Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4775

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/05/455417
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:755 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:233 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling meerwerk en schadevergoeding na verbreken retentierecht bij aanneming woning

De eiser, een aannemingsbedrijf, bouwde een woning voor de gedaagden. Er ontstond een geschil over betaling van de aanneemsom en meerwerk. De rechtbank oordeelt dat de gedaagden de overeengekomen aanneemsom van €470.000 plus het meerwerk moeten betalen, waarbij het meerwerk is bewezen door ondertekende offertes en feitelijke uitvoering.

De rechtbank wijst een bedrag van €212.877,50 toe als restantbetaling, naast contractuele rente van 6% over diverse facturen. Tevens wordt een schadevergoeding van €6.935 toegekend wegens het onrechtmatig verbreken van het retentierecht door gedaagde sub 1, die onder meer sloten en bouwhekken verwijderde en camera’s liet plaatsen ter voorkoming van herhaling.

De buitengerechtelijke incassokosten, beslagkosten en proceskosten worden eveneens toegewezen. De veroordeling wordt hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad uitgesproken, zodat onmiddellijke tenuitvoerlegging mogelijk is. Het vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande op 17 juni 2026.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van openstaande aanneemsom, contractuele rente, schadevergoeding wegens onrechtmatig verbreken retentierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/455417 / HA ZA 25-329
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[naam eisend bedrijf] B.V.,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. T. van der Meeren,
tegen

1.[naam gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[naam gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [de gedaagden] ,
advocaat: mr. C. Cenik.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 3 december 2025 en het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling van 10 april 2026. De rechtbank heeft ten slotte bepaald dat zij vandaag vonnis wijst.

2.De zaak in het kort

[de eiser] heeft een aannemingsbedrijf. Zij heeft in opdracht van [de gedaagden] een woning gebouwd. De rechtbank komt tot het oordeel dat [de gedaagden] van de totale aanneemsom nog € 212.877,50 moeten betalen aan [de eiser] . Daarnaast moeten zij een contractuele rente van 6% per jaar betalen over te laat betaalde facturen. Verder moet een schade van € 6.935,00 worden vergoed wegens het doorbreken van het retentierecht dat [de eiser] heeft uitgeoefend. Tot slot moeten zij buitengerechtelijke incassokosten, beslagkosten en de proceskosten betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom.

