Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4772

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
ARN 25/3303
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 22.26 omgevingsplan gemeente West BetuweArt. 2.26 Besluit bouwwerken leefomgevingArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning voor uitbreiding loods met afwijking parkeernorm

De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe voor de sloop en herbouw van een grotere opslagloods op een perceel. Eiser, eigenaar van een aangrenzend perceel, betwist de vergunning vanwege onder meer de hoogte van de loods, de afwijking van de parkeernorm, onvoldoende manoeuvreerruimte en strijd met het welstandsbeleid.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht de reguliere voorbereidingsprocedure heeft gevolgd en dat de afwijking van de parkeernorm op basis van maatwerk goed is gemotiveerd door specifieke kenmerken van de locatie en het gebruik. Ook is voldoende manoeuvreerruimte op eigen terrein aanwezig, waardoor de bedrijfsvoering van eiser niet wordt belemmerd.

Ten aanzien van het welstandsadvies concludeert de rechtbank dat het tegenadvies onvoldoende concreet is en dat het bouwplan voldoet aan de regels van het bestemmingsplan. Het college heeft het tegenadvies bovendien aan de welstandscommissie voorgelegd, wat geen andere uitkomst gaf.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, de omgevingsvergunning blijft in stand en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de omgevingsvergunning inclusief de afwijking van de parkeernorm.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3303

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats 1], eiser

(gemachtigde: mr. T. Tuenter),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe

(gemachtigde: mr. E. Çelik).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2]

