Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4767

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
05.011898.25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige voor diefstal met geweld, afpersing, wapenbezit en professioneel vuurwerk

Op 11 januari 2025 pleegde de jeugdige verdachte samen met een mededader een beroving te Arnhem waarbij onder bedreiging met een airsoftwapen en mes goederen van het slachtoffer werden weggenomen. Verdachte had daarnaast verboden airsoftwapens en professioneel vuurwerk in bezit.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan diefstal met geweld, afpersing, verboden wapenbezit en bezit van professioneel vuurwerk, maar sprak hem vrij van het bezit van een specifiek airsoftwapen waarvan niet kon worden vastgesteld dat hij daarvan wist.

De rechtbank legde een werkstraf van 100 uur op, waarvan 40 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar en een contactverbod met het slachtoffer. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan het slachtoffer, waarbij de schadevergoeding niet hoofdelijk werd opgelegd om contact tussen verdachte en medeverdachte na afloop te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 100 uur werkstraf (40 uur voorwaardelijk) en betaling van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/011898-25
Datum uitspraak : 16 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats] ,
wonend aan [adres] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. H.O. den Otter, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte (hierna ook: [verdachte] ) is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te Arnhem, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
op de openbare weg, te weten de Lange akkers,
een scooter en/of een tas met inhoud (een aantal vapes en/of demperwol en/of een multitool en/of een identiteitsbewijs op naam van [aangever] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] voornoemd, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door die [aangever] voornoemd naar de plaats van het delict te lokken door een bestelling te doen via snapchat van een of meer vapes en/of (vervolgens) die [aangever] dreigend een mes en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen;
2.
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te Arnhem, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
op de openbare weg, de Lange akkers,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van diens GSM, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] voornoemd en/of een derde toebehoorde(n),
door die [aangever] voornoemd naar de plaats van het delict te lokken door een bestelling te doen van een of meer vapes via snapchat en/of (vervolgens) die [aangever] dreigend een mes en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen waarbij verdachte en/of diens mededader dreigend zei(den) dat die [aangever] zijn telefoon moest
afgeven;
3.
hij op of omstreeks 11januari 2025 te [woonplaats], althans in Nederland,
in de berging van de woning gelegen aan de [adres] ,
een drietal airsoftvuurwapen(s) die de uiterlijke kenmerken heeft/hebben van een echt vuurwapen en derhalve een ernstige bedreiging van personen kon(den) vormen en dat zodanig op een wapen geleek/geleken dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt
was/waren, en derhalve vallen onder categorie I onder 7 van de Wet Wapens en Munitie,
voorhanden heeft gehad;
4.
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te [woonplaats], in elk geval in Nederland,
al dan niet opzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik,
als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, een hoeveelheid professioneel vuurwerk, te weten een aantal nitraten voorhanden heeft gehad.
2. Overwegingen over het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2, 3 en 4 de ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het beige Glock 19X airsoftwapen (feit 3), omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist of had moeten weten dat dit wapen daar lag.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.
De beoordeling door de rechtbank
FEIT 1
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 12 t/m 14;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 26 mei 2026.
FEIT 2
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 12 t/m 14;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 26 mei 2026.
FEIT 3
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 39 t/m 50;
  • het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 51 t/m 70;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 26 mei 2026.
De rechtbank overweegt dat [verdachte] zowel bij de politie als tijdens de zitting heeft verklaard dat hij niets wist van het beige Glock 19X airsoftwapen dat bij hem thuis is aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin de doorzoeking van de woning van [verdachte] is vastgelegd, blijkt dat de politie het vuurwapen pas aantrof toen de stellage in de berging uitgebreid werd doorzocht. Het wapen lag onder in de stellage in een bak. Het lag onder andere spullen en niet in het zicht.
Gelet op de verklaring van [verdachte] en de omstandigheden waaronder het wapen is aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat niet is bewezen dat [verdachte] kennis had van de aanwezigheid van het beige wapen. De rechtbank spreekt [verdachte] daarom vrij van het voorhanden hebben van het beige Glock 19X airsoftwapen.
FEIT 4
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van bevindingen, p. 176 en 185 t/m 189;
  • het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [verdachte] , p. 143;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 26 mei 2026.