3.Het geschil

3.1.
Na wijziging en vermeerdering van eis vordert [de eiser] – kort samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [de gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om aan [de eiser] te betalen:
€ 515.455,63, te vermeerderen met de contractuele rente van 6%;
de contractuele rente over € 94.000,00 van 17 september 2024 tot 2 mei 2025;
€ 64.000,00, te vermeerderen met contractuele rente;
e contractuele rente over € 23.500,00 van 12 juli 2024 tot 29 augustus 2024;
de contractuele rente over € 43.571,44 van 12 juli 2024 tot 24 februari 2025;
de buitengerechtelijke kosten van € 4.748,49, plus wettelijke rente;
de kosten van het opstellen van het beslagrekest, plus wettelijke rente;
et griffierecht voor het beslagrekest, plus wettelijke rente;
de kosten van het leggen van beslag op onroerende zaken, plus wettelijke rente;
de kosten van het leggen van beslag onder ING Bank, plus wettelijke rente;
de kosten van overbetekening van de beslagen aan [de gedaagde sub 1] , plus wettelijke rente;
de kosten van cameratoezicht van € 8.185,65 incl. btw plus wettelijke rente;
de proceskosten;
de nakosten.
3.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank stelt – met [de gedaagden] – vast dat [de eiser] veel verschillende (totaal)bedragen noemt in haar processtukken. Zij heeft ook allerlei overzichten overgelegd waarop niet steeds dezelfde facturen zijn opgenomen. Op die overzichten zijn bovendien verschillende rentefacturen opgenomen.
4.2.
Voor de rechtbank dient als uitgangspunt wat [de eiser] vordert en wat zij daaraan ten grondslag legt. Na eiswijziging is dit een bedrag in hoofdsom van (€ 515.455,63 plus
€ 64.000,00 is) € 579.455,63, verdeeld over de vorderingen onder a. en c. De rente zit niet langer, zoals in de dagvaarding nog het geval was, deels in de hoofdsom maar wordt afzonderlijk gevorderd. Uit de producties 3, 4, 29 en 30 van [de eiser] en de toelichting die zij daarop heeft gegeven, volgt dat zij ter zake van het werk (dus exclusief contractuele rente) facturen heeft gestuurd aan [de gedaagden] voor een totaalbedrag van
€ 676.527,07. Van dit totaal stond ten tijde van de eiswijziging van 21 november 2025 nog de voornoemde € 579.455,63 open. In haar akte van 21 november 2025 stelt [de eiser] namelijk dat de factuur 10866 van € 23.500,00 is betaald op 29 augustus 2024 en de factuur 10867 van € 43.571,44 op 24 februari 2025. Van de factuur 10970 van € 94.000,00 is
€ 30.000,00 betaald op 2 mei 2025 en stond nog € 64.000,00 open, aldus [de eiser] .
4.3.
Partijen zijn het erover eens dat uit de aannemingsovereenkomst van 15 december 2022 volgt dat de aanneemsom € 470.000,00 incl. btw was en dat [de gedaagden] dit bedrag moeten betalen. Waar partijen het niet over eens zijn, is of [de gedaagden] ook moeten betalen voor ‘meerwerk’ en, zo ja, hoeveel. De rechtbank zal daar eerst op ingaan.
[de gedaagden] moeten het meerwerk ook betalen
4.4.
Voor het eerst tijdens de zitting hebben [de gedaagden] betwist dat zij het meerwerk moeten betalen. Volgens [de eiser] is dat te laat, omdat zij zowel buitengerechtelijk als in het kort geding dat eerder tussen partijen is gevoerd, hebben erkend dat zij meerwerk zijn overeengekomen. Of dit zo is, kan in het midden blijven.
4.5.
Tijdens de zitting heeft [de eiser] twee ondertekende meerwerkoffertes in het geding gebracht: de offerte 2228-03 van 15 december 2023 van € 33.775,00 en de offerte 2228-04 van 16 januari 2024 van € 85.645,00. Volgens [de eiser] zijn deze offertes ondertekend door [de gedaagden] op 9 januari 2024 en 17 januari 2024. Op de vraag of hij deze offertes heeft ondertekend, heeft [de gedaagde sub 1] gezegd dat hij dat niet weet, dat hij niet weet of het zijn handtekening is en dat hij daarvoor zijn e-mail zou moeten checken. De rechtbank vindt dit geen stellige ontkenning, zodat zij ervan uitgaat dat [de gedaagden] de offertes hebben ondertekend. Verder heeft [de eiser] toegelicht dat de offertes zien op aanvullende werkzaamheden ten opzichte van de aannemingsovereenkomst, zoals ook op de offertes staat. Met de opmerking dat op de offertes wordt verwezen naar een aannemingsovereenkomst van 16 november 2022 hebben [de gedaagden] dat onvoldoende betwist. De offertes zien meer onder op het realiseren van een aanbouw met fundering. Dat dit meerwerk feitelijk is verricht, hebben [de gedaagden] niet betwist.
4.6.
Wel voeren [de gedaagden] aan dat boven de offertes Architectuur Wonen staat en daarop nergens de naam [de eiser] is vermeld, terwijl Architectuur Wonen niet als handelsnaam van [de eiser] in het handelsregister staat. Zij betwisten hiermee dat zij een opdracht voor meerwerk hebben gegeven
