ECLI:NL:RBGEL:2026:475

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/05/452051 / HA ZA 25-219
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:150 BWArt. 6:142 BWArt. 6:203 BWArt. 6:212 BWArt. 3:1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering informeel samenwoner op betaling overlijdensrisicoverzekering na overlijden woningbezitter

De zaak betreft een geschil over de overlijdensrisicoverzekering van een overleden woningbezitter, waarbij de informeel samenwoner vordert dat de erfgenamen het bedrag betalen dat de verzekeraar aan de hypotheekhouder heeft voldaan. De kern van het geschil is of de eiseres verzekeringnemer en eerste begunstigde was en of zij op grond van subrogatie, onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking een vordering op de erfgenamen kan baseren.

De rechtbank constateert dat er twee polisbladen bestaan met verschillende verzekeringnemers, maar dat dit niet doorslaggevend is omdat de vordering niet op een zelfstandig recht op uitkering is gebaseerd. De subrogatiegrond faalt omdat geen pandrecht is gevestigd tussen eiseres en de hypotheekhouder en eiseres de lening niet heeft voldaan. Ook onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking worden verworpen, omdat de uitkering rechtstreeks aan de hypotheekhouder is betaald en de nalatenschap daardoor is gebaat.

De erfgenamen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard, waardoor zij niet persoonlijk aansprakelijk zijn voor schulden. De rechtbank concludeert dat de vordering van eiseres niet toewijsbaar is en wijst deze af. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van de informeel samenwoner af en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/452051 / HA ZA 25-219
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.H.J. Emmen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. E.J.L. Mulderink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 augustus 2025,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 december 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van het geschil

2.1.
[eiser] woonde informeel samen met [de vader] , tot zijn overlijden. Hij was eigenaar van de woning. [de vader] en Munt als hypotheekverstrekker sloten een overeenkomst, waarbij een pandrecht werd gevestigd op de aanspraken uit de overlijdensrisicoverzekering op zijn leven. Na zijn overlijden heeft verzekeraar De Goudse ruim € 239.000 betaald aan Munt. Daardoor is de hypotheekschuld op de woning afgelost. Enig erfgenaam zijn [gedaagden] . Zij hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. De woning valt in de nalatenschap van [de vader] .
2.2.
[eiser] wil dat [gedaagden] aan haar het bedrag betalen, dat De Goudse aan Munt uitkeerde. Volgens [eiser] is zij verzekeringnemer, tevens eerste begunstigde op de polis, en is zij pandgever. [eiser] beroept zich op subrogatie, onverschuldigde betaling danwel ongerechtvaardigde verrijking.
2.3.
[gedaagden] zien dit anders en voeren gemotiveerd verweer. Zij betwisten onder meer dat [eiser] verzekeringnemer en eerste begunstigde is van de overlijdensrisicoverzekering. [gedaagden] wijzen daarbij op een polisblad van dezelfde verzekering en met dezelfde afgiftedatum als de polis waarop [eiser] zich beroept, met dien verstande dat op het door [gedaagden] overgelegde polisblad [de vader] als verzekeringnemer en eerste begunstigde is vermeld.
2.4.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de vordering van [eiser] niet kan slagen op de gronden die zij aanvoert. Daarom is er geen reden om (na bewijslevering) eerst vast te stellen welke polis de juiste en laatst geldende is.

3.De feiten

3.1.
[eiser] heeft een relatie gehad met [de vader] . Zij waren niet gehuwd en geen geregistreerd partners. Zij woonden tot het overlijden van [de vader] in [datum] samen in zijn woning aan de [adres] (de woning).
3.2.
[de vader] heeft uit een eerdere relatie twee dochters, [gedaagden] ( [gedaagden] ).
3.3.
