Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4823

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
05/016533-26
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 243 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gekwalificeerde opzetverkrachting met dwang en geweld

Op 3 en 4 juli 2025 pleegde de verdachte in een uitgaansgelegenheid en later in een woning te [plaats] seksuele handelingen met een vrouw, de aangeefster, terwijl hij wist dat zij daartoe niet instemde. De rechtbank achtte de verklaring van aangeefster betrouwbaar en vond steun in appberichten, getuigenverklaringen en medische verslagen. De verdachte werd vrijgesproken van opzetaanranding wegens onvoldoende steunbewijs.

De rechtbank concludeerde dat sprake was van gekwalificeerde opzetverkrachting, voorafgegaan en vergezeld van dwang en geweld, waaronder het vastpakken van de keel, duwen tegen het aanrecht, en geforceerd oraal en vaginaal binnendringen. De verdachte negeerde herhaaldelijk verbale en non-verbale signalen van weerstand.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht en behandeling. Daarnaast werd een schadevergoeding van €38.719,- toegewezen, bestaande uit materiële schade en smartengeld. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, wegens gekwalificeerde opzetverkrachting met dwang en geweld en tot betaling van schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/016533-26
Datum uitspraak : 15 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] te [woonplaats] .
Raadsman: mr. P.L.O. van der Waarsenburg, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te [plaats] in een uitgaansgelegenheid ( [café] ), gelegen aan de [adres 2] , met een persoon, te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
het (tong)zoenen van die [aangeefster] en/of
het over de kleding betasten van haar borst(en) en/of
het onder de kleding betasten van haar borst(en) en/of het (met kracht) knijpen in haar tepel(s) en/of
het over de kleding wrijven over, althans betasten van haar vagina en/of schaamstreek,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door op het moment dat die [aangeefster] uit de toiletruimte kwam, plotseling op haar af te lopen en/of haar zonder waarschuwing bij de keel te pakken en/of haar (met kracht) tegen de muur te duwen/drukken en/of met de duim(en) haar luchtpijp dicht te drukken en/of
(daarbij) een of meerdere malen voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van weerstand/verzet van die [aangeefster] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 juli 2025 te [plaats] , in een uitgaansgelegenheid ( [café] ), gelegen aan de [adres 2] , met een persoon, te weten [aangeefster] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
het (tong)zoenen van die [aangeefster] en/of
het over de kleding betasten van haar borst(en) en/of
het onder de kleding betasten van haar borst(en) en/of het (met kracht) knijpen in haar tepel(s) en/of
het over de kleding wrijven over, althans betasten van haar vagina en/of schaamstreek,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak;
2.
hij in of omstreeks tussen 3 juli 2025 en 4 juli 2025 te [plaats] , in een woning gelegen aan de [adres 3] , met een persoon, te weten [aangeefster] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het (met kracht) (tong)zoenen en/of
het onder de kleding vastpakken en/of betasten van haar borst(en) en/of haar tepel(s) en/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in haar vagina en/of
het kussen en/of likken van haar vagina en/of
het (met kracht) brengen/duwen van zijn geslachtsdeel in haar mond en/of
het (met kracht) brengen/duwen van zijn geslachtsdeel in haar vagina,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door zich aan de [aangeefster] op te dringen en/of haar tegen het aanrecht aan de duwen en/of zonder enige waarschuwing en/of onverhoeds zijn vinger(s) in haar vagina de bregen/duwen en/of (vervolgens) haar hoofd vast te pakken en (met kracht) op, althans in de richting van zijn geslachtsdeel de duwen/drukken en/of haar hoofd vast te houden en tegelijkertijd haar hoofd op en neer te bewegen en een of meerdere keren (met kracht) naar beneden te drukken, waarbij zijn geslachtsdeel zo diep in de mond van die [aangeefster] kwam, dat zij moest kokhalzen en/of op het moment dat die [aangeefster] opstond en van verdachte weg wilde lopen, haar bij de heupen te pakken en/of haar een of meerdere malen naar beneden te trekken, teneinde haar vaginaal te kunnen penetreren en/of (daarbij) een of meerdere malen voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van weerstand/verzet van die [aangeefster] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks tussen 3 juli 2025 en 4 juli 2025 te [plaats] , in een woning gelegen aan de [adres 3] , met een persoon, te weten [aangeefster] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het (met kracht) (tong)zoenen en/of
het onder de kleding vastpakken en/of betasten van haar borst(en) en/of haar tepel(s) en/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in haar vagina en/of
het kussen en/of likken van haar vagina en/of
het (met kracht) brengen/duwen van zijn geslachtsdeel in haar mond en/of
het (met kracht) brengen/duwen van zijn geslachtsdeel in haar vagina,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair tenlastegelegde gekwalificeerde opzetaanranding en onder feit 2 primair gekwalificeerde opzetverkrachting.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Behoudens de verklaring van aangeefster bevat het dossier geen enkel ander ondersteunend bewijs. Ten aanzien van het onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft de raadsman bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van opzet. Verdachte had wel oplettender moeten zijn, zodat hij had opgemerkt dat aangeefster kennelijk niet wilde, waardoor het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde wel kan worden bewezen.