aan [de eiser]. Deze betwisting slaagt niet. Tijdens de zitting heeft [de eiser] gesteld dat Architectuur Wonen inderdaad niet als handelsnaam is ingeschreven in het handelsregister, maar wel een merknaam van [de eiser] is. [de contactpersoon] heeft bij [de eiser] gewerkt als begeleider van kopers en is de contactpersoon, bijvoorbeeld als er meerwerk wordt overeengekomen, aldus [de eiser] . De rechtbank stelt vast dat de handtekening van [de contactpersoon] onder de offertes staat en dat [de gedaagde sub 1] ter zitting heeft bevestigd dat [de contactpersoon] zijn contactpersoon was. De aanbouw is feitelijk gerealiseerd door [de eiser] en de facturen hiervoor zijn ook gestuurd door [de eiser] . Al met al kan op geen enkele manier onduidelijk zijn geweest aan wie [de gedaagden] het meerwerk opdroegen: aan [de eiser] .
4.7.
Gelet op het voorgaande heeft [de eiser] voldoende uitgelegd en onderbouwd dat is voldaan aan de eisen van artikel 7:755 BW Pro, zodat zij betaling van de kosten van meerwerk kan vorderen, en hebben [de gedaagden] dat onvoldoende betwist.
De openstaande facturen
4.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de eiser] tegenover de betwisting door [de gedaagden] echter onvoldoende toegelicht waarom uit de aannemingsovereenkomst volgt dat zij ook de facturen 11690 van € 6.372,48 en 11331 van € 205,70 zouden moeten betalen. Over factuur 11690 voeren [de gedaagden] , gezien de specificatie van die factuur in productie 31 van [de eiser] , terecht aan dat tweemaal vergoeding van camerakosten worden gevorderd. Deze kosten komen slechts eenmaal voor toewijzing in aanmerking (zie hierna in 4.10 tot en met 4.18). De overige posten op deze factuur heeft [de eiser] in het geheel niet toegelicht. Factuur 11331 van € 205,70 wordt hierna in 4.18 toewijsbaar geacht. De nakomingsvordering van [de eiser] zal wat betreft deze twee facturen dan ook worden afgewezen. Dat zij de overige facturen moeten betalen, hebben [de gedaagden] niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist.
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat [de gedaagden] in totaal (€ 676.527,08 min
€ 6.372,48 en € 205,70 is) € 669.948,90 aan [de eiser] moeten betalen. Naast de betalingen die in 4.2 zijn vermeld, hebben [de gedaagden] in de periode van 4 tot en met
9 december 2025 nog een aantal betalingen gedaan. Dit nadat zij bij vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 10 november 2025 waren veroordeeld tot betaling van € 515.455,63. Zij stellen (en onderbouwen met bankafschriften) dat zij in totaal € 457.071,44 hebben betaald aan [de eiser] . Tijdens de zitting heeft [de eiser] dit nagekeken en erkend dat dit totaalbedrag klopt. Hieruit volgt dat [de gedaagden] nu nog € 212.877,50 moeten betalen. De vordering onder a. is toewijsbaar tot dit bedrag en de vordering onder c. is dan alleen nog toewijsbaar wat betreft de contractuele rente.
Het verbreken van het retentierecht
4.10.
Aan haar vordering onder h. legt [de eiser] ten grondslag dat [de gedaagden] de kosten van cameratoezicht moeten vergoeden, omdat dit toezicht noodzakelijk was als gevolg van het verbreken van het retentierecht van [de eiser] door [de gedaagden] .
4.11.
[de gedaagden] betwisten niet dat [de eiser] een retentierecht uitoefende op de woning en dat [de eiser] daartoe gerechtigd was omdat een groot deel van de aanneemsom niet was betaald. Volgens [de eiser] was het retentierecht bekend bij [de gedaagde sub 1] omdat daarover werd gesproken in e-mails, het was ingeschreven in de openbare registers en op de bouwhekken en ramen van de woning A4’tjes waren geplakt waarop stond dat zij haar retentierecht uitoefende. Dit hebben [de gedaagden] onvoldoende betwist met de opmerking dat zij niet wisten dat [de eiser] een retentierecht uitoefende.
4.12.
Volgens [de eiser] is het retentierecht tweemaal verbroken. Op 16 juni 2025 heeft [de gedaagde sub 1] de sloten op de bouwhekken verbroken, de bouwhekken verwijderd en op een hoop gegooid, de cilinders uit de deur van de woning geboord en camera’s opgehangen. Op 18 juni 2025 is het retentierecht hersteld en op 19 juni 2025 was weer een hek vernield en waren de sloten nog een keer open geboord en vervangen. De uitingen van het retentierecht op de bouwhekken en ramen zijn verwijderd door [de gedaagde sub 1] , aldus [de eiser] .
4.13.
Ter zitting heeft [de gedaagde sub 1] erkend dat hij de cilinders heeft laten uitboren. Het was immers zijn eigen woning, aldus [de gedaagde sub 1] . Verder heeft [de gedaagde sub 1] erkend dat hij werklui heeft toegelaten tot de woning. De overige handelingen die [de eiser] stelt (met betrekking tot de bouwhekken en uitingen van het retentierecht), zijn niet betwist. Gelet hierop is de rechtbank met [de eiser] van oordeel dat [de gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld door zich op deze manier de toegang tot de woning te verschaffen, waardoor [de eiser] de feitelijke macht over de woning verloor. Dat ook [de gedaagde sub 2] onrechtmatig zou hebben gehandeld, heeft [de eiser] niet voldoende gemotiveerd gesteld.
