Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4827

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
05/047543-26
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 241 SrArt. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gekwalificeerde opzetaanranding en verboden wapenbezit

De rechtbank Gelderland heeft op 15 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 56-jarige man die werd verdacht van gekwalificeerde opzetaanranding van twee vrouwen en het overtreden van de Wet wapens en munitie. De feiten vonden plaats in de garage van verdachte, waar hij de vrouwen onvrijwillig aanraakte en intimideerde met een vuurwapen.

De rechtbank achtte de verklaringen van de slachtoffers betrouwbaar, mede ondersteund door getuigenverklaringen, camerabeelden en het aantreffen van het vuurwapen op de door de slachtoffers genoemde locatie. Verdachte handelde onverhoeds en maakte gebruik van dwang en bedreiging, waardoor de opzetaanranding wettig en overtuigend bewezen werd verklaard.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 16 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht en een contact- en locatieverbod. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van materiële en immateriële schadevergoedingen aan de slachtoffers, vermeerderd met wettelijke rente, en werd het vuurwapen en de munitie onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en betaling van schadevergoedingen wegens gekwalificeerde opzetaanranding en verboden wapenbezit.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/047543-26
Datum uitspraak : 15 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] (Turkije),
wonende aan de [adres] te [woonplaats] .
Raadslieden: mr. S. Celik en E. Yilmaz, advocaten in Lent.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 5 september 2025 te [plaats] met een persoon, te weten [aangever 1] ,
een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van de borsten en/of de billen van die [aangever 1] en/of
- het kussen van de nek van die [aangever 1] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- een vuurwapen en/of kogelpatronen aan die [aangever 1] te laten zien en/of
- voornoemde seksuele handelingen te verrichten terwijl die [aangever 1] tegen een balie aan stond en/of terwijl hij, verdachte, dicht voor/bij haar stond, waardoor zij in haar bewegingsvrijheid werd beperkt en/of
- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [aangever 1] daarmee te overrompelen en/of
- voornoemde seksuele handelingen te verrichten terwijl hij en die [aangever 1] zich bevonden in zijn, verdachtes, verlaten bedrijfspand en/of
- ( aldus) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie voor die [aangever 1] te creëren dat zij zich niet, althans onvoldoende aan voornoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 september 2025 tot en met 6 september 2025 te [plaats]
- een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, merk Norinco, model NP 28, kaliber 9x19 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 12 kogelpatronen, kaliber 9x19 mm, voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 10 juli 2025 te [plaats] met een persoon, te weten [aangever 2] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het kussen van de nek van die [aangever 2] en/of
- het omhelzen van die [aangever 2] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever 2] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- voornoemde seksuele handelingen te verrichten terwijl hij die [aangever 2] van achteren omhelsde en/of vasthield bij haar heupen, waardoor zij in haar bewegingsvrijheid werd beperkt en/of
- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [aangever 2] daarmee te overrompelen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat de verklaring van [aangever 1] op een aantal punten onbetrouwbaar is en voorts dat er geen steunbewijs is voor de meest belastende onderdelen van haar verklaring, waardoor verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat verdachte ook ten aanzien van het onder feit 3 aan hem tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Verdachte betwist dat hij [aangever 2] heeft gekust of op seksuele wijze heeft omhelsd, van de ten laste gelegde handelingen is geen sprake geweest en het ontbreekt aan steunbewijs. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van feit 1 en feit 3
[aangever 1]
