Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4761

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
C/05/462885
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering inzage accountantverklaring omzet Hayvenhurst

Eiser vordert in een incident dat gedaagden worden veroordeeld tot het verstrekken van een afschrift van een schriftelijke verklaring van een externe accountant over de wereldwijde omzet van het merk Hayvenhurst, inclusief specificaties per product en maand. Deze gegevens zijn nodig om de hoogte van een bonus te kunnen vaststellen die eiser op grond van zijn overeenkomsten met gedaagden meent te kunnen claimen.

Gedaagden verzetten zich tegen deze vordering en betwisten het recht van eiser op inzage. De rechtbank overweegt dat het inzagerecht op grond van artikel 194 en Pro 195 Rv ziet op reeds bestaande gegevens en niet op het laten opstellen van nieuwe documenten. Omdat eiser feitelijk verlangt dat een nieuwe verklaring wordt opgesteld, wijst de rechtbank de vordering af.

Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident, die aan de zijde van gedaagde partijen zijn begroot op €842 per partij, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten van betekening indien niet tijdig betaald. De hoofdzaak wordt aangehouden en zal worden voortgezet na opgave van de verhinderdagen van partijen voor de mondelinge behandeling.

Uitkomst: De vordering tot afschrift van een nog op te stellen accountantverklaring wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/462885 / HA ZA 26-69
Vonnis in incident van 10 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
handelend onder de naam
[handelsnaam],
te [woonplaats ] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
advocaat: mr. J. van de Graaf,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

te [plaats] ,
niet verschenen,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats ] ,
advocaat: mr. M.H. Meij,
3.
[gedaagde 3] B.V.,
te [plaats] ,
advocaat: mr. E.J. Loor,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident.
Eisende partij zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagde partijen zullen afzonderlijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij [gedaagden] c.s. worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot inzage,
- de conclusie van antwoord, tevens houdende het antwoord in incident van [gedaagde 2] ,
- het antwoord in incident tevens houdende conclusie van antwoord van [gedaagde 3] .
Tegen [gedaagde 1] is verstek verleend.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil

in de hoofdzaak
2.1.
[eiser] stelt dat hij in opdracht van [gedaagde 1] en vervolgens in opdracht van [gedaagde 2] dan wel [gedaagde 3] werkzaamheden heeft verricht als zzp’er, bestaande uit het opzetten van een marketingstrategie voor de verkoop van duurzame meubels van het merk Hayvenhurst. Op grond van de overeenkomsten met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dan wel [gedaagde 3] zou [eiser] voor de werkzaamheden een basisvergoeding van € 500,00 exclusief btw per week ontvangen plus een bonus van 3,5% van de wereldwijde omzet van het merk Hayvenhurst (hierna: de bonus). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dan wel [gedaagde 3] hebben de overeengekomen basisvergoeding en de bonus ten onrechte niet (volledig) betaald, aldus steeds [eiser] . In de hoofdzaak vordert [eiser] betaling van de (openstaande) basisvergoeding, vermeerderd met rente en kosten. Daarnaast vordert hij dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij op grond van de overeenkomsten recht heeft op de bonus en dat de rechtbank [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt ieder gebruik van alle door hem in het kader van de overeenkomsten vervaardigde content te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom.
2.2.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben (afzonderlijk) een conclusie van antwoord genomen en daarin verweer gevoerd. [gedaagde 1] is niet in de procedure verschenen.
in het incident
2.3.
In het incident vordert [eiser] dat de rechtbank [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt om aan hem een afschrift te verstrekken van een schriftelijke verklaring van een externe accountant inzake de volledige wereldwijde omzet die tot en met de datum van dit vonnis is gerealiseerd met de verkoop van producten onder het merk Hayvenhurst, inclusief bijgevoegde specificatie van de omzet per product en per maand, op straffe van een dwangsom. Volgens [eiser] heeft hij recht en belang bij verkrijging van deze gegevens, omdat hij de gegevens nodig heeft om de hoogte van de bonus vast te kunnen stellen en vervolgens (in de hoofdzaak) aanspraak te kunnen maken op de bonus.
2.4.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren (afzonderlijk) verweer. Zij betwisten dat [eiser] recht heeft op inzage in de gevraagde gegevens en vragen de rechtbank de vordering van [eiser] af te wijzen.

3.De beoordeling

in het incident

3.1.
[eiser] baseert zijn incidentele vordering op artikel 195 Rv Pro. In dat artikel is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. Op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel als zij daarbij voldoende belang heeft. Artikel 194 Rv Pro ziet op reeds bestaande gegevens. Er kan dus niet worden verzocht dat nieuwe documenten of nieuwe overzichten worden opgemaakt.
3.2.
[eiser] verlangt met de door hem gevraagde gegevens geen inzage in een bestaand concreet document. Hij wenst feitelijk, zo begrijpt de rechtbank, dat [gedaagde 1] c.s. (alsnog) een schriftelijke verklaring laat opstellen door een externe accountant waarin een exacte omschrijving wordt gegeven van de wereldwijde omzet van het merk Hayvenhurst per maand en per product. Hiervoor is het inzagerecht niet bedoeld. De vordering van [eiser] jegens zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en de daaraan gekoppelde dwangsom zullen daarom worden afgewezen.
3.3.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde 2] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde 3] worden eveneens begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing. [gedaagde 1] heeft geen proceskosten gemaakt, omdat zij niet is verschenen.
3.4.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 3] wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in de hoofdzaak
3.5.
De rechtbank zal een mondelinge behandeling bepalen. Alvorens daartoe over te gaan, wenst de rechtbank te beschikken over de verhinderdata van partijen in de periode oktober tot en met december 2026. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor opgave van deze verhinderdata.
3.6.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.De beslissing

in het incident
4.1.
wijst de vordering af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 842,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde 3] tot op heden begroot op € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van [gedaagde 3] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in de hoofdzaak
4.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
[datum] 2026voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
oktober tot en met december 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
4.6.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
4.7.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
4.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op
10 juni 2026.
954 / 1787