Beoordeling door de rechtbank
verklaring van aangeefster
Op 4 juli 2025 heeft aangeefster [aangeefster] (verder: aangeefster) in het informatief gesprek zeden verklaard dat zij de avond ervoor met verdachte in een restaurant in [plaats] was. Verdachte was een goede vriend van haar en hij had haar bij een aantal persoonlijke dingen fijn geholpen toen zij mentaal niet lekker in haar vel zat, waardoor ze hem vertrouwde. Ze hadden al vaker met elkaar gezoend, maar aangeefster had aangegeven dat ze de vriendschap belangrijker vond dan seks. Op een gegeven moment appte verdachte naar haar dat zij haar kink-grenzen moest aangeven. Ook appte hij haar dat zij zich gevingerd moest hebben voordat ze weg zouden gaan. Aangeefster antwoordde met ‘nee’. Toen aangeefster terugkwam van het toilet stond verdachte ineens in de gang. Hij pakte haar keel vast, zoende haar en vingerde haar met twee vingers. Ook betastte hij haar borsten over haar kleding heen. Ze zei tegen verdachte dat ze dit niet kon. Ondanks dat zij aangaf dat dit haar grens was, hem wegduwde en manoeuvreerde om hem bij haar weg te houden, deed hij het toch. Vervolgens is verdachte met haar mee naar huis gegaan. Hij zou blijven slapen en er zou geen seks zijn. Toen zij op de bank zat begon hij haar weer te kussen. Hij pakte haar hoofd en duwde die naar zijn penis; ze moest hem pijpen. Ze had op dat moment de tranen in haar ogen staan. Vervolgens moest ze opstaan, waarna hij haar weer op zich trok en waardoor zijn penis in haar vagina ging. Aangeefster heeft hierna haar badjas aangedaan en is op bed gaan liggen. Toen zij huilde gaf verdachte aan dat het niet zijn bedoeling was geweest. Hierna heeft aangeefster twee vrienden van haar gebeld. Eén van deze vrienden heeft haar geadviseerd om verdachte weg te sturen. Aangeefster heeft verdachte toen weggestuurd. Hij wilde eerst niet weggaan, maar is uiteindelijk wel gegaan. [2]
Op 10 september 2025 heeft aangeefster bij de politie verklaard dat zij op 3 juli 2025 had afgesproken met verdachte om ergens op een terras een drankje te doen. Aangeefster was begonnen met het gebruik van antidepressiva en verdachte was verbaasd dat aangeefster zo goed in haar vel zat. Op enig moment begon hij met opmerkingen als:
“misschien is het wel leuk om iets nieuws uit te proberen op seks gebied”. Ook zei hij dat ze haar kinkgrenzen moest aangeven en dat hij de baas zou zijn. Verdachte zou bepalen wat er met haar zou gebeuren. Aangeefster heeft gedaan alsof ze dit niet hoorde en zij heeft hier niet op gereageerd. Aangeefster wist waar verdachte toe in staat was: seks, en daarom had ze niet veel gedronken. Zij had nooit direct ‘nee’ gezegd, maar verdachte had graag de overhand in die situaties. Hierdoor had ze een soort angst opgebouwd. Toen ze zich hadden verplaatst naar een ander café en verdachte en aangeefster tegenover elkaar zaten, stuurde verdachte haar een bericht waarin hij vroeg of hij bij haar kon slapen omdat hij niet alleen wilde zijn die avond. Aangeefster is hierna naar beneden in het café naar de toilet gegaan. Op het moment dat zij terugliep kwam verdachte in de gang ineens op haar af. Zonder waarschuwing greep hij haar met zijn linkerhand bij haar keel, duwde haar tegen de muur en duwde met zijn duim haar luchtpijp dicht. Vervolgens zoende hij haar heel dwingend. Aangeefster deinsde terug en gaf tegendruk, waarbij zij probeerde om verdachte van zich af te duwen bij zijn heupen. Verdachte ging gewoon door en hij ging met zijn rechterhand over haar rechterborst en over haar vagina. Hij ging ook met zijn hand vanaf de bovenkant in haar shirt. Hij kneep zo hard in haar tepel dat het pijn deed. Hierna wreef hij over haar vagina, dit was over de kleding heen. Verdachte stopte en aangeefster was overweldigd. Ze zei dat het geen gewenst gedrag was, ze zei: ‘wat maak je me nu’. Verdachte deed alsof hij haar niet hoorde en hij liep terug naar de tafel. Voor ze naar huis gingen stuurde verdachte via Whatsapp naar aangeefster dat hij wilde dat ze zich minstens één keer zou vingeren voordat ze weggingen. Hij stuurde ook nog dat zij van hem was en dat ze haar kinkgrenzen moest aangeven. Onderweg naar huis maakte verdachte een seksopmerking, waarop aangeefster zei dat ze dacht het niet te willen. Ze zei dat het geen zekere ja was, maar ook geen zekere nee.