Op 6 september 2025 kwam vroeg in de ochtend een melding binnen bij de politie met het verzoek om naar het adres van [aangever 1] (verder: [aangever 1] ) te gaan. [aangever 1] vertelde aan de verbalisant dat zij op 5 september 2025 haar auto naar Garage [plaats] , gelegen aan de [adres] te [plaats] , had gebracht. [aangever 1] vertelde dat [verdachte] , de eigenaar van de garage (verder: verdachte) aan haar had gezeten en haar bang had gemaakt. [aangever 1] zei dat ze alleen met verdachte in een ruimte was en dat hij dichtbij haar kwam staan, haar aanraakte op haar billen en dat hij over haar rug wreef. Verdachte wilde haar verschillende ruimtes laten zien en zij was met hem meegelopen naar boven via de trap links in de ruimte naast de receptie. Boven had verdachte haar een vuurwapen laten zien. Hij had haar ook laten zien dat hij een magazijn in het vuurwapen deed. Toen hij een handeling met het wapen deed, hoorde zij een klik. [aangever 1] wist niet helemaal zeker waar verdachte het wapen vandaan had gehaald, maar ze dacht dat dit achter een tas in een kast was. [aangever 1] vertelde dat verdachte haar daarna kusjes in haar nek gaf en met zijn hand onder haar shirtje ging, waarbij hij haar borsten aanraakte. [2]
Op 8 september 2025 heeft [aangever 1] verklaard dat zij op 5 september 2025 tussen 16:30 uur en 18:30 uur in de garage van verdachte in [plaats] was voor een reparatie aan haar auto. Op het moment dat [aangever 1] een formulier moest invullen, ging verdachte over haar rug heen wrijven. Verdachte stond naast haar en hij deed zijn arm om haar heen en drukte haar een beetje tegen zich aan. Verdachte vroeg aan [aangever 1] waarom zij zo slank was en zij hadden het over of zij veel sportte. [aangever 1] vertelde dat ze ’s nachts veel wandelde. Verdachte vroeg hierop of [aangever 1] dan nooit bang was, waarop [aangever 1] vertelde over een situatie die haar was overkomen, waarbij een man een mes gepakt had. Verdachte zei toen dat hij iets moest laten zien. Toen ze boven kwamen in het kantoor zei verdachte dat in het kantoor nooit iemand kwam en dat dit zijn eigen kantoor was. Hij liet vervolgens aan [aangever 1] een pistool zien en zei dat zij dit nooit aan iemand mocht vertellen. Verdachte deed ook kogels aan de onderkant in het pistool. Vervolgens deed hij nog iets waarop er een klik te horen was. Hierna heeft verdachte het pistool weer teruggelegd in de kast. Verdachte heeft hierna alle ruimtes aan [aangever 1] laten zien. Toen hij dit deed, bleef hij over haar rug heen wrijven. Hij heeft ook over haar kont gewreven en hij gaf haar kusjes in haar nek of op haar hoofd. Op het moment dat [aangever 1] over de autobrug liep, viel ze bijna. Toen ze er al af was, tilde verdachte haar zonder reden op. Verdachte kwam voor [aangever 1] staan toen zij met haar rug tegen de balie stond en gaf haar een langere kus in haar nek aan de rechterzijde. Verdachte ging daarna met zijn hand onder haar trui en wreef met zijn hand over haar rechterborst. Omdat verdachte heel dicht tegen haar aanstond kon zij niet veel. Verdachte legde zijn hoofd vervolgens op haar schouder en zei dat [aangever 1] lekker rook. Verdachte zei dat [aangever 1] het moest zeggen wanneer het te veel werd, maar doordat zij kort daarvoor het wapen had gezien en het feit dat verdachte sterker was dan zij, heeft zij daar niet echt op gereageerd. [3]
Aantreffen wapen
Op 6 september 2025 heeft de politie op het kantoor bovenin de garage van verdachte in een kast die afgesloten kon worden met twee deuren een vuurwapen aangetroffen. Bij dit vuurwapen waren twee houders, met in beiden meerdere kogelpatronen aanwezig. [4]
Getuigenverklaring
[begeleider] (verder: [begeleider] ), werkzaam als begeleider van [begeleiding], heeft verklaard dat [aangever 1] een cliënt van hen is. Hij had op vrijdag (de rechtbank begrijpt op 5 september 2025) bereikbaarheidsdienst voor [begeleiding]. [aangever 1] belde op met paniek en angst in haar stem, ze was op dat moment aan het terugrijden naar huis. [aangever 1] sprak heel snel en ze vertelde dat ze dacht dat ze achtervolgd werd. [aangever 1] vertelde dat ze in een autogarage was geweest en dat ze daar in contact was geweest met een medewerker. De medewerker was heel lief tegen haar en had haar ook aangeraakt en kusjes gegeven op de wang. Op de vraag waarom zij bang was en angst had, gaf [aangever 1] aan dat de man haar een pistool met kogels had laten zien. Ze vond het lastig om dit tegen [begeleider] te vertellen, omdat ze had beloofd het niet te delen. Toen ze de indruk kreeg dat ze niet meer achtervolgd werd, werd ze wat rustiger en ook verderop in het gesprek ging het beter met haar. [aangever 1] sprak uit dat ze bang was door het zien van het wapen. [5]
Beelden
Door de politie zijn de camerabeelden van de garage van 5 september 2025 uitgekeken. Op de beelden is te zien dat verdachte een aantal lampen in de garage uitdoet en dat hij zijn rechterarm om de schouder van [aangever 1] doet, waarna ze samen de ruimte uitlopen. In een andere ruimte is te zien dat verdachte [aangever 1] van dichtbij benaderde, waarbij zijn hoofd richting de schouder van [aangever 1] gaat en zij haar hoofd afwendt. Vervolgens is te zien dat [aangever 1] op de brug van de garage ging staan, verdachte naar haar toe loopt en haar van de brug tilt. Hierbij is te zien dat hij haar ter hoogte van haar bovenbenen vastpakt. Hierna is te zien dat beide personen de ruimte uitlopen en verdachte zijn rechterhand op de schouder van [aangever 1] legt.
