Uitspraak
1.De procedure
- de dagvaarding van 12 mei 2026 met producties 1 tot en met 9,
- de mondelinge behandeling 21 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- het tijdens de mondelinge behandeling van 21 mei 2026 verleende verstek tegen de niet verschenen gedaagde.
2.De vordering
3.De beoordeling
“met al de zijnen en het zijne en al degenen die van zijnentwege voormeld appartement occuperen”. In artikel 7:269 lid 1 BW Pro is geregeld dat de onderhuur die betrekking heeft op een zelfstandige woonruimte wordt voortgezet tussen de verhuurder en onderhuurder, als de hoofdhuurovereenkomst eindigt. Dit brengt met zich mee dat de huidige onderhuurder in het gehuurde dus niet zomaar ontruimd kan worden. Voor toepassing van dit wetsartikel is niet relevant dat de onderhuur zonder toestemming van [eiser] tot stand is gekomen en strijdig is met de huurovereenkomst die [eiser] en [gedaagde] hebben gesloten. Ook is de onderhuurder niet door [eiser] in deze procedure betrokken, waardoor hij niet in staat is gesteld om zich tegen de vordering te verweren. De kantonrechter zal dus alleen de ontruiming ten aanzien van [gedaagde] en zijn spullen toewijzen. Voorshands oordelend kan de onderhuurder van [gedaagde] bescherming ontlenen aan de regeling van artikel 7:269 lid 1 BW Pro. Wel dient de onderhuurder van [gedaagde] rekening te houden met de vordering die [eiser] kan instellen op grond van artikel 7:269 lid 2 BW Pro. [eiser] kan binnen zes maanden nadat zij de onderhuurovereenkomst is gaan voortzetten, vorderen dat de rechter zal bepalen dat de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip zal eindigen op een van de vier wettelijke gronden.