Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4822

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
05/190798-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling militair voor mishandeling ex-partner, vernieling en diefstal met taakstraf en voorwaardelijke detentie

De rechtbank Gelderland heeft op 15 juni 2026 een 29-jarige militair veroordeeld voor het plegen van meerdere strafbare feiten tegen zijn toenmalige levensgezel. De feiten betreffen mishandeling, vernieling van eigendommen in de woning van de ex-partner en diefstal van een tablet. De mishandelingen vonden plaats over een periode van mei 2018 tot november 2024, waarbij ook geweld in het bijzijn van de kinderen werd vastgesteld.

De militaire kamer achtte het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn ex-partner heeft geduwd, geslagen en mishandeld, met uitzondering van het schoppen tegen het hoofd waarvoor onvoldoende bewijs was. Daarnaast werd bewezen dat hij de woning beschadigde door eieren te gooien en de vloer te besmeuren, en dat hij de iPad van de ex-partner zonder toestemming meenam en later terugbracht.

De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke militaire detentie van één maand met een proeftijd van drie jaar, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden zoals behandeling gericht op emotieregulatie en gezinshulpverlening. Tevens kreeg hij een taakstraf van 120 uur opgelegd, met een vervangende hechtenis van 60 dagen bij niet-naleving. De straf houdt rekening met de ernst van de feiten, de voorbeeldfunctie van de militair en het advies van de reclassering.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot één maand voorwaardelijke militaire detentie met bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 120 uur wegens mishandeling, vernieling en diefstal.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/190798-25
Datum uitspraak : 15 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats ] ,
wonende aan de [adres] te [woonplaats] .
raadsman: mr. A.W. Hoogland, advocaat in Den Helder.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 12 november 2024 in de gemeente Den Helder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten (zijn (ex-)partner) [aangeefster]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met kracht)
- op/tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor die [aangeefster] met haar hoofd tegen de verwarming/kachel is gevallen en/of
- ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met geschoeide voet (legerkisten) op/tegen het hoofd heeft geschopt en/of getrapt, terwijl die [aangeefster] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 november 2024 in de gemeente Den Helder [aangeefster] (ex-partner) heeft mishandeld, door die [aangeefster]
- op/tegen het lichaam te duwen, waardoor die [aangeefster] met haar hoofd tegen de verwarming/kachel is gevallen en/of
- ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met geschoeide voet (legerkisten) op/tegen het hoofd te schoppen en/of te trappen, terwijl die [aangeefster] op de grond lag;
2.
hij op of omstreeks 12 november 2024 in de gemeente Den Helder opzettelijk en wederrechtelijk de buitenzijde/voorzijde van en/of de vloer in de woning gelegen aan de [adres]
, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangeefster] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;
3.
hij op of omstreeks 12 november 2024 in de gemeente Den Helder een tablet (merk Apple, type IPad), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangeefster] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 mei 2018 tot en met 11 november 2024 in de gemeente Den Helder [aangeefster] , heeft mishandeld, door
- die [aangeefster] meermalen, althans eenmaal, op/tegen de armen te stompen en/of te slaan en/of in de armen te knijpen en/of
- die [aangeefster] meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam te duwen, waardoor die [aangeefster] ten val kwam en/of (vervolgens) met haar hoofd op/tegen het kozijn is gevallen en/of
- die [aangeefster] van/op de trap te duwen, waardoor die [aangeefster] ten val is gekomen en/of
- die [aangeefster] meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te duwen en/of te trappen en/of te schoppen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn (ex-)levensgezel;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde feiten, waarbij de officier van justitie ten aanzien van feit 1 heeft gesteld dat enkel het subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezen. Voor het onder feit 1 tenlastegelegde schoppen is onvoldoende wettig bewijs, waardoor verdachte voor dit deel van de tenlastelegging partieel moet worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, evenals voor het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde schoppen. Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de raadsman bepleit dat de weggenomen IPad van verdachte was en hij deze ook weer heeft teruggegeven aan aangeefster, waardoor verdachte ook van dit feit moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft tot slot ten aanzien van feit 4 bepleit dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het duwen tegen het kozijn en het duwen van de trap, omdat het procesdossier op dit punt – behoudens de verklaring van aangeefster – geen enkel ander bewijs bevat.