Op 10 februari 2017 heeft [bedrijf] B.V./GeldXpert [plaats] aan [eiser] een offerte gestuurd voor de GewoonIdee Nabestaandenverzekering van Dazure. Die offerte vermeldt onder meer het volgende:
Contractgegevens
Verzekeringnemer
Naam: [eiser]
(…)
Burgerservicenummer: (…)
E-mailadres: [email-adres]
Ingangsdatum contract: 01-05-2017
(…)
Verzekeringsgegevens
Verzekeraar: Leidsche Verzekering Maatschappij N.V.
Soort verzekering: Tijdelijke overlijdensrisicoverzekering
(…)
1e verzekerde:[de vader]
(…)
Uitkering bij overlijden: € 287.850
Inleg per vervaldatum: € 56,37
(…)
Premietermijn: Maand
(…)
Begunstiging:
1: De verzekeringnemer
(…)
Automatische incasso:
De verschuldigde inleg wordt maandelijks achteraf (rond de 24e) middels een automatische incasso door Dazure afgeschreven van IBAN: [rekeningnummer] .
3.4.
Tussen [de vader] en MUNT Hypotheken B.V. (Munt) is schriftelijk een “Nadere overeenkomst in verband met inpandgeving en crediteurbegunstiging” tot stand gekomen, gedateerd 10 februari 2017 en door [de vader] op 16 februari 2017 ondertekend.
Die overeenkomst vermeldt [de vader] als de verzekeringnemer die bij Dazure onder polisnummer 617085 op zijn leven een levensverzekering heeft afgesloten, heeft aangevraagd of zal afsluiten tot een bedrag van € 287.850,00.
De overeenkomst houdt samengevat in dat [de vader] tot zekerheid van wat hij Munt vanwege de hypothecaire lening verschuldigd is, de aanspraken uit de overlijdensrisicoverzekering aan Munt verpandt. Deze overeenkomst houdt verder in dat Munt zichzelf als eerste begunstigde van deze verzekering aanwijst en dat Munt die begunstiging aanvaardt.
3.5.
Bij de stukken bevinden zich twee polisbladen met betrekking tot polisnummer [polisnummer] , elk gedateerd op 8 maart 2017. Het ene polisblad is overgelegd door [eiser] (productie 7 dagvaarding), het andere door [gedaagden] (productie 4 conclusie van antwoord). Bij de door [gedaagden] overgelegde polis bevindt zich een brief van Dazure van 8 maart 2017 aan [de vader] , waarin onder meer staat:
Betreft: polisblad GewoonIdee Nabestaandenverzekering [polisnummer]
Beste heer [de vader] ,
Hierbij ontvang je van ons de nieuwe versie van je polis, met bijbehorende voorwaarden en bijlagen.
De mutatiereden van je polis staat vermeld in je polisblad.
(…)
3.6.
Deze polisbladen van 8 maart 2017 bevatten overeenkomsten en verschillen.
3.7.
Beide polisbladen vermelden dat het gaat om een tijdelijke overlijdensrisicoverzekering, die bij overlijden recht geeft op een (dalende) uitkering bij overlijden van € 287.850 en die ingaat op 1 mei 2017. De 1e verzekerde is [de vader] . De premie bedraagt op beide polisbladen € 56,37 per maand. Als eerste begunstigde is vermeld: “de verzekeringnemer”.
Zowel het door [eiser] als het door [gedaagden] overgelegde polisblad bevat de volgende clausule:
Verpanding
Alle voor de contractant(en) uit deze verzekeringsovereenkomst voortvloeiende rechten en aanspraken zijn vanaf
01-05-2017verpand aan
MUNT Hypothekenhierna te noemen: de pandhouder. De pandhouder is, conform de onderliggende akte van verpanding/hypotheekakte, als eerste begunstigde aangewezen voor alle uit deze verzekeringsovereenkomst voortvloeiende uitkeringen. De uitbetaling van een uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst verschuldigde uitkering aan de pandhouder geschiedt tot het bedrag dat de pandhouder bij het opeisbaar worden van die uitkering op grond van de onderliggende akte te vorderen heeft. Voor het meerdere blijft de in de polis vermelde begunstiging van kracht.
3.8.
Er zijn ook verschillen tussen de polisbladen.