Thuis wilde ze een glaasje water pakken en stond met haar rug naar hem toe. Verdachte draaide haar om en begon haar heel erg uitgebreid, met kracht en opdringerig te zoenen. Hij duwde haar tegen het aanrecht bij haar heupen. Hij ging vervolgens door met zijn handen over haar borsten in haar shirt en greep met zijn rechterarm haar rechter tepel vast. Hierna trok hij haar broek en onderbroek tegelijkertijd naar beneden en duwde opeens – zonder waarschuwing – twee vingers in haar vagina. Dit deed pijn. Aangeefster zei dat ze moest plassen en is naar de wc gelopen waar zij heeft overgegeven, omdat ze misselijk werd van de pijn. Toen ze terugkwam zuchtte ze diep en zei tegen verdachte:
"Ik kan dit niet", waarop hij zei:
“oke het is goed”.
Toen zij wederom een glaasje water ging pakken begon hij haar weer te zoenen. Aangeefster deinsde terug en stootte daarbij haar hoofd tegen het keukenkastje. Ze had op dat moment geen broek meer aan en hij begon haar vagina te kussen en te likken. Hij stopte even en keek haar aan, waarbij hij iets in de richting zei van:
“vind je het goed als ik dit doe?”. Aangeefster had het gevoel dat het op dit punt niet uitmaakte wat ze zei, hij zou pas stoppen als hij was klaargekomen. Ze dacht: zolang het maar om mij blijft draaien en dit zei ze hardop. Hierop ging verdachte door. Aangeefster heeft zijn hoofd met twee handen weggeduwd en zei dat hij moest stoppen, ze zei dat ze het niet fijn vond en het niet wilde. Hierop zijn ze samen op de bank gaan zitten. Toen ze op de bank gingen zitten had aangeefster zich een beetje aangekleed en verdachte had zich uitgekleed. Hij droeg alleen nog zijn blouse. Vervolgens zei hij:
“ [aangeefster] , kijk eens naar mijn geslachtsdeel”, maar ze keek niet. Hij pakte toen onverwacht haar hoofd, deed zijn linkerhand in haar haren en forceerde haar hoofd en mond op zijn geslachtsdeel. Verdachte bewoog haar hoofd op en neer en zette soms kracht bij, zodat zijn piemel dieper in haar keel kwam en waardoor ze bijna moest kokhalzen. De tranen liepen op dat moment over haar wangen. Hierna ging hij met zijn linkerhand naar haar vagina. Aangeefster manoeuvreerde zich in houdingen en posities, zodat hij niet bij haar vagina kon. Uiteindelijk kon hij er wel bij. Hij zette zijn vingers tegen haar clitoris aan. Dit vond ze zo vervelend dat ze haar nagels in zijn bovenbeen zette. Verdachte tilde hierop haar hoofd omhoog en hij zag dat ze huilde. Ze zei dat dit haar grens was, waarop hij zei:
“oke, oke”. Aangeefster zei dat ze niet wilde dat hij haar aanraakte, waarop verdachte antwoordde dat dit goed was. Toen ze opstond en naar de andere kant van de keuken liep pakte hij haar heupen met beide handen vast en trok haar naar beneden, ze zag dit niet aankomen. Terwijl hij dat deed schoof hij haar onderbroek opzij en schoof zijn piemel in haar vagina. Aangeefster begon meteen te huilen. Hij zei dat ze moest proberen om op te staan. Elke keer als zij dit probeerde, hield hij haar tegen en trok hij haar terug, waardoor zij met haar vagina op en neer ging over zijn piemel. Toen het haar lukte om op te staan, zei ze huilend dat dit haar grens was. Aangeefster is vervolgens naar buiten gelopen en heeft twee vrienden gebeld, maar die namen niet op. Toen ze terugkwam lag verdachte in haar bed en zei tegen haar:
“sorry, het was niet mijn bedoeling, ik weet niet wat me bezielde”.Op het moment dat één van haar vrienden, [getuige 1] , terugbelde stortte ze in. Hierna heeft ze verdachte weggestuurd. Op het moment dat [getuige 1] bij haar thuis aankwam stortte ze weer in, ze begon te hyperventileren, te schreeuwen en te huilen.