4.14.
De feitelijke macht is na het doorbreken van het retentierecht op 19 juni 2025 hersteld nadat [de gedaagde sub 1] de sleutels van de woning had afgegeven en [de eiser] de cilinders nog een keer heeft vervangen. Om ervoor te zorgen dat het retentierecht niet nogmaals zou worden doorbroken en om te voorkomen dat er schade aan de woning zou ontstaan, heeft [de eiser] camera’s laten plaatsen. Hiermee bestaat causaal verband tussen de onrechtmatige daad van [de gedaagde sub 1] en de schade in de vorm van de kosten van de huur van de camera’s. Dat [de gedaagde sub 1] op dat moment al drie sleutels had afgegeven aan [de eiser] , zoals hij aanvoert, maakt dat niet anders.
4.15.
Volgens [de eiser] bedragen de kosten van cameratoezicht € 8.185,65 inclusief btw. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een Excel-overzicht overgelegd en facturen die zij heeft ontvangen en betaald, aldus [de eiser] . Met de facturen van [naam bedrijf ] B.V., die zijn geadresseerd aan [de eiser] , heeft zij voldoende onderbouwd dat zij kosten heeft moeten maken tot dit bedrag. Anders dan [de gedaagde sub 1] aanvoert, is daarvoor niet nodig dat zij tevens betalingsbewijzen in het geding brengt. Ter zitting heeft [de eiser] erkend dat de btw niet voor vergoeding in aanmerking komt, zodat een bedrag van € 6.765,00 exclusief btw resteert.
4.16.
De camera’s zouden op 18 juni 2025 worden geplaatst en zijn uiteindelijk op 20 juni 2025 geplaatst. Hierover heeft [de eiser] op de zitting verteld dat het plaatsen van de camera’s op 18 juni 2025 door BouWatch niet is doorgegaan na een dreigement van [de gedaagde sub 1] , waarna BouWatch weer wegging. Dat BouWatch twee keer ter plaatse is geweest om de camera’s te plaatsen, daargelaten wat de reden daarvan was, heeft [de gedaagde sub 1] niet betwist. Dat twee keer installatiekosten in rekening zijn gebracht bij [de eiser] heeft hij ook niet betwist. Ook dit is schade die [de gedaagde sub 1] moet vergoeden. De rechtbank volgt [de gedaagde sub 1] niet in zijn betoog dat [de eiser] haar schadebeperkingsplicht heeft geschonden door het cameratoezicht desgevraagd niet te beëindigen. [de gedaagde sub 1] heeft deze stelling verder niet gemotiveerd en het is, gezien de omstandigheden, niet onredelijk dat [de eiser] de camera’s heeft laten staan van juni 2025 tot en met januari 2026.
4.17.
De kosten van cameratoezicht zijn derhalve toewijsbaar tot een bedrag van
€ 6.765,00. Over de factuur met nummer 11331 heeft [de eiser] onbetwist gesteld dat het gaat om kosten van herstel van het retentierecht. Wat betreft deze factuur is een bedrag van € 170,00 exclusief btw toewijsbaar als schade als gevolg van de onrechtmatige daad. In totaal is dus een schadevergoeding van € 6.935,00 toewijsbaar. De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar vanaf 16 maart 2026, zoals is gevorderd.
Het rentebeding
4.18.
[de eiser] stelt dat partijen een rente van 6% per jaar zijn overeengekomen in de aannemingsovereenkomst. In artikel 4 lid 3 van Pro deze overeenkomst staat dat de verkrijger ( [de gedaagden] ), indien en voor zover hij een reeds opeisbaar gedeelte van de aanneemsom niet op de daarvoor gestelde vervaldag heeft voldaan, een rente van 6% per jaar verschuldigd is vanaf de dag van opeisbaarheid tot die van de voldoening. [de gedaagden] stellen dat dit rentebeding onredelijk bezwarend is als bedoeld in artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en daarom moet worden vernietigd. Volgens hen is de contractuele rente onevenredig hoog. De rechtbank verwerpt dit betoog. De wettelijke rente was weliswaar 2% op het moment van sluiten van de overeenkomst, maar was 7% althans 6% op het moment van verzending van de onderhavige facturen in 2024 en 2025. Gelet hierop is geen sprake van een onevenredig hoge schadevergoeding die oneerlijk is.
4.19.
Dat [de gedaagden] contractuele rente verschuldigd zijn, is ook niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zoals zij stellen. Hiertoe stellen zij dat zij steeds hebben aangegeven dat zij de aanneemsom niet direct zouden kunnen betalen, en dat [de eiser] de bouw niettemin heeft voortgezet, ook nadat verschillende termijnen niet werden betaald. [de eiser] betwist dit en voert aan dat [de gedaagden] juist telkens hebben gezegd te zullen betalen en [de eiser] hebben verzocht om ondanks het uitblijven van betaling door te bouwen. Wat hier ook van zij, het enkele feit dat [de eiser] de bouw heeft voortgezet ondanks het uitblijven van betaling is onvoldoende voor de conclusie dat zij geen betaling van contractuele rente mag vorderen. Uit de overgelegde e-mails blijkt dat [de eiser] zich coulant heeft opgesteld ten opzichte van [de gedaagden] maar daarmee heeft zij geen afstand gedaan van haar recht op rente.