Het polisblad dat door [eiser] is overgelegd, vermeldt als verzekeringnemer “ [eiser] ”. Bij “mutatiereden” staat: “Nieuwe Opvoer”. De premie wordt volgens het polisblad afgeschreven van rekening [rekeningnummer] .
Het polisblad dat door [gedaagden] is overgelegd, vermeldt als verzekeringnemer “ [de vader] ”. Bij “mutatiereden” staat “Mutatie premiebetaler”. De premie wordt volgens het polisblad afgeschreven van rekening [rekeningnummer] .
3.9.
[eiser] heeft bankafschriften behorend bij rekening [rekeningnummer] overgelegd met daarop afschrijvingen van de premiebetaling aan Dazure onder vermelding van polisnummer [polisnummer] , waarbij op een aantal van die afschriften (alleen) haar naam als rekeninghouder staat.
3.10.
Bij akte van 1 mei 2017 is [de vader] de eigendom van de woning geleverd, welke akte op 2 mei 2017 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers. De koopprijs van de woning bedroeg € 285.000.
[de vader] heeft de woning gefinancierd door het aangaan van een lening voor € 287.850 bij Munt. [eiser] is die lening niet (mede) aangegaan. De hypotheekakte, eveneens verleden op 1 mei 2017, houdt onder meer het volgende in:
Verpanding levensverzekering
De schuldenaar [ [de vader] , toevoeging rechtbank] geeft hierbij (voor zover nodig bij voorraad), tot zekerheid voor de betaling van de Schuld, bij deze in pand aan MUNT Hypotheken, welke verpanding MUNT Hypotheken hierbij aanvaardt, alle rechten, vorderingen en bevoegdheden, waaronder uitdrukkelijk begrepen het recht op afkoop, belening, premievrijmaking, aanwijzing van de begunstigde of wijziging van de bestaande begunstiging en tot het verlenen van toestemming voor het aanvaarden van de begunstiging, welke de Schuldenaar heeft of zal verkrijgen uit hoofde van de hierna onder LEVENSVERZEKERING bedoelde overeenkomst van levensverzekering en overlijdensrisicoverzekering, met uitzondering van de rechten die voortvloeien uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
(…)
F. LEVENSVERZEKERING
Levensverzekering
Munt Hypotheken wijst Stichting Bewaarder MUNT Hypotheken aan als eerste begunstigde van de overeenkomst(en) van levensverzekering gesloten met Dazure blijkende uit polisnummer [polisnummer] . (…)
3.11.
[de vader] is op 2 augustus 2024 overleden.
3.12.
Mr. R.J. Scherfke, notaris te Borne, heeft op 21 oktober 2024 een verklaring van erfrecht opgesteld in verband met het overlijden van [de vader] . Uit die verklaring blijkt het volgende.
[de vader] heeft niet bij uiterste wil over zijn nalatenschap beschikt. Hij heeft [gedaagden] tot zijn enige erfgenamen achtergelaten, ieder van hen voor een/tweede deel in zijn nalatenschap. [gedaagden] hebben de nalatenschap aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving [beneficiaire aanvaarding/toevoeging rechtbank], wat blijkt uit een akte van de rechtbank Midden-Nederland van 1 oktober 2024 (nummer 2025/2024). [gedaagden] zijn geheel gerechtigd tot de nalatenschap van [de vader] . Zij hebben [de moeder] [moeder van [gedaagden] , toevoeging rechtbank] een volmacht verstrekt om - samengevat - de nalatenschap af te wikkelen.
3.13.
De Goudse Verzekeringen N.V. (rechtsopvolgster van Leidsche Verzekeringen Maatschappij N.V., verder De Goudse) heeft [eiser] op 4 april 2025 per brief het volgende bericht:
Betreft:Uw verzekering onder polisnummer [polisnummer]
Beste mevrouw [eiser] ,
Door het overlijden van de heer [de vader] is er op de Dazure polis met nummer [polisnummer] een kapitaal beschikbaar van in totaal € 247.313,00. Alle voor de uitbetaling benodigde stukken hebben wij ontvangen.