Toen aangeefster op een later moment contact had met verdachte gaf hij toe dat het verkeerd was en dat hij wist dat het strafbaar was. Hij vertelde dat hij zijn eigen psycholoog had gesproken en dat hij had overwogen om zichzelf aan te geven. Ook had hij gevraagd of verdachte het fijn vond als hij uit [plaats] zou verhuizen. Aangeefster heeft verklaard dat zij en verdachte al eerder seks hadden gehad. Als ze dan ‘nee’ zei, dan stopte hij wel, maar later probeerde hij het toch nog eens. Op die manier rekte hij haar grenzen een beetje op. Nu weet ze honderd procent zeker dat ze wel haar grenzen heeft aangegeven. Verdachte wist ook van haar problematiek. Aangeefster heeft moeite met emotieregulatie. Zij is depressief en verdachte was lange tijd de enige bij wie zij terecht kon. [3]
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en dus voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
De rechtbank concludeert dat het dossier twee lezingen bevat die van elkaar verschillen; die van verdachte en van aangeefster. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster in beginsel betrouwbaar is; zij heeft gedetailleerd verklaard en zij is in haar verklaringen consistent over wat er gebeurd zou zijn, de manier waarop dit is gegaan, waar dit is gebeurd en de emotie die dit alles bij haar teweeg heeft gebracht. Bovendien komt haar verklaring de rechtbank authentiek voor. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs
Het bewijs dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd kan, gelet op het bepaalde in artikel 342, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ertoe de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat zij de rechtbank verbiedt tot een bewezenverklaring te komen indien de feiten en omstandigheden waarover een aangever verklaart op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Volgens de Hoge Raad betekent de bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv Pro in zedenzaken, waarin het in de kern vaak gaat om het woord van aangever tegen dat van de verdachte, niet dat vereist is dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer die verklaring op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. De bewijsmiddelen dienen voldoende steun te geven aan de verklaring van aangever (getuige). Dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring van die getuige, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.
Als het aanvullend bewijsmateriaal alleen is aan te merken als een onderbouwing van de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster, geeft deze daaraan in het licht van artikel 342, lid 2, Sv onvoldoende steun. Dat geldt bijvoorbeeld als het aanvullend bewijs bestaat uit een ‘de auditu’-verklaring, inhoudende een weergave van wat de ‘bron’ aan de betrokken getuige heeft verteld. Indien een verklaring van een getuige daarentegen (mede) een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van de aangeefster op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of vlak daarna, kan die waarneming voldoende steunbewijs opleveren voor het bewezenverklaarde.
De vraag die de rechtbank aldus moet beantwoorden, is of de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in ander bewijs.
Aangeefster heeft via Whatsapp het volgende gesprek met verdachte:
“3 juli 2025 om 23:10:35 uur (UTC+0) verdachte: Slaap ik bij jou?
3 juli 2025 om 23:10:48 uur (UTC+0) aangeefster: Ja oeh
3 juli 2025 om 23:10:48 uur (UTC+0) aangeefster: Isg
3 juli 2025 om 23:10:53 uur (UTC+0) aangeefster: Sjezus autocorrect
3 juli 2025 om 23:11:26 uur (UTC+0) verdachte: Dan ben je van mij bereid je maar vast voor
3 juli 2025 om 23:12:14 uur (UTC+0) verdachte: Geef zelf maar je kink grenzen aan want ik doe met je wat ik wil.
