Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4818

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
522112125
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 509hh SvArt. 82 SrArt. 6:106 BWArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor zware mishandeling met dubbele kaakfractuur en overtreding contactverbod

Op 29 juli 2025 heeft verdachte in Arnhem het slachtoffer met kracht naar de grond gewerkt en vervolgens met een harde trap tegen het hoofd geschopt, waardoor het slachtoffer een dubbele kaakfractuur en een wond aan het achterhoofd opliep. Getuigen bevestigden de ernst en kracht van het geweld. Verdachte had voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Op 3 augustus 2025 heeft verdachte via Snapchat contact opgenomen met het slachtoffer, ondanks een op 30 juli 2025 opgelegde gedragsaanwijzing die contact verbood. Verdachte ontkende dit, maar de rechtbank achtte het bewijs overtuigend dat hij de berichten zelf heeft verzonden.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 223 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 240 uur. Daarnaast werd een schadevergoeding van € 11.101,40 toegewezen aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De overtreding van het contactverbod werd zwaar meegewogen in de strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 dagen gevangenisstraf (223 voorwaardelijk), 240 uur taakstraf en schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05.221121.25 en 05.222265.25 gevoegd t.t.z.
Datum uitspraak : 16 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] [woonplaats] .
Raadsman: mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer
05.222265.25ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 juli 2025 te Arnhem aan een ander, te weten [slachtoffer] ,
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer]
- vast te pakken en/of op te tillen en/of (vervolgens) op/tegen de grond te gooien en/of te duwen, en/of
- meermaals, althans eenmaal met kracht op/tegen het hoofd te trappen/schoppen en/of te slaan/stompen;
subsidiair
hij op of omstreeks 29 juli 2025 te Arnhem
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer]
- heeft vastgepakt en/of opgetild en/of (vervolgens) op/tegen de grond heeft gegooid en/of geduwd, en/of
- meermaals, althans eenmaal met kracht op/tegen het hoofd heeft getrapt/geschopt en/of heeft geslagen/gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 29 juli 2025 te Arnhem
[slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer]
- vast te pakken en/of op te tillen en/of (vervolgens) op/tegen de grond te gooien en/of te duwen, en/of
- meermaals, althans eenmaal met kracht op/tegen het hoofd te trappen/schoppen en/of te slaan/stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;
Aan verdachte is in de zaak met parketnummer
05. 221121.25ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 3 augustus 2025 te Arnhem, althans in Nederland
opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering,
te weten de gedragsaanwijzing d.d. 30 juli 2025, gegeven door de officier van justitie te
arrondissement Oost-Nederland,
door [slachtoffer] via Snapchat één of meerdere foto's en/of filmpjes te sturen;

