maanden;
 legt op een
geldboetevan
€ 10.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 dagen hechtenis;
 bepaalt dat deze
geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wiersma (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en mr. M.M. Klaasen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J. Schoen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juni 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2019394388, gesloten op 16 oktober 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 99 en 101.
3.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 106 en 107.