ECLI:NL:RBGEL:2026:473

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
25/4373
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:21 AwbArt. 8:83 AwbArt. 1:441 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens onbekwaamheid verzoeker en weigering bewindvoerder

Verzoeker heeft een aanvraag voor bijzondere bijstand ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Tiel is afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens vroeg verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

Uit het dossier blijkt dat verzoeker onder bewind staat bij een bewindvoerder. Volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moeten natuurlijke personen die onbekwaam zijn om in rechte te staan, vertegenwoordigd worden door hun vertegenwoordiger. Verzoeker heeft echter zonder medewerking van zijn bewindvoerder een verzoek ingediend en geen volmacht overgelegd.

De rechtbank heeft de bewindvoerder gevraagd of verzoeker in staat is zijn belangen te waarderen en of de bewindvoerder bereid is de procedure over te nemen. De bewindvoerder gaf aan dat verzoeker niet in staat is zijn belangen te vertegenwoordigen en dat hij niet bereid is de procedure over te nemen. Daarom is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker onbekwaam is en de bewindvoerder niet bereid is de procedure over te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4373

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Tiel.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 5 juni 2025 afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Met het besluit van 27 augustus 2025 heeft het college het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Met de brief van 13 september 2025, door de rechtbank ontvangen op 29 september 2025, heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
3. Uit de dossierstukken blijkt dat verzoeker onder bewind staat bij Liemersbewind uit Zevenaar.
4. Artikel 8:21, eerste lid, van de Awb bepaalt dat natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordiger naar burgerlijk recht. In artikel 8:21, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot een redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht. Artikel 1:441, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt.
5. Verzoeker heeft zonder zijn bewindvoerder een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Ook heeft hij geen volmacht van zijn bewindvoerder overgelegd.
6. De rechtbank heeft aan de bewindvoerder gevraagd of verzoeker in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen en als dit niet het geval is hij bereid is de procedure over te nemen. Hierop heeft deze bij mail van 15 januari 2026 geantwoord dat verzoeker niet in staat is zijn eigen belangen te vertegenwoordigen. Ook heeft de bewindvoerder erop gewezen dat de kantonrechter het verzoek voor ontslag als bewindvoerder en mentor op 21 oktober
(de voorzieningenrechter begrijpt dat bedoeld wordt: van het jaar 2025)heeft afgewezen. De voorzieningenrechter begrijpt de reactie van de bewindvoerder zo dat hij niet bereid is de procedure over te nemen.
7. Uit de reactie van de bewindvoerder volgt dat verzoeker onbekwaam is om zelfstandig te procederen en dat de bewindvoerder niet bereid is om de procedure over te nemen. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.