Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4769

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
ARN 26/1902
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 17 februari 2026, waarin werd bepaald dat gegevens over verzoeker openbaar moeten worden gemaakt. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was. Dit volgt uit artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De reden voor niet-ontvankelijkheid is dat het griffierecht van € 200 niet is betaald, terwijl dit verplicht is volgens artikel 8:82 in Pro samenhang met artikel 8:41 Awb Pro.

De griffier had verzoeker bij brief van 15 april 2026 gewezen op de betaling van het griffierecht binnen twee weken na de nota, met de waarschuwing dat niet-betaling tot niet-ontvankelijkheid zou leiden. Verzoeker heeft niet betaald en de aangetekende brief is niet afgehaald, wat voor zijn risico komt. Verzoeker heeft geen verontschuldigbare reden gegeven voor het niet betalen. Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk en beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1902

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker] uit [plaats 1], verzoeker,

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2].

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van de minister van 17 februari 2026. Met dit besluit heeft de minister naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet openbare overheid bepaald dat gegevens over verzoeker openbaar moeten worden gemaakt. Verzoeker heeft hier bezwaar tegen gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang gelezen met artikel 8:41 van Pro de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 200. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.

Heeft de griffier verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen?

4. De griffier heeft verzoeker bij brief van 15 april 2026 gewezen op het verschuldigd zijn van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen twee weken na de datum van de nota moet zijn betaald. Daarbij heeft de griffier vermeld dat als verzoeker het griffierecht niet (binnen de betalingstermijn) heeft betaald hij het risico loopt dat zijn verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. Verzoeker heeft hieraan binnen de gestelde betalingstermijn geen gehoor gegeven. De in de aangetekende brief vermelde betalingstermijn eindigde daarmee op 29 april 2026.
5. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief niet is afgehaald. Het niet op het postkantoor afhalen van een aan hem geadresseerd aangetekend verzonden poststuk is een omstandigheid die voor rekening en risico van verzoeker komt.
Heeft verzoeker het griffierecht betaald?
6. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat verzoeker het griffierecht niet heeft voldaan.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
7. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor het niet betalen van het griffierecht. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het niet betalen van het griffierecht niet verontschuldigbaar vindt.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. Sahli, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.