Beoordeling door de militaire kamer
Ten aanzien van feit 1:
Aangeefster [aangeefster] (verder: aangeefster) heeft verklaard dat verdachte op 12 november 2024 bij haar was en niet weg wilde gaan. Verdachte had die ochtend een appbericht gekregen van een vriend van hem waarin stond dat aangeefster seks had gehad met een andere man, waardoor verdachte heel boos werd. Verdachte is vervolgens vertrokken naar zijn werk. Toen aangeefster later die ochtend thuiskwam, hoorde zij verdachte schreeuwen vanuit haar huis. Aangeefster zag dat de deur van haar woning open ging en dat verdachte naar buiten kwam. Hij gooide eieren en schreeuwde scheldwoorden. Op het moment dat aangeefster de woning in wilde gaan, zag zij dat verdachte zich naar haar toe draaide en dat hij achter haar aan naar binnen kwam. Zij voelde dat verdachte haar duwde, waardoor zij tegen de kachel viel met haar hoofd. Aangeefster voelde dat verdachte tegen haar hoofd begon te schoppen en dat zij daarbij meerdere keren werd geraakt. Aangeefster heeft geroepen dat hij moest stoppen en weg moest. Ineens stopte het en ging verdachte weg. [2]
Getuige [getuige] (verder: [getuige] ) heeft verklaard dat zij fysiek letsel heeft waargenomen bij aangeefster naar aanleiding van de ruzie in november 2024. Aangeefster had [getuige] verteld, dat zij die dag door verdachte was geduwd, waardoor ze met de rechterzijde van haar hoofd tegen de radiator was gevallen. [getuige] zag en voelde bij aangeefster een flinke bult op haar hoofd. [3]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangeefster op 12 november 2024 heeft geduwd. [4]
Oordeel van de militaire kamer
Op basis van de voorgaande bewijsmiddelen stelt de militaire kamer vast dat verdachte aangeefster op 12 november 2024 een duw heeft gegeven, waardoor zij ten val is gekomen en haar hoofd heeft gestoten tegen de radiator. Aangeefster heeft hierdoor letsel opgelopen aan haar hoofd. De militaire kamer acht onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig om tot een wettig en overtuigende bewezenverklaring te komen ten aanzien van het verweten schoppen tegen het hoofd van aangeefster, gezien alleen aangeefster hierover heeft verklaard. De militaire kamer spreekt verdachte daarom partieel vrij voor dit deel van de tenlastelegging.
De militaire kamer is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De wijze waarop en de mate van kracht waarmee verdachte aangeefster heeft geduwd, zijn onbekend gebleven. Het dossier en verhandelde ter terechtzitting biedt daarnaast onvoldoende aanknopingspunten omtrent het de mate en ernst van het letsel van aangeefster. De militaire kamer spreekt verdachte daarom vrij van het primair tenlastegelegde. De militaire kamer acht wel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde mishandeling, met uitzondering van het schoppen.
Ten aanzien van feit 2:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , p. 83-84;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2026.
Ten aanzien van feit 3:
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte op 12 november 2024 twee uur nadat hij bij haar thuis was geweest screenshots naar haar stuurde van foto’s die op haar Ipad stonden. Aangeefster wist niet dat verdachte de Ipad had meegenomen. Aangeefster heeft verdachte per SMS laten weten dat hij haar Ipad terug moest brengen, waarop verdachte reageerde dat hij dan zijn eigen spullen opeiste. Diezelfde dag is verdachte teruggekomen en heeft hij de Ipad teruggegeven aan een vriend van aangeefster. [5]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de Ipad van aangeefster, die hij aan haar had gegeven, heeft meegenomen op 12 november 2024. [6]
Oordeel van de militaire kamer
Voor een veroordeling ter zake van diefstal van een aan een ander toebehorend goed als bedoeld in artikel 310 van Pro het Wetboek van Strafrecht, is vereist dat de verdachte het oogmerk had om wederrechtelijk, zonder toestemming van de eigenaar, over het weggenomen goed als heer en meester te beschikken. Het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening moet aanwezig zijn op het tijdstip van het wegnemen. Voorts is vereist dat de dader zich de feitelijke heerschappij over dat goed heeft verschaft dan wel dit aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken.
Verdachte heeft op 12 november 2024 de Ipad zonder toestemming van aangeefster weggenomen uit de woning. Pas later op de dag heeft verdachte deze Ipad, nadat hier door aangeefster om gevraagd werd, teruggegeven. Verdachte heeft hierdoor gedurende enige tijd de Ipad onttrokken aan de feitelijke heerschappij van aangeefster en daarover als heer en meester beschikt. Gelet hierop is de militaire kamer van oordeel dat het onder feit 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat verdachte de eigenaar is van de Ipad en er derhalve geen sprake is van wederrechtelijkheid, verwerpt de militaire kamer. Verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij de Ipad aan aangeefster en de kinderen had gegeven.