2.Standpunten

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten: in de zaak met parketnummer 05-222265-25 een zware mishandeling (primair) en in de zaak met parketnummer 05-221121-25 het overtreden van een gedragsaanwijzing.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten waarvan hij in de zaak met parketnummer 05-222265-25 primair en subsidiair wordt beschuldigd. Verdachte had geen opzet op het toebrengen van letsel. Het letsel dat is geconstateerd kan voorts niet worden gekwalificeerd als zwaar letsel. Ten aanzien van het duwen, vastpakken en op de grond gooien heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 05-221121-25 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu verdachte zich volgens de verdediging niet schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
3. Beoordeling ten aanzien van het bewijs [1]
Parketnummer
05.222265.25
Bewijsmiddelen
Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte haar op 29 juli 2025 in Arnhem met zijn armen vastpakte bij haar nek en haar met kracht naar de grond heeft gewerkt. Nadat zij ten val was gekomen en korte tijd buiten bewustzijn was geraakt, merkte zij dat de verdachte haar tegen het hoofd had geschopt. Als gevolg had zij een dubbele kaakfractuur en een wond aan het achterhoofd opgelopen. [2]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangeefster die dag naar de grond heeft gewerkt. [3]
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat de jongen het meisje optilde en met kracht op de grond gooide. Vervolgens zag de getuige dat de jongen zijn been naar achteren bewoog en met enorm veel kracht naar voren bewoog en dat de voet van de jongen tegen het gezicht of de nek van het meisje aan kwam. De getuige heeft verklaard dat de trap zo krachtig was dat hij dacht dat het meisje dit niet zou overleven. Hij zag dat het meisje daarna niet meer bewoog en op de grond bleef liggen, totdat zij ongeveer een minuut later weer bij kennis kwam. [4]
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij zag dat de jongen een meisje met kracht oppakte en hard op de grond gooide en haar vervolgens met een harde trap tegen de kaak raakte. Volgens de getuige werd het meisje door de trap ongeveer een meter verplaatst en kwam haar nek in een onnatuurlijke stand te staan. [5] Bij de rechter-commissaris heeft de getuige verklaard dat de kracht van de trap vergelijkbaar was met het hard wegschoppen van een voetbal.
Uit de medische informatie blijkt dat aangeefster op 29 juli 2025 in het ziekenhuis is opgenomen en de volgende dag is geopereerd aan twee breuken in de onderkaak. Per breuk zijn er twee titaniumplaatjes geplaatst. Ook zijn enkele schroeven aangebracht aan de boven- en onderkaak om de kiezen 1 tot 2 weken op elkaar te plaatsen. Daarnaast is het volgende letsel waargenomen: blauwe gezwollen wang rechts, slecht te openen mond, scheve onderkaak en bloedingen langs de tanden (naast de breuklijntjes). [6]
Beoordeling
Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de verdachte aangeefster heeft vastgepakt, met kracht naar de grond heeft gewerkt en haar vervolgens met kracht tegen het hoofd heeft geschopt. De verklaring van aangeefster vindt op essentiële onderdelen steun in de verklaringen van de getuigen. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte het slachtoffer met een harde trap in het gezicht of de nek raakte. Ook getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij zag dat de verdachte het slachtoffer met kracht op de grond gooide en haar vervolgens met een harde trap tegen de kaak schopte. Beide getuigen hebben de kracht van de trap beschreven als zeer fors.
De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verklaring ter zitting dat hij aangeefster weliswaar naar de grond heeft gewerkt, maar haar niet tegen het hoofd heeft geschopt en dat het letsel mogelijk door de val is ontstaan. Deze lezing vindt geen steun in de bewijsmiddelen en is niet verenigbaar met de verklaringen van aangeefster en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] .
Zwaar lichamelijk letsel
Voor bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde zware mishandeling is vereist dat er bij het slachtoffer sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) geeft een overzicht van de situaties waarin sprake is van zwaar lichamelijk letsel, waaronder onder meer de blijvende ongeschiktheid om ambtelijke of beroepsmatige werkzaamheden uit te oefenen. Ook buiten de gevallen beschreven in artikel 82 Sr Pro kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd, indien het letsel naar gewoon spraakgebruik als zodanig kan worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel van belang.