3 juli 2025 om 23:14:09 uur (UTC+0) verdachte: Ik wil ook dat je jezelf 1x vingert voor we hier weg zijn.
3 juli 2025 om 23:23:52 uur (UTC+0) aangeefster: Neh
4 juli 2025 om 03:41:19 uur (UTC+0) verdachte: Heey dit is het aller aller aller slechtste moment om dit te vertellen. Maar ik wilde melatonine nemen (wat een slaap medicatie is) en ik heb perongeluk adhd medicatie genomen. Zoveel dat ik in het ziekenhuis moet blijven en ter observatie op de ic lig. Dit is geen bericht voor medelijden ik heb een eenorme stomme fout gemaakt en dat had ik niet moeten doen. Ik hoop dat we er morgen over kunnen praten en ik hoop dat ik ooit sorry mag zeggen voor vannacht.
(…)
4 juli 2025 om 05:10:54 (UTC+0) verdachte: Het spijt me zo erg. Dit was echt niet men bedoeling. Kunnen we vandaag even bellen?” [4]
Getuige [getuige 1] (verder: [getuige 1] ) heeft verklaard dat hij bij aangeefster langsging toen ze verdachte net had weggestuurd. Aangeefster had [getuige 1] die nacht gebeld. Ze had hem uitgelegd wat er was gebeurd en ze was in paniek en heel verdrietig. Na het telefoontje is [getuige 1] naar aangeefster toegegaan. Ze had haar jas aan en ze was onder het bureau gaan zitten, ze was in paniek en aan het huilen. Aangeefster vertelde dat ze op het terras zat met verdachte en vrienden van hem en dat hij de hele avond aan het aansturen was op seks. Uiteindelijk zijn verdachte en aangeefster naar haar kamer gegaan. Ze waren aan het zoenen, waarop aangeefster op een gegeven moment had aangegeven dat het klaar was en dat hij haar grens overging. Verdachte had zijn broek toen al uit. Hij heeft haar hierna op zich getrokken, op zijn piemel. Aangeefster vertelde [getuige 1] dat het heel vervelend was, ze noemde het een ‘kut-ervaring’. Ze uitte haar ongenoegen en ze vond het heel heftig en ingrijpend. Ze is nog gaan douchen omdat ze zich heel vies voelde. [5]
Getuige [getuige 2] (verder: [getuige 2] ) heeft verklaard dat aangeefster hem op 4 juli 2025 om 02:21 uur heeft geprobeerd te bellen. De volgende ochtend hadden ze appcontact, waarbij [getuige 2] had aangegeven haar die dag nog te bellen. Om 11:18 uur vroeg ze hoe laat hij wilde bellen, want: “het is kutnieuws, i dont know of je er tijd voor hebt, kun je misschien komen, ik ben niet oke.” Vervolgens is [getuige 2] naar haar toe gegaan. [getuige 2] is de rest van de dag bij haar gebleven omdat ze niet alleen wilde zijn. Aangeefster was die dag niet echt aanwezig. Ze vertelde wat er was gebeurd met veel details, maar alsof het iemand anders was gebeurd. [6]
Uit de gespreksverslagen van de psychologen en psychiater van GGZ Momentum zorg blijkt dat aangeefster op 4 juli 2025 heeft verteld dat ze die ochtend was verkracht bij haar thuis door een vriend. Ze had herhaaldelijk gezegd dat ze niet wilde, dat hij over haar grens ging en dat hij moest stoppen. Hij had haar bij haar keel gegrepen en haar gedwongen om hem oraal te bevredigen en hij heeft haar vervolgens gedwongen tot vaginale seks. Door de hulpverleners is vervolgens contact gezocht met het Centrum Seksueel Geweld om informatie te krijgen over welke vervolgstappen aangeefster zou kunnen nemen. In het gespreksverslag staat beschreven dat het in wisselende mate lukt om contact te krijgen met aangeefster. Emoties wisselen, ze is zichtbaar emotioneel en huilt. Aan het eind van het gesprek is ze zichtbaar overspoeld en lukt het steeds moeilijker om contact met haar te maken.