Op een ander fragment is te zien dat verdachte en [aangever 1] in beeld komen, waarbij verdachte zijn rechterarm om haar schouder heeft en haar aait over haar blote rechterschouder. Te zien is dat zij samen weglopen, een donkere ruimte in. Ze komen deze ruimte ook weer samen uitlopen, waarbij te zien is dat zij beide dicht tegen elkaar aan liepen. [6]
Verklaring verdachte
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [aangever 1] voor reparatie aan haar auto bij hem in de garage is geweest. Hij heeft haar de verschillende ruimtes in de garage laten zien, ook het kantoor boven. Boven zag [aangever 1] zijn pistool in de openstaande kast. Verdachte heeft verklaard dat hij [aangever 1] heeft opgetild bij de brug in de garage en dat hij later zijn hand op haar schouder heeft gelegd. [7]
De beoordeling van het bewijs:In alle strafzaken dienen aangiftes kritisch, zorgvuldig en behoedzaam te worden bezien. Dit geldt temeer in zedenzaken, waarin doorgaans geen verklaringen voorhanden zijn van getuigen die bij de tenlastegelegde handelingen aanwezig zijn geweest en daarover uit eigen waarneming kunnen verklaren. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verklaring van [aangever 1] betrouwbaar is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en overweegt hierover als volgt. [aangever 1] heeft kort na het voorval melding gemaakt bij de politie van hetgeen haar was overkomen. Zowel in het eerste gesprek met de politie op 6 september 2025, als in haar verhoor op 8 september 2025 heeft zij telkens op hoofdlijnen consistent verklaard. De rechtbank acht het hierbij van belang dat zij niet alleen heeft verklaard over de handelingen die plaatsvonden, en de manier waarop dit gebeurde, maar ook over het moment en de plaats in de garage waar het gebeurde. Daarnaast wordt de verklaring van [aangever 1] ondersteund door de verklaring van [begeleider] die angst en paniek bij [aangever 1] in haar stem heeft waargenomen en ook tegen hem in grote lijnen hetzelfde verklaard. Dit telefoongesprek met [begeleider] vond plaats op het moment dat zij vanaf de garage terug naar huis reed. Verder is op de beelden te zien dat verdachte haar oppakt bij haar bovenbenen, hij zijn arm om haar heen heeft en [aangever 1] haar hoofd afwendt op het moment dat verdachte zijn hoofd naar haar toe beweegt. De rechtbank acht ook de eigen verklaring van verdachte ondersteunend aan de aangifte. Verdachte heeft verklaard dat hij [aangever 1] de garage heeft laten zien, dat [aangever 1] het kantoor heeft gezien en dat hij haar bij haar bovenbenen heeft vastgepakt bij de brug, evenals dat hij zijn hand op haar schouder heeft gelegd. Tot slot wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door het feit dat ook het wapen waarover [aangever 1] heeft verklaard de volgende dag is aangetroffen op de plek zoals deze door haar werd omschreven.
Opzetaanranding
Aan verdachte is (gekwalificeerde) opzetaanranding ten laste gelegd. Opzetaanranding heeft betrekking op situaties waarin de dader opzettelijk de ontbrekende wil bij de ander negeert of voor lief neemt. Daarbij kan sprake zijn van ‘vol’ opzet of – de ondergrens van de opzetvariant – voorwaardelijk opzet. In dat laatste geval is de dader zich bewust van de mogelijkheid dat bij de ander de wil ontbreekt, maar heeft hij de keuze gemaakt dat te negeren. Daarmee heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de desbetreffende seksuele handelingen plaatsvinden terwijl bij de ander de wil daartoe ontbreekt. Het ontbreken van de wil kan worden bewezen als wordt vastgesteld dat het slachtoffer ten tijde van het seksueel contact die seksuele handelingen niet op prijs heeft gesteld en dit op enigerlei wijze (non-)verbaal tot uiting heeft gebracht.
Er is sprake van gekwalificeerde opzetaanranding als er seksuele handelingen worden verricht met een persoon en verdachte weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt en deze opzetaanranding is voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging. Gelet op de bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank de gekwalificeerde opzetaanranding wettig en overtuigend bewezen.