Van genoemd kapitaal hebben wij € 239.717,84 overgemaakt naar (…) Stichting Ontvangsten MUNT Hypotheken, onder vermelding van: [polisnummer] leningnr [leningnummer] uitkering overlijden.
Het restbedrag van € 7.595,16 hebben wij overgemaakt naar de door u opgegeven bankrekening onder vermelding van: [polisnummer] Eenmalige uitkering.
(…)
3.14.
[eiser] heeft op 1 mei 2025 ten laste van [gedaagden] conservatoir beslag gelegd op de woning. De woning is aan een derde verkocht en op 28 mei 2025 geleverd, nadat het beslag was doorgehaald en partijen met de notaris een depotovereenkomst hadden gesloten. De notaris houdt thans van de koopprijs een bedrag van € 265.000 onder zich in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 239.717,84, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 mei 2025 als de dag van dagvaarding. [eiser] maakt verder aanspraak op een proceskostenveroordeling, waaronder de beslagkosten.
4.2.
[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Tussen partijen is in geschil of [eiser] , vanwege de overlijdensrisicoverzekering onder polisnummer [polisnummer] , een vordering heeft op [gedaagden] , die de nalatenschap van [de vader] beneficiair hebben aanvaard.
De proceshoedanigheid van [gedaagden]
5.2.
[eiser] heeft [gedaagden] gedagvaard zonder daarbij een specifieke hoedanigheid te vermelden. In het “lichaam” van de dagvaarding vermeldt [eiser] de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van [de vader] door zijn dochters als enig erfgenaam, waarbij zij tevens de verklaring van erfrecht overlegt. [eiser] stelt verder dat de woning tot de nalatenschap behoort en voert aan dat zij schuldeiser van de nalatenschap is.
[gedaagden] erkennen dat zij enig erfgenaam van [de vader] zijn en dat zij zijn nalatenschap beneficiair hebben aanvaard.
5.3.
De rechtbank gaat er daarom en gelet op de overgelegde verklaring van erfrecht vanuit dat [eiser] [gedaagden] heeft gedagvaard in hun hoedanigheid van vereffenaars van de nalatenschap van [de vader] om haar vorderingsrecht bij vonnis te doen vaststellen (artikel 4:195 BW Pro jo 4:223 BW).
De verdere beoordeling
5.4.
In het oog springt dat zich bij de stukken twee verschillende polisbladen van dezelfde overlijdensrisicoverzekering bevinden, die beiden op 8 maart 2017 zijn gedateerd. [eiser] stelt dat zij verzekeringnemer en eerste begunstigde is en verwijst daartoe naar het door haar overgelegde polisblad, waarop abusievelijk haar voor- en achternaam zijn verwisseld. [gedaagden] betwisten dat en verwijzen naar het door hen overgelegde polisblad waarop juist [de vader] als verzekeringnemer en eerste begunstigde staat vermeld.
5.5.
[eiser] baseert haar vordering echter niet op een (zelfstandig) recht op uitkering op grond van de door haar gestelde verzekeringsovereenkomst, welk recht in dat geval opeisbaar is geworden bij het overlijden van [de vader] . In deze procedure spreekt [eiser] immers niet de verzekeringsmaatschappij aan tot betaling van het bedrag waarop de verzekeringsovereenkomst haar dan, zoals zij het ziet, recht geeft.
In deze procedure spreekt [eiser] wel [gedaagden] aan tot betaling aan haar van het bedrag van € 239.717,84, omdat De Goudse als verzekeringsmaatschappij dit bedrag aan Munt als hypothecaire schuldeiser heeft betaald. Daarmee is de hypotheekschuld met betrekking tot de woning die in de (beneficiair aanvaarde) nalatenschap valt, afgelost.
[eiser] voert voor haar vordering op [gedaagden] meerdere grondslagen aan, die [gedaagden] op hun beurt gemotiveerd betwisten.
5.6.