Aangeefster heeft als gevolg van het toegepaste geweld onder meer een dubbele kaakfractuur en een wond aan het achterhoofd opgelopen. Aangeefster is aan haar kaak geopereerd, waarbij vier titaniumplaatjes en meerdere schroeven zijn geplaatst. Gelet op de aard en ernst van het letsel, de noodzakelijke medische ingreep en het tijdelijke bewustzijnsverlies, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Opzet op zwaar lichamelijk letsel
De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is of de verdachte met zijn handelen opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat de verdachte aangeefster naar de grond heeft gewerkt en haar, terwijl zij zich in een weerloze positie op de grond bevond, vervolgens hard tegen het hoofd heeft geschopt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam is en dat een krachtige schop tegen het hoofd ernstig letsel kan veroorzaken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard aan kickboksen te doen, zodat hij zich ook uit dien hoofde bewust moet zijn geweest van de mogelijke ernstige gevolgen van een krachtige schop tegen het hoofd. Door aldus te handelen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Die kans heeft zich in dit geval daadwerkelijk verwezenlijkt. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de onder 1 primair zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Parketnummer
05.221121.25
De officier van justitie van het arrondissement Oost-Nederland heeft aan verdachte op 30 juli 2025 een gedragsaanwijzing opgelegd op grond van artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering voor de duur van 90 dagen. De gedragsaanwijzing houdt in dat verdachte in die periode zich dient te onthouden van contact met aangeefster [slachtoffer] . [7]
Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op 3 augustus 2025 via Snapchat meerdere berichten van verdachte heeft ontvangen. Volgens aangeefster waren deze berichten afkomstig van het bij haar bekende Snapchataccount ‘ [accountnaam] ’ van de verdachte, omdat zij ruim vóór het ingaan van het contactverbod vanaf datzelfde account al meerdere berichten had ontvangen van de verdachte. [8]
Bij het doen van haar aangifte heeft aangeefster haar Snapchataccount aan de verbalisant getoond. De verbalisant heeft waargenomen dat aangeefster op 3 augustus 2025 een Snapchatbericht had ontvangen van het account ‘ [accountnaam] ’. De verbalisant heeft gezien dat via dit account meerdere foto’s en videoberichten waren verzonden. De persoon die op deze beelden zichtbaar was, werd door de verbalisant herkend als de verdachte. Daarbij heeft de verbalisant betrokken dat hij verdachte in de onderhavige zaak als verdachte heeft gehoord en dat het signalement van de verdachte overeenkwam met de persoon die zichtbaar was op de via Snapchat verzonden foto’s en videobeelden. [9]
Daarnaast blijkt uit het onderzoek aan de in beslag genomen IPhone 12 van verdachte dat in de mailapplicatie een e-mailbericht van Team Snapchat is aangetroffen, gericht aan [e-mailadres] , waarvan verdachte heeft verklaard dat dit zijn Icloud e-mailadres is. [10] In dit bericht stond onder meer vermeld: ‘Hallo, [accountnaam] , het lijkt erop dat iemand op je account heeft ingelogd vanaf het toestel ‘IPhone 12’ op 5 juli, 2025, om 14:35 CEST. [11] ’ (De rechtbank beschouwt de vermelding ‘7’ achter ‘ [accountnaam] ’ als een kennelijke verschrijving). De rechtbank leidt hieruit af dat het Snapchataccount [accountnaam] aan verdachte was gekoppeld en door hem werd gebruikt.
De verdachte heeft ter zitting ontkend dat hij in strijd met het contactverbod contact heeft opgenomen met aangeefster. Hij heeft aangevoerd dat het Snapchataccount waarvan de berichten zijn verzonden weliswaar van hem is (geweest), maar dat hij daar al geruime tijd geen toegang meer toe had. Volgens de verdachte is het mogelijk dat zijn account is gehackt en dat de berichten door iemand anders zijn verstuurd.
De rechtbank acht deze verklaring onaannemelijk. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat een derde gebruik heeft gemaakt van het Snapchataccount of de IPhone 12 van verdachte. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die deze verklaring van de verdachte ondersteunen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging en leidt uit de hiervoor genoemde omstandigheden af dat de via het account ‘ [accountnaam] ’ verzonden berichten afkomstig waren van verdachte.
Conclusie
De rechtbank acht op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 3 augustus 2025 via Snapchat contact heeft opgenomen met aangeefster. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het handelen in strijd met de gedragsaanwijzing.

