ECLI:NL:RBGEL:2026:4773

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
AWB-26_1524
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening tegen ongeldigverklaring rijbewijs wegens niet meewerken alcoholcursus niet-ontvankelijk

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het CBR van 18 maart 2026, waarbij zijn rijbewijs per 25 maart 2026 ongeldig werd verklaard wegens het niet volledig meewerken aan een cursus over alcohol en verkeer.

Het CBR heeft op 24 maart 2026 het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard en het besluit van 18 maart 2026 ambtshalve herroepen. Hierdoor is er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een verzoek om voorlopige voorziening zowel formele als materiële connexiteit vereist met een lopende bezwaar- of beroepsprocedure. Omdat verzoeker geen beroep heeft ingesteld en er geen bezwaar- of beroepsprocedure meer loopt, is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek daarom niet inhoudelijk en wijst het af zonder proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een lopende bezwaar- of beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1524

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker] uit [plaats], verzoeker

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het CBR van 18 maart 2026, waarbij het rijbewijs van verzoeker per 25 maart 2026 ongeldig werd verklaard, wegens het niet (volledig) meewerken aan een cursus over alcohol en verkeer. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 maart 2026.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Uit artikel 8:81 van Pro de Awb volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is niet alleen nodig dat er sprake is van een samenhangende bezwaar- of beroepsprocedure (formele connexiteit), maar ook moet de gevraagde voorziening inhoudelijk passen binnen de omvang van het geding in de bezwaar- of beroepsprocedure (materiële connexiteit).
2.1.
Bij beslissing van 24 maart 2026 heeft het CBR het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard en ambtshalve het besluit van 18 maart 2026 herroepen. Daarmee heeft het CBR op het hiervoor genoemde door verzoeker gemaakte bezwaar beslist. Verzoeker is op 26 maart 2026 op grond van artikel 8:81, vijfde lid van de Awb in de gelegenheid gesteld beroep in te stellen, maar heeft dit niet gedaan. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. Sahli, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.