De vraag of [eiser] zich - kort gezegd - op de “juiste” polis beroept, is als zodanig niet als enige beslissend voor het slagen van haar vordering. Daarvoor is ook van belang of haar vordering overigens kan slagen op de gronden die zij daartoe aanvoert. De rechtbank zal die grondslagen hierna eerst beoordelen. In het geval de vordering op geen van die grondslagen toegewezen kan worden, bestaat er namelijk geen reden voor de vaststelling (na bewijslevering) welke polis van 8 maart 2017 de juiste en laatst geldende is.
Subrogatie
5.7.
[eiser] voert allereerst subrogatie op grond van artikel 6:150 sub a danwel Pro b BW aan als grondslag voor haar vordering op [gedaagden] . In het geval de verpanding rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, is er volgens [eiser] sprake van een “derde-pand”. Dit betekent volgens [eiser] dat zij van rechtswege is gesubrogeerd in de rechten van Munt, dat zij aldus ex lege, in plaats van Munt, tot het door De Goudse aan Munt betaalde bedrag schuldeiser van de nalatenschap is geworden en dat het recht van hypotheek op haar is overgegaan (artikel 6:142 BW Pro). Ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat een pandrecht is gevestigd omdat [eiser] naar haar zeggen door de verzekeraar is tegengeworpen dat zij niet heeft geprotesteerd tegen de verpandingsclausule op het polisblad waarop zij als verzekeringnemer, tevens eerste begunstigde, is vermeld, zodat de verzekeraar daarop mocht vertrouwen. Dit betekent dat het ten laste van haar bedongen pandrecht is uitgewonnen danwel dat er namens haar is betaald in verband met dat pandrecht, aldus [eiser] .
5.8.
[gedaagden] betwisten dat [eiser] is gesubrogeerd. Volgens hen volgt uit de pandovereenkomst tussen [de vader] en Munt, de notariële hypotheekakte en de aan de hypotheek gekoppelde overlijdensrisicoverzekering dat bij overlijden van [de vader] de uitkering onder die verzekering moest worden aangewend om op de hypotheekschuld in te lossen. De Goudse mocht dus tot uitkering aan Munt overgaan. Daarmee is de schuld voldaan en ontstaat er geen (nieuwe) vordering op de nalatenschap. Als De Goudse ten onrechte aan Munt heeft betaald, namelijk in het geval de verpanding niet rechtsgeldig zou zijn, dan heeft [eiser] geen vordering op [gedaagden] maar op De Goudse. [eiser] heeft uit haar eigen vermogen Munt niet betaald.
5.9.
Artikel 6:150 BW Pro bepaalt dat een vordering bij wijze van subrogatie over gaat op een derde, indien een hem toebehorend goed voor de vordering wordt uitgewonnen (sub a)
of indien hij de vordering voldoet omdat een hem toebehorend goed voor de vordering verbonden is (sub b). Het recht op uitkering onder de overlijdensrisicoverzekering is een vermogensrecht en daarmee een goed (artikel 3:1 jo Pro 3:6 BW). Artikel 6:142 BW Pro bepaalt dat bij overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser deze de daarbij behorende nevenrechten krijgt, zoals rechten van pand en hypotheek.
5.10.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [eiser] op subrogatie niet kan slagen. Voor dat oordeel is het volgende van belang.
5.10.1.
[eiser] heeft ter zitting verklaard dat tussen haar en Munt geen pandovereenkomst is gesloten. Een grondslag (titel) voor uitwinning op die grond ontbreekt dus.
5.10.2.
De rechtbank volgt [eiser] niet in haar betoog dat door het opnemen van een verpandingsclausule op de polis waarop zij als verzekeringnemer en eerste begunstigde staat, en welke clausule De Goudse haar heeft tegengeworpen, ten laste van haar een pandrecht is gevestigd.
Voor vestiging van een pandrecht is namelijk in elk geval een akte vereist (artikel 3:236 BW Pro jo 3:94 en 3:97 BW). Een akte is een ondertekend geschrift (artikel 156 lid 1 Rv Pro). De vermelding van een verpandingsclausule op een door de verzekeraar toegestuurd polisblad voldoet niet aan deze wettelijke eisen. Het is immers geen door [eiser] ondertekend geschrift.