4.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
parketnummer
05. 222265.25
primair
hij op
of omstreeks29 juli 2025 te Arnhem aan een ander, te weten [slachtoffer] ,
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer]
- vast te pakken en
/ofop te tillen en
/of(vervolgens) op
/tegende grond te gooien
en/of te duwen, en
/of
-
meermaals, althans eenmaalmet kracht op of tegen het hoofd te
trappen/schoppen
en/of te slaan/stompen.
parketnummer
05. 221121.25
hij op
of omstreeks3 augustus 2025 in Nederland
opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering,
te weten de gedragsaanwijzing d.d. 30 juli 2025, gegeven door de officier van justitie te
arrondissement Oost-Nederland,
door [slachtoffer] via Snapchat
één ofmeerdere foto's en/of filmpjes te sturen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
In de zaak met
parketnummer 05. 222265.25
primair:
Zware mishandeling.
In de zaak met
parketnummer 05. 221121.25
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering.

6.De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar

7.De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

8.De overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, voor zover de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, verzocht rekening te houden met de positieve ontwikkeling die verdachte heeft ingezet. Om te voorkomen dat deze positieve ontwikkeling wordt doorkruist, heeft de raadsman verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan het voorarrest.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en aan het overtreden van een contactverbod. Verdachte heeft aangeefster met kracht naar de grond gewerkt en haar vervolgens, terwijl zij op de grond lag, tegen het hoofd geschopt. Door aldus te handelen heeft verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster en haar zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Voor aangeefster moet de zware mishandeling op 29 juli 2025 zeer beangstigend zijn geweest en de gevolgen ervan pijnlijk en ingrijpend. De rechtbank acht het daarbij zorgwekkend dat de verdachte, ondanks de naar aanleiding van de zware mishandeling aan hem opgelegde gedragsaanwijzing inhoudende een contactverbod, enkele dagen later opnieuw contact met aangeefster heeft opgenomen. Dat de berichten niet een bedreigende inhoud hadden, maakt dit niet anders. Het contactverbod strekte er immers toe ieder contact tussen verdachte en aangeefster te voorkomen. Door dit verbod te negeren heeft verdachte de belangen van aangeefster miskend en haar opnieuw geconfronteerd met zijn aanwezigheid. De overtreding van het ter bescherming van aangeefster opgelegde contactverbod heeft de persoonlijke levenssfeer en het veiligheidsgevoel van aangeefster aangetast.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
-het op de naam van verdachte gestelde uittreksel justitiële documentatie van 24 april 2026;
-een reclasseringsrapportage van 13 november 2025, opgemaakt door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland.
Uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten.
Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de reclassering het recidiverisico heeft ingeschat als gemiddeld. De relatie tussen betrokkene en aangeefster wordt gezien als een delictgerelateerde risicofactor. Uit het rapport blijkt dat betrokkene heeft aangegeven zelf geen hulpvraag te hebben maar wel open te staan voor begeleiding en interventies vanuit de reclassering, met als doel meer inzicht in zichzelf te krijgen. Zijn houding kan daarom als beschermende factor worden gezien. Verder lijkt betrokkene zijn leven grotendeels op orde te hebben. Hij beschikt over een woning, heeft recent een nieuwe baan gevonden en verkeert in een financieel stabiele situatie. De reclassering beschouwt zijn werk als een belangrijke beschermende factor, aangezien betrokkene gemotiveerd is deze baan te behouden. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Deze bijzondere voorwaarden bestaan uit een meldplicht bij de reclassering, deelname aan een gedragsinterventie gericht op agressiebeheersing, ambulante behandeling, een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod. Daarnaast dient verdachte mee te werken aan (verdiepings)diagnostiek bij Kairos dan wel een soortgelijke instelling.
Conclusie van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
De rechtbank acht, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder het door de verdachte toegepaste geweld en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, de oplegging van een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank ziet echter aanleiding om van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer is dan het voorarrest af te zien. Hierbij is gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, met name omdat teruggaan naar de gevangenis kan betekenen dat hij zijn woning en/of werk verliest. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte een schadevergoeding van ruim € 11.000, - aan het slachtoffer zal moeten betalen (zoals hierna nog wordt besproken), hetgeen sneller zal lukken als hij in vrijheid inkomen kan genereren. De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 223 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke strafdeel worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden, onder toezicht van de reclassering. Daarnaast zal aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren worden opgelegd, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Alles afwegend acht de rechtbank de genoemde straf passend en geboden.