3.De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten/het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:
1.
hij op
of omstreeks11 januari 2025 te Arnhem,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,
op de openbare weg, te weten de Lange akkers,
een scooter en
/ofeen tas met inhoud (een aantal vapes en
/ofdemperwol en
/ofeen multitool en
/ofeen identiteitsbewijs op naam van [aangever] ),
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan die [aangever] voornoemd,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan,vergezeld
en/of gevolgdvan
geweld en/ofbedreiging met geweld tegen die [aangever] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om die diefstal
voor te bereiden ofgemakkelijk te maken,
of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door die [aangever] voornoemd naar de plaats van het delict te lokken door een bestelling te doen via snapchat van een of meer vapes en
/of (vervolgens
)die [aangever] dreigend een mes en
/of een vuurwapen, althanseen op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen;
2.
hij op
of omstreeks11 januari 2025 te Arnhem,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,
op de openbare weg, de Lange akkers,
met het oogmerk om zich en
/ofeen ander wederrechtelijk te bevoordelen door
geweld en/ofbedreiging met geweld, [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van diens GSM,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan die [aangever] voornoemd
en/of een derdetoebehoorde
(n),
door die [aangever] voornoemd naar de plaats van het delict te lokken door een bestelling te doen van
een of meervapes via snapchat en
/of(vervolgens) die [aangever] dreigend een mes en
/of een vuurwapen, althanseen op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen waarbij verdachte en
/ofdiens mededader dreigend zei
(den
)dat die [aangever] zijn telefoon moest
afgeven;
3.
hij op
of omstreeks11 januari 2025 te [woonplaats],
althans in Nederland,
in de berging van de woning gelegen aan de [adres] ,
een
drietaltweetal airsoftvuurwapen
(s
)die de uiterlijke kenmerken
heeft/hebben van een echt vuurwapen en derhalve een ernstige bedreiging van personen kon
(den
)vormen en
datdie zodanig op een wapen
geleek/leken dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt
was/waren, en derhalve vallen onder categorie I onder 7 van de Wet Wapens en Munitie,
voorhanden heeft gehad;
4.
hij op
of omstreeks11 januari 2025 te [woonplaats],
in elk geval in Nederland,
al dan nietopzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik,
als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis,
een hoeveelheid professioneel vuurwerk, te weten een aantal nitraten, voorhanden heeft gehad.
De rechtbank heeft taal- of schrijffouten in de tenlastelegging verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn belang geschaad.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2:
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 3:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 4:
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