In het gespreksverslag van 8 juli 2025 staat beschreven dat aangeefster de gebeurtenissen zo veel mogelijk probeert te vermijden en er niet aan te denken. Doen alsof het iemand anders is overkomen is voor haar een manier om er mee om te kunnen gaan. Aangeefster heeft te kennen gegeven dat ze nog nauwelijks slaapt. Wanneer wordt stilgestaan bij de verkrachting, geeft aangeefster aan dat ze er niet mee bezig is en zich goed voelt, maar haar gedrag laat iets anders zien: ze automatiseert (de rechtbank leest: automutileert) meer, snijden en ook branden met een aansteker, en braakt meerdere keren per avond. Sinds 4 juli 2025 is dit flink toegenomen. [7]
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 3 juli 2025 seks heeft gehad met aangeefster. Op enig moment heeft hij haar ook bij haar heupen gepakt en naar beneden getrokken. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij bekend is met de problematiek van aangeefster. [8]
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de appjes heeft gestuurd op 4 juli 2025. De seks die hij met aangeefster had was experimenteel van aard. Er was regelmatig sprake van een dominante vorm van seksueel contact vanuit de kant van verdachte. In de vormen van seks die zij hadden ging het ook om grenzen opzoeken. Op de avond van 3 juli 2025 benadrukte aangeefster dat zij zich goed voelde. Verdachte heeft verklaard dat wanneer aangeefster zich goed voelde, zij vaak ook wel wat wilde proberen op seksueel vlak. Verdachte heeft onvoldoende signalen opgevangen dat aangeefster niet wilde. Hij heeft niet gezien dat ze huilde en hij heeft niet opgeslagen dat ze meerdere keren haar grens heeft aangegeven; hij dacht dat aangeefster het ook wilde. [9]
Conclusie ten aanzien van feit 1:
Verdachte heeft ontkend dat hij – toen ze bij café Opera zaten – achter aangeefster aan naar beneden is gegaan en aldaar seksuele handelingen heeft verricht. Weliswaar ziet de rechtbank geen reden om aan de verklaring van aangeefster te twijfelen, maar haar verklaring over feit 1 vindt geen steun in enig ander bewijsmiddel. Hierdoor wordt niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Tegen de getuigen heeft aangeefster ook alleen verklaard over hetgeen zich heeft afgespeeld vanaf het moment dat aangeefster met verdachte bij haar thuis was. De rechtbank is aldus van oordeel dat het bewijsminimum niet wordt gehaald en spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 1 tenlastegelegde.
Conclusie ten aanzien van feit 2:
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster op belangrijke onderdelen steun vindt in de appberichten die op 3 en 4 juli 2025 door verdachte naar aangeefster zijn gestuurd. Verdachte appt dat zij haar kinkgrenzen moet aangeven, maar ook – nadat hij door aangeefster bij haar thuis is weggestuurd – dat hij een enorme fout heeft gemaakt, dat het niet had mogen gebeuren en dat hij sorry wil zeggen voor de betreffende nacht. Daarnaast vindt de verklaring van aangeefster steun in de getuigenverklaringen van [getuige 1] en van [getuige 2] . Beide hebben kort na het tenlastegelegde contact gehad met aangeefster, waarbij [getuige 1] diezelfde nacht bij aangeefster paniek en verdriet heeft waargenomen en [getuige 2] de hele dag bij haar is gebleven omdat aangeefster niet alleen wilde zijn. Toen ze aan hem vertelde wat er was gebeurd deed ze dit alsof het iemand anders was overkomen. Deze emoties zijn ook terug te lezen in de gespreksverslagen van GGZ Momentum. Door de psycholoog en de psychiater, die eveneens kort na het tenlastegelegde contact met aangeefster hebben gehad, is waargenomen dat ze zichtbaar emotioneel was en dat aangeefster de gebeurtenissen zoveel mogelijk probeerde te vermijden door te doen alsof het iemand anders was overkomen. Daarbij komt dat de verklaring van aangeefster tevens steun vindt in de verklaring van verdachte zelf, waarbij hij heeft verklaard dat hij seks heeft gehad met aangeefster en uit eerdere seksuele contacten en het gegeven dat ze goed in haar vel zat die avond heeft opgemaakt dat zij ook deze avond wel weer wilde experimenteren op seksueel gebied.
Gelet op de verklaring van aangeefster, gezien in onderling verband en in samenhang met de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de tenlastegelegde handelingen, hebben plaatsgevonden.
