ECLI:NL:RBGEL:2026:4746

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
K/5001/12196315
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 RvArt. 7:269 lid 1 BWArt. 7:269 lid 2 BWArt. 6:104 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding en ontruiming huurwoning wegens huurachterstand en onrechtmatig onderverhuren

Eiser vordert in kort geding betaling van achterstallige huur, huur voor juni en juli 2026, incassokosten, ontruiming van het gehuurde en betaling van winst uit onrechtmatige onderverhuur. Gedaagde verschijnt niet, waardoor verstek wordt verleend.

De kantonrechter overweegt dat ontruiming een ingrijpende maatregel is en dat in kort geding slechts een voorlopig oordeel kan worden gegeven. Gezien de huurachterstand en het zonder toestemming onderverhuren acht de rechter ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming aannemelijk. De ontruiming wordt toegewezen met een termijn van veertien dagen na betekening.

De vordering tot betaling van winst uit onderverhuur wordt afgewezen omdat eiser onvoldoende spoedeisend belang en onderbouwing heeft gegeven. De kosten van ontruiming worden afgewezen wegens onbepaaldheid. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, huur voor juni en juli indien van toepassing, incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand, incassokosten en ontruiming binnen veertien dagen na betekening.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12196315 \ VV EXPL 26-57
Vonnis in kort geding van 28 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: H.J. van de Scheur,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 12 mei 2026 met producties 1 tot en met 9,
  • de mondelinge behandeling 21 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
  • het tijdens de mondelinge behandeling van 21 mei 2026 verleende verstek tegen de niet verschenen gedaagde.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden geworden.

2.De vordering

2.1.
[eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis:
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van de achterstallige huur van € 3.284,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van de huur voor de maanden juni en juli 2026, indien gedaagde tijdens deze maanden nog in het gehuurde verblijft,
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 447,03,
[gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde binnen drie dagen na betekening van het vonnis,
[gedaagde] veroordeelt tot voldoening van de kosten voor ontruiming conform de specificatie van deze kosten in het proces-verbaal van ontruiming, indien hij niet vrijwillig aan de veroordeling tot ontruiming voldoet en [eiser] de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder of met behulp van de sterke arm van politie en justitie moet bewerkstelligen,
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van de winst van € 2.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van uitspraak tot de dag van volledige betaling,
[gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
2.2.
[eiser] legt aan haar vorderingen, samengevat, ten grondslag dat sprake is van een huurachterstand van vier maanden en dat [gedaagde] daarnaast het gehuurde zonder toestemming van [eiser] en in strijd met de huurovereenkomst heeft onderverhuurd aan een derde.