7.De motivering van de straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk. De officier van justitie eist daarbij een proeftijd van 2 jaar, onder de algemene voorwaarde en met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer. De tijd die [verdachte] in verzekering heeft doorgebracht, moet van de werkstraf worden afgetrokken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman vindt het bij het bepalen van de straf van belang dat [verdachte] sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis goed heeft samengewerkt met de jeugdreclassering. Omdat [verdachte] in het kader van de schorsing al 1,5 jaar is begeleid door de jeugdreclassering, heeft de raadsman verzocht om een eventueel op te leggen proeftijd te beperken tot 1 jaar. Voor het overige kan de raadsman zich vinden in de strafeis van de officier van justitie.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel justitiële documentatie van 13 mei 2026 (het strafblad),
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 11 mei 2026.
In het bijzonder weegt de rechtbank het volgende mee.
Strafblad
De rechtbank constateert dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een beroving. De medeverdachte (hierna: [medeverdachte] ) heeft zich bij het slachtoffer (hierna: [aangever] ) voorgedaan als koper van een partij vapes en met hem een afspraak gemaakt voor een ontmoeting. Toen [aangever] met zijn scooter aankwam op de afgesproken plek werd hij beroofd van zijn spullen, waarbij door [verdachte] is gedreigd met een airsoftwapen en door [medeverdachte] met een mes. Vervolgens zijn [verdachte] en [medeverdachte] op de scooter van [aangever] vertrokken met de spullen van [aangever] , waaronder ook zijn telefoon. De scooter is een eind verderop beschadigd achtergelaten en de telefoon is weggegooid. De andere spullen hebben [verdachte] en [medeverdachte] meegenomen en onderling verdeeld.
Bij [verdachte] thuis zijn door de politie onder meer twee airsoftwapens en nitraten gevonden. [verdachte] heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit en het bezit van professioneel vuurwerk, wat ook verboden is.
Uit de vordering tot schadevergoeding en de slachtofferverklaring van [aangever] blijkt dat de beroving grote impact op hem en zijn familie heeft gehad. [aangever] heeft bij het zien van de wapens gevreesd voor zijn leven. Sinds de beroving ervaart hij constant een gevoel van onveiligheid. Daar komt bij dat [aangever] in het tweede jaar van zijn opleiding heeft besloten om hiermee te stoppen, omdat [verdachte] dezelfde opleiding ging volgen en hij op school steeds met [verdachte] werd geconfronteerd. De rechtbank vindt dit een ernstig feit en erg verdrietig voor [aangever] dat dit hem is overkomen.
In het voordeel van [verdachte] weegt de rechtbank mee dat hij openheid heeft gegeven over zijn aandeel in de beroving en dat hij spijt heeft betuigd. [verdachte] ziet in welke impact zijn handelen heeft gehad op [aangever] en zijn familie en staat open voor herstelbemiddeling. In de lange periode van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis (1,5 jaar) heeft [verdachte] goed samengewerkt met de jeugdreclassering en zich gehouden aan strenge voorwaarden.
Het advies van de Raad en de jeugdreclassering
De jeugdreclassering en de Raad zijn positief over de ontwikkeling die [verdachte] heeft doorgemaakt. De Raad schat het recidiverisico laag in en adviseert de rechtbank om [verdachte] een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen. De Raad vindt een voortzetting het jeugdreclasseringscontact niet noodzakelijk, gelet op de lage kans op herhaling. De jeugdreclassering geeft aan nog wat zorgen te hebben om de impulsiviteit van [verdachte] . Het advies van de jeugdreclassering is daarom om het toezicht voor een periode van een jaar voort te zetten, zodat [verdachte] verder kan groeien. Daarbij is opgemerkt dat [verdachte] in principe naar behoren functioneert.
Conclusie
Alles afwegende legt de rechtbank een werkstraf van 100 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk op aan [verdachte] , met een proeftijd van één jaar. Gelet op de lange periode van schorsing van de voorlopige hechtenis en de in die periode geldende (strenge) voorwaarden, waaraan [verdachte] zich keurig heeft gehouden, volstaat de rechtbank met een kortere proeftijd dan door de officier van justitie geëist. Aan de proeftijd verbindt de rechtbank de voorwaarde dat [verdachte] niet opnieuw een strafbaar feit pleegt en een contactverbod met [aangever] .
De rechtbank ziet geen meerwaarde in het stellen van meer bijzondere voorwaarden, omdat het recidiverisico als laag wordt ingeschat en [verdachte] in de afgelopen periode heeft laten zien dat het weer goed met hem gaat. De tijd die [verdachte] in verzekering heeft doorgebracht, moet van de werkstraf worden afgetrokken.
De rechtbank heft het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. [aangever] vordert € 2.455,88 aan materiële schade en € 3.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheid verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om de toe te kennen schadevergoeding niet hoofdelijk op te leggen, maar de helft van de schade voor rekening van [verdachte] te brengen. De andere helft moet dan betaald worden door de medeverdachte.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat kritisch moet worden gekeken naar de schade aan de scooter en de kosten van de beveiligingscamera’s. De raadsman vraagt zich af of alle schade aan de scooter valt toe te rekenen aan [verdachte] en [medeverdachte] . Over de aanschaf van de beveiligingscamera’s heeft de raadsman gezegd dat [verdachte] al was aangehouden toen de camera’s werden gekocht. Hij vindt het daarom lastig om deze kosten voor rekening van [verdachte] te brengen. De raadsman heeft de rechtbank gevraagd om bij toewijzing van de vordering niet de hoofdelijkheid uit te spreken.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek op de terechtzitting is voldoende gebleken dat [aangever] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van [verdachte] (feit 1 en 2) rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat de schadeposten die zien op de multitool, de Samsung A34, de aanvraag van een nieuwe ID-kaart, de kosten van nieuwe pasfoto’s en de reiskosten naar het politiebureau niet zijn betwist. Deze schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. De rechtbank vindt dat deze posten toewijsbaar zijn.
Over de schade aan de scooter overweegt de rechtbank dat deze door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de gestelde en onderbouwde schade. Ook het schadebedrag dat ziet op de scooter is daarom toewijsbaar.
Voor de hiervoor genoemde schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade tot een hoogte van € 2.287,89 toewijsbaar is.
In het gedeelte met betrekking tot de kosten van de aanschaf van beveiligingscamera’s verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering, omdat deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade van het strafbare feit. Hoewel invoelbaar is dat het strafbare feit gevoelens van onveiligheid heeft veroorzaakt, waren er naar het oordeel van de rechtbank geen concrete bedreigingen of aanwijzingen dat [aangever] en/of zijn familie in of rondom hun woning moesten vrezen voor hun veiligheid.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat tijdens de zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat [aangever] op grond van de aard en de ernst van de normschending, te weten door de beroving onder bedreiging van een mes en een niet van echt te onderscheiden airsoftwapen, op andere wijze in de persoon is aangetast. Hij is als minderjarige geconfronteerd met twee gewapende daders die hem naast zijn spullen, ook zijn scooter hebben afgenomen. De rechtbank vindt het zeer voorstelbaar dat dit feit een diepe impact heeft gehad op [aangever] , zoals ook door zijn moeder namens hem tijdens de zitting naar voren is gebracht. Dit is aan [verdachte] toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank stelt daarom het bedrag aan smartengeld vast op € 2.500,-. De rechtbank zal [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Wettelijke rente
[verdachte] is wettelijke rente verschuldigd vanaf 11 januari 2025.
De schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van [verdachte] ten tijde van de ten laste gelegde feiten zal geen gijzeling worden opgelegd.
Geen hoofdelijkheid
Bij het gezamenlijk veroorzaken van schade is het uitgangspunt dat de veroorzakers van de schade allemaal kunnen worden aangesproken om het hele bedrag te betalen (hoofdelijkheid). In dit geval vindt de rechtbank het beter als [verdachte] en [medeverdachte] na de afronding van deze strafzaak niet meer met elkaar in contact hoeven te zijn over de verdeling van het te betalen schadebedrag. Gelet op het feit dat de rechtbank gelijktijdig vonnis wijst ten aanzien van [medeverdachte] , zal de rechtbank bepalen dat [verdachte] en [medeverdachte] ieder de helft van de toewijsbare schade moeten betalen aan [aangever] . Dat is per persoon in totaal € 1.143,95 aan materiële schade en € 1.250,- aan smartengeld.

