ECLI:NL:RBGEL:2026:4782

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
12193322
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 108 lid 1 RvArt. 108 lid 2 RvArt. 108 lid 2 onder a en b RvArt. 557a lid 3 RvArt. 96 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kantonrechter onbevoegd wegens rechtsgeldig forumkeuzebeding na ontstaan geschil

In deze kortgedingprocedure vordert [de eiser] B.V. de ontruiming van een onroerende zaak door [de gedaagde sub. 1 & 2]. De vordering is gebaseerd op vermeende ernstige tekortkomingen in de nakoming van een koop- en huurovereenkomst.

De kantonrechter beoordeelt ambtshalve zijn bevoegdheid en constateert dat partijen na het ontstaan van het geschil een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten met een forumkeuzebeding dat de rechtbank Amsterdam als exclusieve bevoegde rechter aanwijst.

Omdat de dagvaarding voor het kort geding na het sluiten van deze overeenkomst is betekend en er geen uitzondering is gemaakt voor deze procedure, verklaart de kantonrechter zich onbevoegd. Een verzoek om alsnog aan de kantonrechter voor te leggen wordt afgewezen omdat niet aan de vereisten van artikel 96 Rv Pro is voldaan.

De procedure tussen [de eiser] en andere gedaagden is beëindigd na afspraken. [de eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil worden begroot vanwege het voortijdig verlaten van de zitting door [de gedaagde sub. 1 & 2].

Uitkomst: Kantonrechter verklaart zich onbevoegd wegens rechtsgeldig forumkeuzebeding en wijst vordering af.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12193322 \ VV EXPL 26-56
Vonnis in kort geding van 5 juni 2026
in de zaak van
[de eiser] B.V.,
gevestigd te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: Incasso advies B.V.,
tegen

1.[naam gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[naam gedaagde sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3.
[naam gedaagde sub 3] H.O.D.N. [naam bedrijf gedaagde sub 3],
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
4.
ZIJ DIE VERBLIJVEN IN EN OP DE ONROERENDE ZAAK OF GEDEELTEN DAARVAN,
verblijvende te [verblijfplaats] ,
gedaagde partijen,
gedaagden 1 en 2 samen te noemen: [de gedaagde sub. 1 & 2] en gedaagde 3 wordt hierna [de gedaagde sub. 3] genoemd,
gedaagden 1, 2 en 3 procederend in persoon en gedaagde 4 is niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 mei 2026 met producties 1 tot en met 9,
- de advertentie met oproeping in dagblad Parool,
- de akte met aanvullende producties 10 tot en met 14 van [de eiser] ,
- de akte met aanvullende producties 15 tot en met 16 van [de eiser] ,
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026, waar
- de heer [gemachtigde 1] van [de eiser] en de heer [gemachtigde 2] als gemachtigde van [de eiser] zijn verschenen,
- de heer [vertegenwoordiger] in persoon en als bestuurder van [de gedaagde sub 2] B.V. is digitaal verschenen via Teams, maar hij verbrak voortijdig de Teamsverbinding,
- de heer [de gedaagde sub. 3] in persoon is verschenen.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [de eiser] en [de gedaagde sub. 3] afspraken gemaakt, welke zijn vastgelegd in een proces-verbaal. Hiermee is de procedure tussen hen geëindigd. [de eiser] heeft de vorderingen tegen hen die verblijven (gedaagde 4) ingetrokken.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald in de procedure tussen [de eiser] en [de gedaagde sub. 1 & 2] .