[aangever 1] kwam bij verdachte in zijn garage voor een reparatie aan haar auto. Hij was voor [aangever 1] een totaal onbekende, veel oudere, man die bij haar handelingen heeft verricht die geenszins passen in de relatie van een garagehouder tot zijn klant. Verdachte heeft – nadat hij aan [aangever 1] een wapen heeft laten zien – haar op meerdere momenten onverhoeds benaderd, waarbij hij zijn arm om haar heen heeft geslagen, haar heeft vastgepakt bij haar bovenbenen, dicht tegen haar aan is gaan staan, kusjes heeft gegeven in haar nek en onder haar shirt over haar borsten is gegaan met zijn handen. Door [aangever 1] was geen enkele toestemming en/of aanleiding gegeven om tot deze handelingen over te gaan. Nadat verdachte bovendien het wapen aan [aangever 1] had laten zien, was door hem ook een dusdanig bedreigende situatie gecreëerd dat [aangever 1] zich niet meer durfde te verzetten en/of te onttrekken aan de situatie.
Tussenconclusie
De rechtbank kwalificeert deze handelingen als opzetaanranding, voorafgegaan door of vergezeld van dwang. Al het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat er meer dan voldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster en dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden.
[aangever 2]
Op 10 juli 2025 heeft [aangever 2] (verder: [aangever 2] ) melding gemaakt bij de politie van aanranding. [aangever 2] was diezelfde dag met haar auto ter reparatie naar het garagebedrijf van verdachte gegaan. Verdachte zei al vrij snel dat hij iets met de prijs kon doen, hij gunde haar dit omdat ze al veel pech zou hebben gehad met de auto. Omdat de reparatie langer duurde dan verwacht, vroeg verdachte aan haar of ze de garage wilde zien. [aangever 2] stemde hiermee in omdat ze in de veronderstelling was dat hij dit wilde doen omdat ze zo lang moest wachten op de reparatie van haar auto. Verdachte had haar de onder- en bovenverdieping van de garage laten zien. Op het moment dat [aangever 2] met verdachte naar beneden liep voelde zij dat ze ineens van achter werd vastgepakt en geknuffeld. Verdachte pakte haar om haar schouders en gaf haar een kus in haar nek. Later pakte verdachte [aangever 2] ook nog vast bij haar heupen. [8]
Op 9 september 2025 heeft [aangever 2] aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij met haar auto naar Garage [plaats] was gegaan. Zij heeft ongeveer anderhalf uur bij de garage gezeten. Vanaf het begin was hij al erg aanrakerig. Hij pakte haar bij de heupen of bij haar schouder als hij langs [aangever 2] liep. Het begon toen verdachte achter de balie stond en tegen haar zei dat ze even mee moest kijken, waarop [aangever 2] ook achter de balie naast hem kwam staan. Op het moment dat hij daarna achter haar langsliep, pakte hij haar heupen vast met zijn handen. [aangever 2] denkt dat dit wel drie keer is gebeurd. Hij pakte haar ook een aantal keren bij haar schouder. Elke keer als hij langs haar liep raakte hij haar aan.
Toen verdachte aan [aangever 2] een aircopomp wilde laten zien die nog in de auto zat en zij voorover stond om deze te bekijken, ging verdachte heel dicht achter haar staan, zij voelde zijn lichaam daarbij tegen haar billen. Verdachte vroeg of hij haar de garage moest laten zien. Ze zijn hierbij ook naar boven gelopen. Toen [aangever 2] zich omdraaide en weer naar beneden wilde lopen, pakte verdachte haar vast en gaf haar een knuffel. Hij deed zijn
armen om haar bovenlijf en gaf haar ineens een zoen in haar nek. Doordat [aangever 2] achteruit stapte, stopte verdachte met kussen. Hij zei dat, omdat [aangever 2] zoveel pech had met haar auto, hij haar wel zou matsen en dat het wel goed kwam. [aangever 2] liep naar beneden omdat het niet fijn voelde, zij stond helemaal te trillen. Nadien heeft [aangever 2] haar ouders en haar zusje gebeld om te vertellen wat er was gebeurd. [9]
Getuige [getuige] (verder: getuige [getuige] ), de zus van [aangever 2] , heeft verklaard dat haar zus haar gelijk had gebeld. Haar zus vertelde dat zij haar auto had laten maken en dat de man in de garage haar een kus had gegeven in haar nek en handtastelijk was geworden. Hij had ook gezegd dat hij iets met de kosten kon regelen. Getuige [getuige] vertelde dat haar zus heel verdrietig en boos was. Haar zus had haar verteld dat zij zich heel vies voelde, omdat een oude man dit bij haar had gedaan. [10]
De beoordeling van het bewijs:
De rechtbank is van oordeel dat de aangiftes van [aangever 1] en [aangever 2] tegen dezelfde verdachte vergelijkbare ontuchtige handelingen bevatten die in een vergelijkbare context hebben plaatsgevonden en elkaar over en weer, ook in bewijstechnische zin, ondersteunen. Mede om die reden kan de verklaringen van [aangever 2] betrouwbaar worden geacht. Uit de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2] blijkt dat de werkwijze van verdachte (de modus operandi) tijdens het bezoek van beide aangeefsters aan het garagebedrijf van verdachte op belangrijke punten gelijkenis vertoond. Het gaat telkens om vrouwen die aanzienlijk veel jonger waren dan verdachte. Verdachte liet hen in beide gevallen op eigen initiatief de garage zien. Hij kwam in beide gevallen op meerdere momenten dicht bij hen staan toen ze bij de balie stonden, hij raakte de billen aan en gaf hen kusjes in de nek en knuffelde hen. Zowel [aangever 1] als [aangever 2] hebben geen enkele aanleiding en/of toestemming gegeven voor het verrichten van deze handelingen. In beide gevallen valt het onverhoeds handelen van verdachte op. Uit het niets raakt hij hen aan, pakt hij hen vast of geeft hij hen kusjes.