9.De beoordeling van het beslag

Er ligt beslag op de volgende goederen:
  • nitraten, 15 stuks
  • vapes, 59 stuks
De nitraten zijn voorwerpen die door middel van feit 1 zijn verkregen. Het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen is in strijd met het algemeen belang en de wet. Daarom moeten deze voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.
De vapes zijn door middel van het strafbare feit 1 verkregen. De rechtbank zal de vapes daarom verbeurd verklaren.

10. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
  • 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 55, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 13 en 55 van de Wet wapens en munitie;
  • 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
  • 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer en
  • 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat [verdachte] het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart [verdachte] hiervoor strafbaar;
 veroordeelt [verdachte] wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf, te weten
een werkstraf van 100 (honderd) uur, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;
 bepaalt dat van die werkstraf
40 (veertig) uur niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
 stelt daarbij een proeftijd vast van 1 (één) jaar onder de
algemene voorwaardedat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en
 stelt als bijzondere voorwaarde dat [verdachte] gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [aangever] , geboren op [geboortedatum 2] 2007, onder handhaving van de politie;
 beveelt dat de tijd die [verdachte] in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de werkstraf in mindering wordt gebracht, volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht, twee uren in mindering worden gebracht;
 heft het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis op;
 beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- nitraten, 15 stuks;
 verklaart de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurd, te weten:
- vapes, 59 stuks;
 veroordeelt [verdachte] ten aanzien van de feiten 1 en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de
benadeelde partij [aangever]van een bedrag van € 1.143,95 (duizendhonderddrieënveertig euro en vijfennegentig cent) aan materiële schade en € 1.250,- (duizendtweehonderdvijftig euro) aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt [verdachte] in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
  • legt aan [verdachte] de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 1.143,95 (duizendhonderddrieënveertig euro en vijfennegentig cent) aan materiële schade en € 1.250,- (duizendtweehonderdvijftig euro) aan smartengeld. De materiële schade (€ 1.143,95) en het smartengeld (€ 1.250,-) worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 (nul) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Stoet (voorzitter en kinderrechter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. E.M. van Poecke, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op
16 juni 2026.
mr. M.W. Stoet is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, VAT Arnhem, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025017273, gesloten op 14 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.