4.20.
Er is dus een contractuele rente van 6% verschuldigd en wel vanaf de vervaldata van de facturen tot de dag van de voldoening hiervan. De vorderingen a. tot en met e., die voor het overige niet zijn weersproken wat betreft de begin- en einddatum van de contractuele rente, zijn op dit punt toewijsbaar. Wat betreft het gedeelte van de vordering onder a. dat [de gedaagden] hebben voldaan door betaling in december 2025 (van € 360.000,00 min € 64.000,00 met betrekking tot factuur 10970 is) € 296.000,00 zijn zij contractuele rente verschuldigd vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen tot 4 december 2025, zoals zal worden toegewezen in de beslissing onder 5.3.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.21.
[de eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [de gedaagden] consumenten zijn. Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [de eiser] heeft aan [de gedaagden] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro, namelijk in de brief van 24 juni 2025 waarnaar zij in dit verband verwijst in de dagvaarding. Daarom zal, in aansluiting op het wettelijk tarief dat aansluit bij het toewijsbare gedeelte van de oorspronkelijke hoofdsom, een bedrag van € 4.639,39 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding, omdat [de eiser] niet heeft gesteld op welk moment de kosten zijn gemaakt.
De beslagkosten
4.22.
[de eiser] vordert [de gedaagden] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is, gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro, toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 620,78 voor kosten deurwaardersexploten, € 714,00 voor griffierecht en € 554,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 554,00), totaal € 1.888,73. De vorderingen onder g., h., i., j. en k. zijn in zoverre toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De proceskosten
4.23.
[de gedaagden] krijgen ongelijk. Zij moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
121,02
- griffierecht
6.147,00
- salaris advocaat
7.446,00
(2 punten × € 3.723,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
13.903,02
4.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad
4.25.
De veroordeling zal deels hoofdelijk worden uitgesproken. Dit betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
4.26.
Dit vonnis zal, zoals [de eiser] heeft gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dit betekent dat dit vonnis meteen ten uitvoer kan worden gelegd, ook als een van partijen hoger beroep instelt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [de gedaagden] hoofdelijk om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 212.877,50, te vermeerderen met de contractuele rente van 6% per jaar over het toegewezen bedrag, vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [de gedaagden] hoofdelijk om aan [de eiser] te betalen de contractuele rente van 6% per jaar over € 296.000,00 vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen tot 4 december 2025,
5.3.
veroordeelt [de gedaagden] hoofdelijk om aan [de eiser] te betalen de contractuele rente van 6% per jaar over € 94.000,00 (factuur met nummer 10970) met ingang van 17 september 2024 tot 2 mei 2025,
5.4.
veroordeelt [de gedaagden] hoofdelijk om aan [de eiser] te betalen de contractuele rente van 6% per jaar over € 64.000,00 (factuur met nummer 10970) van 2 mei 2025 tot 4 december 2025,
5.5.
veroordeelt [de gedaagden] hoofdelijk om aan [de eiser] te betalen de contractuele rente van 6% per jaar over € 23.500,00 (factuur met nummer 10866) met ingang van 12 juli 2024 tot 29 augustus 2024,
5.6.
veroordeelt [de gedaagden] hoofdelijk om aan [de eiser] te betalen de contractuele rente van 6% per jaar over € 43.571,44 (factuur met nummer 10867) met ingang van 12 juli 2024 tot 24 februari 2025,
5.7.
veroordeelt [de gedaagden] hoofdelijk om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 4.639,39 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.8.
veroordeelt [de gedaagden] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.888,73, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
5.9.
veroordeelt [de gedaagde sub 1] tot betaling aan [de eiser] van een schadevergoeding van
€ 6.935,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 16 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.10.
veroordeelt [de gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 13.903,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.11.
veroordeelt [de gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.12.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.13.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
1906