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het bouwen van een loods. Eiser is het niet eens met de omgevingsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 8 november 2024 heeft het college aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de herbouw en uitbreiding van een loods aan de [locatie] [nummer 1] in [plaats 3]. Met de beslissing op bezwaar van 17 juni 2025 is het college, onder aanvulling van de motivering, bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, de derde-partij en de gemachtigde van de derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. De derde-partij is eigenaar van de [locatie] [nummer 1] in [plaats 3]. Op dit perceel staat een opslagloods voor bouwmaterialen. Deze loods is ongeveer 898 m2 en op het hoogste punt 5 meter. De derde-partij wil deze loods slopen en een grotere loods terugbouwen. De nieuwe loods wordt ongeveer 1.408 m2 en 15 meter hoog. Op 26 juli 2024 heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd. De aanvraag ziet op de ‘omgevingsplanactiviteit bouwen’ [1] en de ‘technische bouwactiviteit’ [2] .
3.1.
Op het perceel is het omgevingsplan gemeente West Betuwe van toepassing. Het omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die voor 1 januari 2024 golden. [3] Voor 1 januari 2024 was op het perceel het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen” (het bestemmingsplan) van toepassing. Het perceel had de bestemming “Bedrijventerrein” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2”. Ook was het “Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019” (het parapluplan) van toepassing.
3.2.
Op grond van artikel 4.2.2 van het bestemmingsplan zijn gebouwen uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Op grond van artikel 4.2.3 van het bestemmingsplan mag de bouwhoogte maximaal 15 meter bedragen en het perceel mag voor maximaal 60% bebouwd worden.
3.3.
Het college heeft op 8 november 2024 de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit verleend omdat volgens het college wordt voldaan aan de regels van het bestemmingsplan. [4] De bouwhoogte van de loods bedraagt 15 meter en het bebouwd oppervlak blijft onder 60% van het bouwperceel. Het college heeft de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit ook verleend omdat volgens het college wordt voldaan aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
3.4.
Met de beslissing op bezwaar van 17 juni 2025 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten. Het college heeft daarbij een aanvullende motivering over archeologie gegeven. Het rapport KPS Archeologie van 2 juni 2025 en het advies van de Regioarcheoloog Rivierenland maken onderdeel uit van de beslissing op bezwaar. Verder heeft het college gemotiveerd dat hij op grond van artikel 3.2.4 onder b van het parapluplan afwijkt van de parkeernorm, door maatwerk toe te passen. Het college staat daarmee toe dat op het perceel 15 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, in plaats van de minimaal vereiste 23 parkeerplaatsen.
3.5.
Eiser heeft op het tegenover gelegen perceel [locatie] [nummer 2] zijn bedrijf. Eiser is het niet eens met de omgevingsvergunning omdat de opslagloods hoger wordt en dichter bij het perceel van eiser komt.
3.6.
De beroepsgronden zijn alleen gericht tegen de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit. In deze uitspraak wordt daarom niet inhoudelijk ingegaan op de omgevingsvergunning voor zover deze betrekking heeft op de technische bouwactiviteit.
Is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing?
4. Eiser betoogt dat het college de uitgebreide procedure had moeten volgen, omdat er is afgeweken van de parkeernorm. Eiser meent dat hij in zijn rechten is geschaad door het niet volgen van deze procedure. Ook heeft hij extra kosten gemaakt door het instellen van bezwaar.
4.1.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht de reguliere voorbereidingsprocedure heeft gevolgd. Het uitgangspunt is dat de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd wordt [5] , tenzij er sprake is van een van de gevallen genoemd in artikel 16.65 van de Omgevingswet. Dat is hier niet aan de orde. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht het college van de parkeernorm afwijken?
5. Eiser betoogt dat het college niet mocht afwijken van de parkeernorm, omdat het college volgens eiser niet onderzocht heeft waarom de vastgestelde parkeernorm niet aansluit bij de daadwerkelijke parkeerbehoefte. Er geldt in dit geval een parkeernorm van minimaal 23 parkeerplaatsen en maximaal 37 parkeerplaatsen. Uit de omgevingsvergunning volgt dat slechts 15 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Volgens eiser is niet aangetoond waarom niet aan de minimale parkeernorm van 23 parkeerplaatsen kan worden voldaan.
5.1.
In artikel 3.2.1 van het parapluplan staat:
a.
Een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of voor de verandering van de functie van een bouwperceel wordt slechts verleend, indien is aangetoond dat wordt of zal worden voldaan aan de maximum parkeernormen, zoals opgenomen in de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning en dat indien deze publicatie gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging, en met dien verstande dat:
1.
het totale aantal benodigde parkeerplaatsen wordt afgerond op het dichtstbijzijnde hele getal;
2.
voldaan wordt aan de in de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeercijfers naar parkeernormen’ gehanteerde indeling in centrum, schil centrum, rest bebouwde kom en buitengebied, zoals weergegeven in bijlage 1 ‘Gebiedsindeling Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019’ van deze regels.
(…)
5.2.
In artikel 3.2.4, onder b, van het parapluplan staat:
Geheel of gedeeltelijk afwijken parkeereis
Het bevoegd gezag kan geheel of gedeeltelijk afwijken van de parkeereis toestaan. De afwijking moet goed en navolgbaar onderbouwd worden. Van het afwijken van de parkeereis kan sprake zijn bij:
1.
Maatwerk: de afwijking moet onderbouwd worden aan de hand van specifieke kenmerken van de locatie, functie of doelgroep van het project.
2.
Locatie: er moet sprake zijn van een locatie waar het feitelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen of waar het in alle redelijkheid onmogelijk of onwenselijk is (o.a. op grond van planeconomische overwegingen) om geheel of gedeeltelijk te voldoen aan de parkeereis.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat het tussen partijen niet ter discussie staat dat in dit geval een parkeernorm geldt van minimaal 23 parkeerplaatsen en maximaal 37 parkeerplaatsen. Met de omgevingsvergunning worden 15 parkeerplaatsen gerealiseerd. Dat voldoet niet aan de parkeernorm. Het college is door het toepassen van maatwerk afgeweken van de parkeernorm. Die mogelijkheid biedt artikel 3.2.4, onder b, van het parapluplan. Uit het advies van de verkeerskundige van het college volgt dat er geen klanten naar het terrein komen, waardoor er geen parkeerplaatsen nodig zijn voor bezoekers. Verder parkeren werknemers en chauffeurs voor korte duur, omdat het een opslagloods is. Ook blijkt uit luchtfoto’s dat de feitelijke parkeerbezetting structureel laag is. Met de uitbreiding van de loods zal dit niet wijzigen, omdat de bedrijfsactiviteiten hetzelfde blijven. De functie en de doelgroep maken dat de geldende parkeernorm niet nodig is. Verder heeft de verkeerskundige ook gekeken naar de kenmerken van de locatie. Het terrein is ingericht voor logistieke activiteiten. Extra parkeerplaatsen gaat volgens de verkeerskundige ten koste van de operationele efficiëntie en de verkeersveiligheid op het terrein. Extra parkeerplaatsen zou ook de laad- en loscapaciteit beperken. Daarmee wordt de bedrijfsvoering nadelig beïnvloedt. De rechtbank oordeelt dat daarmee voldoende gemotiveerd is waarom in dit geval maatwerk kan worden toegepast. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat wel minimaal 23 parkeerplaatsen nodig zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Biedt het perceel voldoende manoeuvreerruimte?
6. Eiser betoogt dat het college in de belangenafweging onvoldoende rekening gehouden heeft met de manoeuvreerruimte van vrachtwagens. Het gaat om een bouwmaterialenhandel en daarom is komen er veel vrachtwagens op het perceel. Na de realisatie van het bouwplan is het volgens eiser niet mogelijk om te manoeuvreren op het perceel, gezien de grootte van de te bouwen loods. Dit zal volgens eiser daarom in de openbare ruimte plaatsvinden. Dit belemmert de bedrijfsvoering van eiser en zorgt voor verkeersonveilige situaties in diezelfde openbare ruimte.
6.1.
Uit artikel 3.2.3. van het parapluplan volgt dat bij een omgevingsvergunning voor het bouwen moet zijn verzekerd dat op eigen terrein wordt voorziening voldoende ruimte voor het laden en lossen met bijbehorende voorzieningen en manoeuvreerruimte. Uit het besluit volgt dat de bestaande inritten gehandhaafd blijven. Een groot deel van het terrein blijft onbebouwd en geschikt voor het laden en lossen met bijbehorende manoeuvreerruimte. Dit volgt ook uit het advies van de verkeerskundige van het college. De beroepsgrond slaagt niet.
Voldoet het bouwplan aan de redelijke eisen van welstand?
7. Eiser betoogt dat het bouwplan in strijd is met het welstandsbeleid. Dat blijkt uit het tegenadvies van de door eiser ingeschakelde deskundige [naam deskundige] van Auxilium Advies RO. Eiser heeft het tegenadvies in bezwaar ingebracht. Voor de volledigheid wordt het tegenadvies in beroep nogmaals overgelegd. Uit dit advies volgt dat het bouwplan om de volgende redenen niet voldoet aan de welstandsnota:
  • Het bedrijfspand sluit niet aan op de omgeving voor wat betreft positie, maat en schaal;
  • Bouwmassa’s voegen zich niet binnen uitersten van de omgeving, niet in relatie tot het woonhuis op het betreffende perceel en niet tot de panden in de directe nabijheid, waaronder het pand van bezwaarmaker;
  • De architectuur- of bouwstijl is onvoldoende afgestemd op de omgeving;
  • Buitenopslag bevindt zich niet uit zicht vanaf de openbare weg.
Uit het tegenadvies volgt verder dat:

Hoewel de waardering als verblijfsgebied op een bedrijventerrein beperkt is, is een zekere ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied van belang voor zowel werknemers als bezoekers (citaat kernkwaliteit uit de welstandsnota). De grote, onaantrekkelijke loods en de zichtbare opslag op het perceel doen afbreuk aan de omgevingskwaliteit en aan de hoogwaardige uitstraling van het pand van bezwaarde. Dit is ongunstig voor zijn klandizie.”
Het college heeft dit tegenadvies volgens eiser ten onrechte niet voorgelegd aan de welstandscommissie. Het college heeft ook niet nader onderbouwd waarom het bouwplan voldoet aan de criteria van de welstandsnota. Volgens eiser mocht het college daarom het welstandsadvies niet aan het besluit ten grondslag leggen.
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het deskundig tegenadvies niet verschilt met dat wat in bezwaar naar voren is gebracht. Hierover heeft het college in de beslissing op bezwaar het standpunt ingenomen dat de redenen die in het tegenadvies zijn genoemd onvoldoende onderbouwd zijn. Er wordt slechts de stelling ingenomen dat het bouwwerk niet passend zou zijn, zonder hiervoor per onderdeel een gemotiveerde onderbouwing te geven. Dat het bouwwerk qua maat en schaal niet passend zou zijn, maakt voor het college geen verschil. Het bouwplan voldoet namelijk aan de regels van het bestemmingsplan. Verder bevat het tegenadvies subjectieve waarderingen als “onaantrekkelijk” en “hoogwaardige uitstraling van het pand van bezwaarde”. Dit is volgens het college niet gekoppeld aan criteria uit de welstandsnota. Het college heeft daarom in bezwaar geen aanleiding gezien om tot de conclusie te komen dat het advies van de welstandscommissie gebrekkig tot stand is gekomen. Ondanks het standpunt dat het college in bezwaar heeft ingenomen, heeft het college het tegenadvies na de beslissing op bezwaar alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie op 9 april 2026. Dit heeft niet tot een andere uitkomst geleid.
7.2.
Volgens vaste rechtspraak behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. [6]
7.3.
De rechtbank oordeelt dat het college in de beslissing op bezwaar voldoende gemotiveerd heeft waarom het tegenadvies niet leidt tot de conclusie dat het welstandsadvies gebrekkig tot stand is gekomen. De rechtbank is het met het college eens dat het tegenadvies veel algemeenheden bevat. Er wordt niet concreet gemaakt op welke punten het bouwplan in strijd is met de welstandsnota. Bovendien is op de zitting gebleken dat het eiser te doen is om stedenbouwkundige aspecten, zoals de hoogte van het gebouw en de omvang van de loods. De welstandstoets moet zich in beginsel richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. [7] Dat betekent dat de welstandscommissie niet zou mogen adviseren om de loods lager te maken, nu dit voldoet aan de voorgeschreven maximale hoogte van 15 meter. De welstandscommissie zou ook niet mogen adviseren om de bebouwing kleiner in omvang te maken, omdat het bouwplan voldoet aan de planregel dat maximaal 60% van het bouwperceel bebouwd mag worden. Het tegenadvies dat in beroep is overgelegd verschilt ook niet van het advies dat in bezwaar is overgelegd. Het college is gemotiveerd ingegaan waarom het tegenadvies geen aanleiding geeft om van het welstandsadvies af te wijken. Eisers hebben niet aangevoerd wat niet deugt aan de motivering die het college in de beslissing op bezwaar heeft gegeven. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.26 van het omgevingsplan gemeente West Betuwe.
2.Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
3.Artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.Artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in samenhang met artikel 22.29 van het omgevingsplan.
5.Artikel 16.62 van de Omgevingswet.
6.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3178.
7.Uitspraak van de Afdeling van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1129.