2.Het geschil

2.1.
[de eiser] vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • [de gedaagde sub. 1 & 2] te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis de onroerende zaak gelegen aan [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de onroerende zaak) met al de hunnen/haren en/of zijnen en/of het hunne, hare, zijne te ontruimen en ontruimd te houden en te verlaten met medeneming van al hetgeen en datgene dat zich vanwege [de gedaagde sub. 1 & 2] in en op de onroerende zaak bevindt (de persoonlijke bezittingen), en de onroerende zaak ter vrije beschikking te stellen aan [de eiser] en de onroerende zaak niet meer te betreden,
  • te bepalen dat deze veroordeling binnen de in artikel 557a lid 3 Rv genoemde termijn van een jaar ook ten uitvoer zal kunnen worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer dat zich voordoet,
  • [de eiser] te machtigen om, indien [de gedaagde sub. 1 & 2] in gebreke mocht blijven om aan de veroordeling tot ontruiming te voldoen, de ontruiming van voornoemde onroerende zaak zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie te doen bewerkstelligen,
  • [de gedaagde sub. 1 & 2] , indien hij niet vrijwillig aan de veroordeling tot ontruiming voldoet en [de eiser] de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder zelf zal moeten bewerkstelligen, [de gedaagde sub. 1 & 2] reeds te veroordelen de kosten van de ontruiming te voldoen op vertoon van de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming en voor zover van toepassing, de daaraan gerelateerde nota van de deurwaarder en/ of de ontruimingsploeg,
  • [de gedaagde sub. 1 & 2] te veroordelen in de proceskosten, te betalen binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen, alsmede de nakosten.
2.2.
[de eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [de gedaagde sub. 1 & 2] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst en huurovereenkomst. Deze tekortkomingen aan de zijde van [de gedaagde sub. 1 & 2] zijn dermate ernstig dat een ontruiming van de onroerende zaak gerechtvaardigd is en dat deze vorderingen in een bodemzaak zullen worden toegewezen.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Allereerst dient ambtshalve te worden beoordeeld of de kantonrechter bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen.
3.2.
Artikel 108 Rv Pro regelt de forumkeuze. In beginsel is de rechter die partijen bij overeenkomst hebben aangewezen bij uitsluiting bevoegd van de zaak kennis te nemen (artikel 108 lid 1 Rv Pro). Deze bepaling is echter niet van toepassing in zaken die tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoren (artikel 108 lid 2 Rv Pro). Echter, op laatstgenoemde bepaling bestaan een tweetal uitzonderingen, te weten indien de overeenkomst met de aanwijzing van een bevoegde rechter is gesloten na het ontstaan van het geschil of indien de werknemer, de partij die niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf dan wel de huurder zich tot de aangewezen rechter wendt, dan is de aangewezen kantonrechter wel bevoegd van de zaak kennis te nemen (artikel 108 lid 2 onder Pro a en b). Ratio van deze beperking van een forumkeuzebeding bij kantonzaken is, te voorkomen dat gedaagden in kantonzaken tegen hun wil worden afgehouden van hun eigen rechter die, volgens de algemene en bijzondere bepalingen ter zake van relatieve bevoegdheid, bevoegd zou zijn.
3.3.
Tussen onder meer [de eiser] en [de gedaagde sub. 1 & 2] is op 20 april 2026 een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beslechting van een op dat moment reeds bestaand geschil. In artikel 9.4. van deze vaststellingsovereenkomst is een forumkeuzebeding opgenomen. Op grond van deze bepaling is de rechtbank Amsterdam bevoegd ten aanzien van geschillen tussen partijen die voortvloeien uit de vaststellingsovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit een rechtsgeldig forumkeuzebeding in de zin van artikel 108 lid 2 Rv Pro.
3.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is door de gemachtigde van [de eiser] aangevoerd dat deze procedure al in gang gezet was voordat de vaststellingsovereenkomst is gesloten en dat het niet de bedoeling van partijen is geweest dat het forumkeuzebeding ook voor deze procedure zou gelden. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Een kort geding procedure is aanhangig vanaf het moment dat de eisende partij mededeling van datum en tijdstip aan de verweerder is gedaan dan wel, indien de dagvaarding al eerder is uitgebracht, vanaf dat moment. Uit het procesdossier is niet gebleken dat [de eiser] afzonderlijk mededeling is gedaan aan [de gedaagde sub. 1 & 2] van het moment waarop het kort geding plaatsvindt. De kantonrechter neemt daarom tot uitgangspunt dat aangesloten moet worden bij de datum waarop de dagvaarding is betekend. De dagvaarding is op 18 mei 2026, en daarmee dus na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op 20 april 2026, betekend. Partijen hebben evenmin in de vaststellingsovereenkomst een uitzondering gemaakt voor de onderhavige procedure. De kantonrechter acht zich daarom onbevoegd om van het geschil kennis te nemen.
3.5.
[de eiser] heeft nog verzocht om deze zaak op grond van artikel 96 Rv Pro (alsnog) aan de kantonrechter voor te leggen. Nu partijen zich niet samen tot de kantonrechter hebben gewend (artikel 96 lid 1 Rv Pro) en [de gedaagde sub. 1 & 2] ook niet heeft ingestemd met deze keuze van [de eiser] (artikel 96 lid 2 Rv Pro), kan de kantonrechter aan deze keuze geen gehoor geven.
3.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [de eiser] te kennen gegeven dat hij, vooruitlopend op dit vonnis, een datum voor een kort geding zal aanvragen bij de voorzieningenrechter te Amsterdam, zodat een verwijzing naar deze rechter niet in de rede ligt.
3.7.
[de eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten en de nakosten. [de gedaagde sub. 1 & 2] procedeert in persoon en is via teams ter zitting verschenen. Aangezien [de gedaagde sub. 1 & 2] voortijdig en zonder enig bericht aan de kantonrechter de zitting heeft verlaten, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten aan de zijde van [de gedaagde sub. 1 & 2] te begroten op nihil.

4.De beslissing

De kantonrechter
rechtdoende als voorzieningenrechter
4.1.
verklaart zich onbevoegd om van de onderhavige vordering kennis te nemen,
4.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten aan de zijde van [de gedaagde sub. 1 & 2] , begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
44356 \ 51588