9.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de zaak met parketnummer 05-222265-25 een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 18.101,40, bestaande uit € 101,40 aan materiële schade en € 18.000,- aan immateriële schade, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de immateriële schadevergoeding bij wijze van voorschot toe te wijzen.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk dient te worden toegewezen.
Met betrekking tot de materiële schade heeft de officier van justitie aangevoerd dat de kosten voor het schriftelijk opvragen van medische informatie, ter hoogte van € 101,40, voldoende zijn onderbouwd en daarom voor toewijzing in aanmerking komen.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie aangevoerd dat, gelet op de aard en ernst van het letsel, de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij en de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend (zoals verwerkt in de zogenoemde Rotterdamse schaal), een bedrag van € 14.000,- redelijk en billijk is. Volgens de officier van justitie komt dit bedrag daarom voor toewijzing in aanmerking.
De officier van justitie heeft de rechtbank daarom verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 14.101,40, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de gehele vordering. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij. Volgens de raadsman vergt de beoordeling van de omvang van die eigen schuld en de invloed daarvan op de hoogte van de immateriële schade, een nader onderzoek dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsman aangevoerd dat deze onvoldoende is onderbouwd, nu niet met stukken is aangetoond dat de benadeelde partij de in rekening gebrachte kosten daadwerkelijk heeft voldaan. Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij volgens de raadsman in de gehele vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank overweegt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade ter zake van het schriftelijk opvragen van medische informatie tot een bedrag van € 101,40 voldoende is onderbouwd en in zodanig verband staat met het bewezenverklaarde dat deze schade aan verdachte kan worden toegerekend. De vordering zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2026, zijnde de datum van de factuur voor het schriftelijk opvragen van medische informatie, tot aan de dag van volledige vergoeding.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien zij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in haar persoon is aangetast.
Op basis van de bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft door de zware mishandeling lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een dubbele kaakfractuur. De benadeelde partij heeft een operatie moeten ondergaan en is meerdere dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat daarnaast voldoende aannemelijk is geworden dat de aard en ernst van de normschending en de aard en ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat in dit geval aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Dit in aanmerking nemend en mede acht slaand op hetgeen in vergelijkbare gevallen aan schadevergoeding wordt toegewezen, acht de rechtbank een bedrag van € 11.000,- aan immateriële schadevergoeding billijk. De vordering zal tot dat bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2025, zijnde de datum waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag van volledige voldoening. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard en kan dit deel van de vordering als zij dat wenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 184a, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
240 dagen;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
223 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
drie jarenschuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
 legt op een taakstraf van
240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij
 veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 05-222265-25 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 101,40 aan materiële schade en € 11.000,- aan immateriële schade, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade
  • zijnde 29 juli 2025 ter zake van € 11.000,-;
  • zijnde 13 mei 2026 ter zake van € 101,40;
tot aan de dag dat het volledige bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schadevergoeding;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 11.101,40 aan materiele en immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2025 voor het bedrag van € 11.000,- respectievelijk 13 mei 2026 voor het bedrag van € 101,40 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan 90 (negentig) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. El Kadi (voorzitter), mr. C.H. van Breevoort- de Bruin en mr. W.H.S. Duinkerke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juni 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025361850, gesloten op 11 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte van 3 augustus 2025, p. 8.
3.De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 juni 2026.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 29 juli 2025, p. 51.
5.Proces-verbaal van verhoor getuide [getuige 2] 29 juli 2025, p. 53.
6.Medische informatie van 31 juli 2025, p. 44.
7.Gedragsaanwijzing van 30 juli 2025, p. 24.
8.Proces-verbaal van aangifte van 3 augustus 2025, p. 8.
9.Proces-verbaal van bevindingen van 5 augustus 2025, p. 20.
10.Proces-verbaal van verhoor verdachte van 6 augustus 2025, p. 55.
11.Proces-verbaal van bevindingen van 6 augustus 2025, p. 28.