Dwang?
Om tot een bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting ex artikel 243 lid 2 Sr Pro te komen moet worden vastgesteld dat sprake was van dwang. Dat is het geval als de opzetverkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van opzetverkrachting vergezeld door dwang. Verdachte heeft aangeefster tegen het aanrecht geduwd en haar opdringerig gezoend, hij heeft haar broek uitgetrokken en onverhoeds zijn vingers in haar vagina geduwd, eenmaal op de bank heeft verdachte onverwachts haar hoofd vastgepakt en geforceerd op zijn geslachtsdeel, om vervolgens haar hoofd heen en weer te bewezen over zijn geslachtsdeel, waarbij hij soms kracht bijzette zodat hij nog dieper in haar mond ging. Toen aangeefster later weg wilde lopen heeft verdachte haar onverwachts naar beneden getrokken, zijn geslachtsdeel in haar vagina gedaan en gezegd dat zij weer omhoog moest komen. Toen zij dit probeerde, trok hij haar weer naar beneden, zodat een op- en neergaande beweging ontstond tussen het geslachtsdeel van verdachte en de vagina van aangeefster. Aangeefster heeft op meerdere momenten, zowel verbaal als non-verbaal kenbaar gemaakt dat ze niet wilde en dat verdachte over haar grens heenging. Verdachte reageerde hier aanvankelijk wel op maar ging vervolgens door en telkens voorbij aan haar signalen van weerstand. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van opzetverkrachting vergezeld van dwang en geweld.
Ontuchtig?
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de door verdachte verrichtte handelingen ontuchtig zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord, nu de handelingen seksueel van aard zijn en naar hun aard, zeker onder de geschetste omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, zonder meer in strijd zijn met de in de maatschappij geldende sociaal-ethische normen. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat aangeefster kwetsbaar was en last had van psychische problematiek, van welke omstandigheden verdachte op de hoogte en zich dus bewust was.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 2 primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in
de nacht vanof omstreeks tussen3 juli 2025 en 4 juli 2025 te [plaats] , in een woning gelegen aan de [adres 3] , met een persoon, te weten [aangeefster] ,
een of meerseksuele handelingen die
bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het (met kracht) (tong)zoenen en
/of
het onder de kleding vastpakken en
/ofbetasten van haar borst(en) en
/ofhaar tepel
(s)en
/of
het brengen/duwen van zijn vinger(s) in haar vagina en
/of
het kussen en
/oflikken van haar vagina en
/of
het (met kracht) brengen/duwen van zijn geslachtsdeel in haar mond en
/of
het (met kracht) brengen/duwen van zijn geslachtsdeel in haar vagina,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd
voorafgaan door,vergezeld van
en/of gevolgd doordwang
engeweld
en/of bedreiging,door zich aan de [aangeefster] op te dringen en
/ofhaar tegen het aanrecht aan de duwen en
/ofzonder enige waarschuwing
en/ofonverhoeds zijn vinger(s) in haar vagina de brengen/duwen en
/of (vervolgens
)haar hoofd vast te pakken en (met kracht) op
, althans in de richting vanzijn geslachtsdeel de duwen/drukken en
/ofhaar hoofd vast te houden en tegelijkertijd haar hoofd op en neer te bewegen en een of meerdere keren (met kracht) naar beneden te drukken, waarbij zijn geslachtsdeel zo diep in de mond van die [aangeefster] kwam, dat zij moest kokhalzen en
/ofop het moment dat die [aangeefster] opstond en van verdachte weg wilde lopen, haar bij de heupen te pakken en
/ofhaar
een ofmeerdere malen naar beneden te trekken, teneinde haar vaginaal te kunnen penetreren en
/of (daarbij
) een ofmeerdere malen voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van weerstand/verzet van die [aangeefster] .