Nu in de relatie tussen [eiser] en Munt geen pandrecht is gevestigd, is niet voldaan aan de eisen die artikel 6:150 BW Pro stelt aan subrogatie. Een titel voor uitwinning ontbreekt immers.
5.10.3.
Daar komt bij dat niet is voldaan aan de (aanvullende) voorwaarde van de subrogatiegrond onder b van artikel 6:150 BW Pro, namelijk dat [eiser] , als de daar bedoelde derde, de vordering (vrijwillig) voldoet om uitwinning te voorkomen. Vaststaat immers dat [eiser] de vordering van Munt uit hoofde van de hypothecaire lening niet heeft voldaan. De Goudse heeft dat ook niet “namens” [eiser] gedaan. Gesteld noch gebleken is namelijk dat [eiser] , als beweerdelijk oorspronkelijk begunstigde, aan de verzekeraar een last en volmacht heeft gegeven om de uitkering te voldoen aan Munt (zogeheten partnerconstructie).
5.10.4.
Het beroep van [eiser] op artikel 6:142 BW Pro kan dus evenmin slagen: nu [eiser] niet is gesubrogeerd, is de vordering niet overgegaan.
5.11.
Het vorenstaande betekent dat zelfs in het geval vast zou komen te staan dat [eiser] verzekeringnemer en begunstigde is van de overlijdensrisicoverzekering (ten tijde van het overlijden van [de vader] ) en daarmee recht op uitkering heeft, wat [gedaagden] betwisten, de vordering van [eiser] op [gedaagden] op de grondslag van subrogatie niet toewijsbaar is.
Onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking
5.12.
Verder baseert [eiser] haar vordering op [gedaagden] op onverschuldigde betaling danwel ongerechtvaardigde verrijking. In het geval de verpanding niet rechtsgeldig is, is met geld dat haar toekomt, afgelost op een lening waarvoor zij niet aansprakelijk is, aldus [eiser] . Ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat tussen haar en Munt geen overeenkomst van (hypothecaire) geldlening bestond en dat zij niet de bedoeling had om die schuld te voldoen. Door de aflossing van de hypothecaire geldlening zijn [gedaagden] zonder redelijke grond verrijkt ten koste van [eiser] . De premie voor de overlijdensrisicoverzekering is steeds betaald vanaf haar rekening, aldus [eiser] .
5.13.
[gedaagden] betwisten dat [eiser] onverschuldigd heeft betaald en dat zij op hun beurt ongerechtvaardigd zijn verrijkt.
5.14.
Op grond van artikel 6:203 BW Pro is degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen.
Vaststaat, dat De Goudse degene is geweest die tot uitkering onder de (verpande) verzekering is overgegaan en rechtstreeks aan Munt heeft betaald. [eiser] heeft dus geen betaling aan Munt verricht. Bovendien zijn niet [gedaagden] , maar is Munt de ontvanger van die betaling. Dit betekent dat reeds daarom niet is voldaan aan de voorwaarden die artikel 6:203 BW Pro stelt aan een geslaagd beroep op onverschuldigde betaling.
5.15.
Degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, is verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking (artikel 6:212 BW Pro).
5.15.1.
De Goudse heeft de uitkering onder de overlijdensrisicoverzekering betaald aan Munt, waarmee de hypothecaire geldschuld van [de vader] is afgelost. Dit betekent dat een onbezwaarde zaak werd nagelaten in plaats van een verhypothekeerde en dat de nalatenschap daarbij is gebaat ter hoogte van de uitkering.
Voor de vraag of dit ten koste van [eiser] is gegaan, is de verpandingsclausule van belang.