3.De beoordeling

3.1.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen. [gedaagde] is niet ter zitting verschenen. Tegen [gedaagde] is daarom verstek verleend.
3.2.
Het spoedeisend belang van de vorderingen vloeit voort uit de stellingen van [eiser] , behoudens voor zover hierna anders wordt overwogen.
3.3.
De verstekverlening heeft tot gevolg dat binnen het bestek van dit kort geding dient te worden beoordeeld of de door [eiser] ingestelde vorderingen de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen (artikel 139 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bij deze beoordeling is van belang dat in dit kort geding slechts een voorlopig oordeel kan worden gegeven over de rechtsverhouding van partijen aan de hand van de toepasselijke materiële rechtsregels en na een afweging van de wederzijdse belangen. Het voorlopige oordeel in dit kort geding moet gebaseerd zijn op de ten tijde van de behandeling van het kort geding bekende feiten en omstandigheden. Voor nadere bewijslevering en onderzoek zoals in een bodemprocedure is in kort geding geen plaats. Bepalend is dus of feiten die relevant zijn voor de toewijsbaarheid van de vordering voldoende aannemelijk zijn geworden op grond van hetgeen, in dit geval door [eiser] , in deze kortgedingprocedure naar voren is gebracht.
3.4.
De vorderingen komen de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor zover hierna anders wordt overwogen. Het gevorderde zal als volgt worden toegewezen.
3.5.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. Gelet op de ontstane huurachterstand en het onderverhuren van het gehuurde zonder toestemming van [eiser] , is het aannemelijk dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden en ontruiming van het gehuurde zal volgen. Doordat [gedaagde] niet is verschenen in deze procedure zijn er geen feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht die de ontruiming van het gehuurde niet rechtvaardigen. De voorzieningenrechter zal de vordering tot ontruiming van het gehuurde toewijzen.
3.6.
[eiser] vordert ontruiming van het gehuurde binnen drie dagen na betekening van het vonnis. Nu het gaat om ontruiming van een woonruimte, zal de voorzieningenrechter de ontruiming toewijzen met de gebruikelijke termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis.
3.7.
[eiser] vordert verder ontruiming van [gedaagde]
“met al de zijnen en het zijne en al degenen die van zijnentwege voormeld appartement occuperen”. In artikel 7:269 lid 1 BW Pro is geregeld dat de onderhuur die betrekking heeft op een zelfstandige woonruimte wordt voortgezet tussen de verhuurder en onderhuurder, als de hoofdhuurovereenkomst eindigt. Dit brengt met zich mee dat de huidige onderhuurder in het gehuurde dus niet zomaar ontruimd kan worden. Voor toepassing van dit wetsartikel is niet relevant dat de onderhuur zonder toestemming van [eiser] tot stand is gekomen en strijdig is met de huurovereenkomst die [eiser] en [gedaagde] hebben gesloten. Ook is de onderhuurder niet door [eiser] in deze procedure betrokken, waardoor hij niet in staat is gesteld om zich tegen de vordering te verweren. De kantonrechter zal dus alleen de ontruiming ten aanzien van [gedaagde] en zijn spullen toewijzen. Voorshands oordelend kan de onderhuurder van [gedaagde] bescherming ontlenen aan de regeling van artikel 7:269 lid 1 BW Pro. Wel dient de onderhuurder van [gedaagde] rekening te houden met de vordering die [eiser] kan instellen op grond van artikel 7:269 lid 2 BW Pro. [eiser] kan binnen zes maanden nadat zij de onderhuurovereenkomst is gaan voortzetten, vorderen dat de rechter zal bepalen dat de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip zal eindigen op een van de vier wettelijke gronden.
3.8.
[eiser] vordert, indien [gedaagde] niet vrijwillig aan de veroordeling tot ontruiming voldoet, betaling van de kosten van ontruiming conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van de ontruiming. De voorzieningenrechter zal deze vordering afwijzen omdat de vordering te onbepaald is. Het staat namelijk nog niet vast of er kosten gemaakt worden voor een ontruiming door een deurwaarder en zo ja, hoe hoog deze kosten zullen zijn.
3.9.
[eiser] vordert op grond van 6:104 BW betaling van € 2.400,00 aan genoten winst uit verboden onderverhuur voor de maanden maart en april 2026. Om een vordering in kort geding toe te kunnen wijzen moet er voldoende spoedeisend belang zijn. In de dagvaarding laat [eiser] na om voor haar vordering tot winstafdracht van de onderhuur te onderbouwen wat haar spoedeisend belang hierbij is. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] dit onvoldoende gemotiveerd onderbouwd, ook niet nadat zij hier specifiek naar is gevraagd. Daarnaast geldt het volgende. Op grond van artikel 6:104 BW Pro heeft de rechter de discretionaire bevoegdheid om de gevorderde schadevergoeding te begroten op de door het onrechtmatig handelen of de wanprestatie genoten winst, of een deel daarvan. Echter moet dan wel aannemelijk zijn dat sprake is van winst en een indicatie van hoe hoog deze winst is. [gedaagde] huurt het gehuurde voor een bedrag van € 821,00, exclusief bijkomende leveringen en diensten. Hoewel voorshands kan worden aangenomen dat de onderhuurder een bedrag van € 1.200,00 heeft betaald, is onbekend welk gedeelte hiervan winst is. In het geval dat [gedaagde] het gehuurde bijvoorbeeld onderverhuurt inclusief bijkomende leveringen en diensten, is het de vraag hoeveel winst hij maakt. Niet alleen vordert [eiser] het totale bedrag wat de onderhuurder per maand heeft betaald, ook onderbouwt zij verder niet hoe hoog de winst van [gedaagde] is geweest. Nu [eiser] dit heeft nagelaten, bevat, voorshands oordelend, het dossier onvoldoende aanknopingspunten om de schadevergoeding te begroten. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter deze vordering afwijzen.
3.10.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.139,02

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle aan hem toebehorende zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiser] :
a. a) € 3.284,00 aan achterstallige huur tot en met 1 mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
b) € 821,00 per maand voor de maanden juni en juli 2026 indien [gedaagde] in deze maanden het gehuurde nog gebruikt,
c) € 447,03 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.139,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
68348 51588