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2, primair:
Opzetverkrachting vergezeld van dwang en geweld.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot
een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd om aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te koppelen, zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om een contactverbod met aangeefster aan verdachte op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting. Verdachte was een goede vriend van aangeefster, iemand die zij vertrouwde en waarop zij kon terugvallen bij lastige momenten. Omdat er eerder seksueel contact had plaatsgevonden en aangeefster volgens verdachte goed in haar vel zat ging hij er vanuit dat zij ook nu dit seksueel contact wilde. Verdachte is totaal voorbij gegaan aan de wensen van aangeefster en haar afwijzende en afhoudende houding. Hij heeft enkel de bevrediging van zijn eigen seksuele lusten vooropgesteld. Dit alles heeft plaatsgevonden in de eigen kamer van aangeefster, een plek waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen. Verdachte heeft met zijn handelen haar lichamelijke en psychische integriteit ernstig geschonden, dit terwijl verdachte wist van de problematiek van aangeefster en de kwetsbare positie waarin zij daardoor verkeerde. Dat zijn handelen diepe impact op aangeefster heeft gehad is ook gebleken uit de ter zitting door aangeefster voorgelezen slachtofferverklaring. De rechtbank acht het extra kwalijk dat verdachte op geen enkele manier verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.
Uit het strafblad van verdachte van 28 april 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 11 mei 2026. De reclassering concludeert dat geen sprake lijkt te zijn van een pro-criminele houding, maar wel van onmacht, waarbij verdachte andermans grenzen mogelijk niet goed weet in te schatten en/of te lezen. Verdachte is gediagnosticeerd met een stoornis in het autismespectrum en met ADHD.
De reclassering ziet een relatie tussen het alcoholgebruik van verdachte en het tenlastegelegde feit. Volgens de reclassering lijkt sprake te zijn van seksuele deviantie voor wat betreft wurgseks, wat volgens de reclassering risico’s met zich meebrengt; onder invloed van alcohol vervagen verdachtes grenzen en remmingen. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag-gemiddeld. Bij een veroordeling adviseert de reclassering om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandelverplichting.
Gelet op hetgeen hiervoor over de ernst van het feit is overwogen, concludeert de rechtbank dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank – anders dan de officier van justitie – één feit minder bewezen acht. Het zwaartepunt ten aanzien van de strafoplegging ligt voor de rechtbank echter bij het onder feit 2 bewezenverklaarde. De rechtbank legt aan verdachte een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op, omdat de rechtbank het van belang acht dat verdachte aan de slag gaat met de hulpverlening.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangeefster] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 32.466,05 aan materiële schade en € 18.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft voorts verzocht om de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde toekomstige schade
niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat omdat ook sprake is van andere psychische problematiek bij de benadeelde partij uit de vordering niet duidelijk blijkt dat de studievertraging is ontstaan door het bewezenverklaarde feit. Verder heeft de verdediging gesteld dat er geen bevestiging is voor het gegeven dat de benadeelde partij vier maanden niet in haar woning heeft verbleven.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat de schadeposten onvoldoende inhoudelijk zijn betwist. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot materiële schadevergoeding in zijn geheel kan worden toegewezen. Verdachte is over deze schadepost wettelijke rente verschuldigd met ingang van de datum van dit vonnis.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door de bewezen gekwalificeerde opzetverkrachting schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. Door de verkrachting en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan die conclusie rechtvaardigen. De nadelige gevolgen van de bewezen verklaarde verkrachting liggen zo voor de hand dat daarvan aangenomen kan worden dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen en met de Rotterdamse schaal. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 8.500,- vaststellen. De rechtbank zal de vordering tot smartengeld voor het meerdere niet-ontvankelijk verklaren.
Verdachte is vanaf 4 juli 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 243 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij SVG Novadic-Kentron reclassering op het adres Rompertsebaan 12, 5231 GS te ’s-Hertogenbosch (telefoonnummer: 073-6409696);
2. veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een (forensische) polikliniek ggz of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk na het onherroepelijke vonnis. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
3. veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [aangeefster] (geboren op [geboortedatum 2] 2003). De politie houdt toezicht op de naleving van dit contactverbod;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de onder 1 en 2 genoemde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 30.219,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2026 en € 8.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025, tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [aangeefster] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangeefster] , een bedrag te betalen van € 38.719,- aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 over een bedrag van
€ 8.500,- en 15 juni 2026 over een bedrag van € 30.219,- tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 187 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.H. van Laethem (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en
mr. H.M. Stratenus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juni 2026.
mr. Van Laethem is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] , van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025316640, gesloten op 16 januari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 9-11.
3.Proces-verbaal van aangifte, p. 20-27.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 32-49.
5.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 77-81.
6.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 82-85.
7.Proces-verbaal van bevindingen, p. 86-95.
8.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 116-125.
9.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van d.d. 1 juni 2026.