Ten aanzien van feit 4:
Aangeefster heeft verklaard dat zij van mei 2018 tot en met 2021 een relatie heeft gehad met verdachte. Tot eind 2018 verliep de relatie goed, daarna merkte aangeefster dat verdachte vaker boos werd en kregen zij ook veel ruzie. Tijdens deze ruzies begon verdachte aangeefster ook te slaan; hij sloeg haar met zijn vuisten op haar armen en hij kneep haar ook in haar armen. Verder duwde verdachte haar vaak met kracht waardoor zij ten val kwam. Aangeefster is in oktober 2019 met zo veel kracht door verdachte geduwd dat zij tegen het kozijn van de bijkeuken viel en waardoor zij met haar hoofd tegen het kozijn viel. Aangeefster had hierdoor blauwe plekken en zij heeft een wond opgelopen die gehecht moest worden. Op 15 juni 2024 schreeuwde verdachte tegen aangeefster toen zij zich boven in de woning aan het aankleden was. Op het moment dat aangeefster naar beneden ging, zag zij dat verdachte een paar treden naar boven liep en haar op het tussenbordesje van de trap duwde. Aangeefster viel hierdoor en zij kwam zittend op het bordes terecht. Vervolgens begon verdachte haar te slaan en te schoppen. Verdachte sloeg hierbij met zijn vuisten op haar hoofd en schopte tegen haar hoofd. Toen verdachte weg was heeft aangeefster alle deuren op slot gedaan, zodat verdachte niet meer naar binnen kon. Later die dag klom verdachte over de schutting, waarna hij via de tuindeur binnenkwam. Nadat hij met verschillende spullen had gegooid richtte verdachte zijn woede op aangeefster. Hij duwde haar met kracht en daarna sloeg hij haar. Aangeefster had hierdoor een bult op haar hoofd en blauwe plekken op haar armen en been. Op het moment dat dit gebeurde waren de kinderen thuis. In 2023, toen zij 38 weken zwanger was, werd verdachte boos omdat aangeefster de handdoeken niet goed had opgevouwen. Verdachte ‘flipte’ en heeft aangeefster toen geslagen en geschopt. Ook hiervan had aangeefster verschillende blauwe plekken op haar armen en benen. [7]
Door aangeefster zijn meerdere foto’s aan de Koninklijke Marechaussee (verder: KMar) toegestuurd waarop letsel te zien is, waaronder een hoofdwond die gehecht is en blauwe plekken op haar armen en benen. [8] De KMar heeft aan de hand van deze foto’s in combinatie met de aangifte en de aanvullende verklaringen van aangeefster een datering gemaakt. Hieruit volgt dat de foto van de hoofdwond hoort bij het incident eind 2018, toen zij tegen het kozijn werd geduwd. [9]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangeefster in hun relatie wel eens heeft gestompt, geslagen en geknepen, waaronder op/in haar arm. Ook heeft hij verklaard dat hij haar wel eens heeft geschopt en geduwd. [10]
Oordeel van de militaire kamer
Op basis van het voorgaande concludeert de militaire kamer dat de in de aangifte beschreven handelingen grotendeels door verdachte worden bekend. Ten aanzien van het duwen is hierbij opgemerkt dat verdachte zich niet (meer) kan herinneren wat het “neveneffect” van het duwen is geweest. De militaire kamer acht – gelet op de foto’s van het letsel – voldoende ondersteunend bewijs aanwezig dat aangeefster door de duw letsel heeft opgelopen, waaronder een hoofdwond die gehecht moest worden.
De militaire kamer acht gelet op al het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster, zijn toenmalige levensgezel, heeft mishandeld in de ten laste gelegde periode. De militaire kamer spreekt verdachte partieel vrij van het trappen dan wel het schoppen tegen het hoofd van aangeefster, nu verdachte dit heeft ontkend en de verklaring van aangeefster op dit punt niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel in het dossier.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. subsidiair
hij op
of omstreeks12 november 2024 in de gemeente Den Helder [aangeefster] (ex-partner) heeft mishandeld, door die [aangeefster]
- op/tegen het lichaam te duwen, waardoor die [aangeefster] met haar hoofd tegen de verwarming/kachel is gevallen
en/of
- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met geschoeide voet (legerkisten) op/tegen het hoofd te schoppen en/of te trappen, terwijl die [aangeefster] op de grond lag;
2.
hij op
of omstreeks12 november 2024 in de gemeente Den Helder opzettelijk en wederrechtelijk de buitenzijde/voorzijde van en
/ofde vloer in de woning gelegen aan de [adres]
, in elk geval enig goed, dat
/diegeheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangeefster] , toebehoorde
heeft vernield, beschadigd,onbruikbaar
heeftgemaakt;
3.