Ook op de polis van 8 maart 2017 waarop [eiser] als verzekeringnemer en begunstigde is vermeld, staat die verpandingsclausule. Daaruit blijkt dat de uitkering onder de overlijdensrisicoverzekering met ingang van 1 mei 2017 (ingangsdatum overlijdensrisicoverzekering, datum eigendomsoverdracht woning en vestiging recht van hypotheek) is verpand aan Munt, dat Munt eerste begunstigde is van die uitkering en dat Munt die begunstiging in februari 2017 heeft aanvaard. Dit betekent dat in geval van overlijden van [de vader] de uitkering onder de verzekering hoe dan ook eerst gebruikt zou worden om de hypotheekschuld bij Munt af te lossen en dus tot dat bedrag niet aan [eiser] toe zou komen. Van verarming van [eiser] is dan dus geen sprake.
De omstandigheid dat [eiser] de premie voor de verzekering heeft betaald, noopt niet tot een ander oordeel. Ter zitting heeft [eiser] namelijk verklaard dat [de vader] de kosten van het huis en alles dat daaraan vast zat voor zijn rekening nam. Zij deelden de boodschappen, hadden geen en/of rekening en verrekenden niet; het verdelen van de kosten ging volgens [eiser] met de natte vinger. [eiser] heeft aldus onvoldoende onderbouwd dat ook deze betalingen tot een verarming aan haar zijde hebben geleid, nog daargelaten dat zij ter zitting desgevraagd heeft laten weten dat de verarming niet in de premiebetalingen is gelegen.
5.15.2.
Daarbij komt nog het volgende.
[gedaagden] hebben als enig erfgenaam de nalatenschap beneficiair aanvaard. Daarom moet de nalatenschap worden vereffend volgens de wettelijke voorschriften, die in afdeling 3 van titel 6 van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staan. Als schulden van de nalatenschap worden voldaan, dan dient dit te gebeuren volgens de in artikel 4:7 BW Pro voorgeschreven rangorde. De beneficiaire aanvaarding heeft verder tot gevolg dat de nalatenschap een afgescheiden vermogen vormt totdat verdeling heeft plaatsgevonden en dat [gedaagden] , als enig erfgenaam tevens vereffenaars, in beginsel niet met hun persoonlijk vermogen instaan voor de schulden van de nalatenschap (artikel 4:184 BW Pro).
Gesteld noch gebleken is dat die verdeling heeft plaatsgevonden, terwijl de omvang van de nalatenschap onduidelijk is gebleven. Mogelijk is sprake van een belastingschuld van € 150.000 vanwege het eigen bedrijf van [de vader] , zoals [gedaagden] ter zitting hebben gesteld. Onduidelijk is of de schulden van de nalatenschap (van verschillende rangorde) volledig kunnen worden voldaan. Pas nadat de schuldeisers van de nalatenschap zijn voldaan, is duidelijk of er wat voor [gedaagden] overblijft.
Indien en voor zover de vordering van [eiser] op [gedaagden] al toewijsbaar zou zijn, is deze dus prematuur.
5.16.
Dit alles betekent dat zelfs in het geval vast zou komen te staan dat [eiser] verzekeringnemer en begunstigde is van de overlijdensrisicoverzekering (ten tijde van het overlijden van [de vader] ) en daarmee recht op uitkering heeft, wat [gedaagden] betwisten, de vordering van [eiser] op de grondslag van onverschuldigde betaling danwel ongerechtvaardigde verrijking evenmin kan slagen.
Conclusie
5.17.
De rechtbank zal de vordering van [eiser] op [gedaagden] afwijzen. Voor dat oordeel maakt het geen verschil welke polis van 8 maart 2017 de geldende polis ten tijde van het overlijden van [de vader] was. Aan de voorwaarden die de wet stelt voor subrogatie, onverschuldigde betaling danwel ongerechtvaardigde verrijking is namelijk niet voldaan, zodat de vordering van [eiser] op die gronden niet kan slagen. Daarom is er ook geen reden voor een bewijsopdracht.
Proceskosten
5.18.
Omdat deze zaak speelt tussen de ex-partner van wijlen [de vader] en [gedaagden] uit zijn eerdere relatie en de afwikkeling van zijn nalatenschap raakt, zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.
954