hij op
of omstreeks12 november 2024 in de gemeente Den Helder een tablet (merk Apple, type IPad),
in elk geval enig goed,dat
/diegeheel of ten dele aan [aangeefster] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
hij op
één ofmeer tijdstip
(pen
)in of omstreeks de periode van 01 mei 2018 tot en met 11 november 2024 in de gemeente Den Helder [aangeefster] , heeft mishandeld, door
- die [aangeefster] meermalen, althans eenmaal, op/tegen de armen te stompen en
/ofte slaan en
/ofin de armen te knijpen en
/of
- die [aangeefster] meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam te duwen, waardoor die [aangeefster] ten val kwam en
/of(vervolgens) met haar hoofd op/tegen het kozijn is gevallen en
/of
- die [aangeefster] van/op de trap te duwen, waardoor die [aangeefster] ten val is gekomen en
/of
- die [aangeefster] meermalen, althans eenmaal, op/tegen het hoofd en
/ofhet lichaam te slaan en
/ofte stompen en
/ofte duwen
en/of te trappen en/of te schoppen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn (ex-)levensgezel;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
mishandeling;
feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken;
feit 3:
diefstal;
feit 4:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot
een gevangenisstraf voor de duur van één maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de reclassering en voorts tot het verrichten van 120 uren taakstraf subsidiair 60 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de positieve stappen die verdachte tot nu toe heeft gezet, waaronder de agressieregulatie training die hij heeft gevolgd. Verder dient volgens de raadsman rekening te worden gehouden met het tijdsverloop, het feit dat zich sindsdien geen nieuwe incidenten meer hebben voorgedaan, zijn drukke baan en de omgang met de kinderen. Gelet hierop verzoekt de raadsman om aan verdachte een taakstraf van 30 uur op te leggen, waarvan de helft voorwaardelijk met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Een voorwaardelijke gevangenisstraf is volgens de raadsman niet op zijn plaats.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige partner, waarbij hij eveneens haar woning heeft beschadigd door rauwe eieren tegen de woning aan te gooien en de vloer van de woning te besmeuren en waarbij hij de Ipad van aangeefster heeft weggenomen. Gedurende de relatie heeft verdachte aangeefster op meerdere momenten mishandeld. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Dat de mishandelingen hebben plaatsgevonden in de woning van aangeefster, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten voelen, evenals dat het geweld heeft plaatsgevonden in het bijzijn van de kinderen, neemt de militaire kamer verdachte bijzonder kwalijk. Verdachte heeft zich bovendien ten onrechte geen rekenschap gegeven van de voorbeeldfunctie die hij heeft als militair.
Uit de justitiële documentatie van verdachte van 28 april 2026 blijkt dat aan verdachte in juli 2024 een strafbeschikking is opgelegd wegens het plegen van uitgaansgeweld.
De militaire kamer heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 31 maart 2026. De reclassering ziet het psychosociaal functioneren van verdachte als een risico voor delictgedrag. Ondanks dat verdachte stappen heeft gezet op gebied van zelfreflectie en agressiebeheersing, heeft de reclassering nog wel twijfels of verdachte in de toekomst in staat is om constructief te handelen, evenals of hij zijn zelf zijn emotieregulatie voldoende onder controle weet te houden wanneer zich in de toekomst wederom een incident voordoet. Het werk van verdachte en zijn netwerk worden door de reclassering aangemerkt als steunende factoren. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld. Door de reclassering wordt geadviseerd om aan verdachte een reclasseringstoezicht op te leggen met een meldplicht en een ambulante behandelverplichting, zodat kan worden ingezet op emotieregulatie en gezinshulpverlening.
De militaire kamer heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat dit ernstige strafbare feiten betreft. Gelet op de door de reclassering geschetste thans nog aanwezige problematiek acht de militaire kamer het van belang dat aan verdachte hiervoor de juiste hulp wordt geboden om recidive in de toekomst te voorkomen.
Alles afwegende is de militaire kamer – in overeenstemming met de eis van de officier van justitie – van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (meldplicht en ambulante behandeling) en een taakstraf voor de duur van 120 uren passend is.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 300, 304, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De militaire kamer:
 spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
militaire detentievoor de duur van
één (1) maand;
  • bepaalt dat deze militaire detentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start in overleg met de reclassering. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op emotieregulatie;
- veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door FamilySupporters, of een soortgelijke behandelaar, zolang de reclassering nodig acht. De begeleiding start in overleg met de reclassering. De begeleiding is gericht op gezinshulpverlening.
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 legt op een
taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende militaire detentie zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.H.M. Marijs (voorzitter), mr. Y. van Wezel, rechter en Kolonel mr. H.M. Stratenus, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juni 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, brigade Noord-Holland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27WN/25-002095, gesloten op 6 juni 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 83-84.
3.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 92.
4.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 juni 2026.
5.Proces-verbaal van aangifte, p. 83-85.
6.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 juni 2026.
7.Proces-verbaal van aangifte, p. 82-83.
8.Fotoblad, p. 63-75.
9.Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, nummer 016 en 017.
10.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 juni 2026.