Daarnaast wordt de aangifte van [aangever 2] ondersteund door de verklaring van haar zus. [aangever 2] heeft gelijk na het tenlastegelegde feit contact opgenomen met de politie en verteld wat haar was overkomen. Vervolgens heeft zij op een later moment aangifte gedaan, waarbij zij een grotendeels vergelijkbare verklaring heeft afgelegd. [aangever 2] heeft ook gelijk nadat het gebeurd was haar zus verteld wat er was gebeurd, waarbij haar zus verdriet en boosheid heeft waargenomen bij [aangever 2] .
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van dwang door het aanwenden van overwicht en onverhoeds handelen. Verdachte is aanzienlijk ouder dan [aangever 2] en hij had als eigenaar van de autogarage waar [aangever 2] haar auto ter reparatie had aangeboden ook overwicht. Terwijl aangeefster wachtte op de reparatie van haar auto en verdachte haar onderdelen liet zien, heeft hij haar op meerdere momenten aangeraakt; zij werd hierdoor overvallen en er was geen sprake van vrijwilligheid of instemming van [aangever 2] voor de verrichte handelingen. Hierdoor is er sprake van onverhoeds handelen. Dat verdachte opzet had op het ontuchtige karakter van de aan hem tenlastegelegde handelingen blijkt volgens de rechtbank uit het aantal ongepaste aanrakingen. De rechtbank ziet hierin redenen om aan te nemen dat de handelingen met opzet zijn gepleegd en niet per ongeluk gingen.
Conclusie
De rechtbank kwalificeert de bewezenverklaarde handelingen ten aanzien van [aangever 2] ook als opzetaanranding, voorafgegaan door of vergezeld van dwang. Al het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat feit 1 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Ten aanzien van feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf, p. 49-51;
- het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 68-81;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks5 september 2025 te [plaats] met een persoon, te weten [aangever 1] ,
een of meerseksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het betasten van de borsten en
/ofde billen van die [aangever 1] en
/of
- het kussen van de nek van die [aangever 1] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd
voorafgegaan door,vergezeld van
en/of gevolgd doordwang
, gewelden
/ofbedreiging, door
- een vuurwapen en
/ofkogelpatronen aan die [aangever 1] te laten zien en
/of
- voornoemde seksuele handelingen te verrichten terwijl die [aangever 1] tegen een balie aan stond en
/ofterwijl hij, verdachte, dicht voor/bij haar stond, waardoor zij in haar bewegingsvrijheid werd beperkt en
/of
- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en
/ofdie [aangever 1] daarmee te overrompelen en
/of
- voornoemde seksuele handelingen te verrichten terwijl hij en die [aangever 1] zich bevonden in zijn, verdachtes,
verlatenbedrijfspand en
/of
-
(aldus
)een zodanig
bedreigende en/ofbeangstigende situatie voor die [aangever 1] te creëren dat zij zich niet,
althans onvoldoendeaan voornoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken;
2.
hij
op een of meer tijdstippenin
of omstreeksde periode van 5 september 2025 tot en met 6 september 2025 te [plaats]
- een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, merk Norinco, model NP 28, kaliber 9x19 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een
geweer, revolver en/ofpistool en
/of
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 12 kogelpatronen, kaliber 9x19 mm, voorhanden heeft gehad;
3.
hij op
of omstreeks10 juli 2025 te [plaats] met een persoon, te weten [aangever 2] ,
een ofmeer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het kussen van de nek van die [aangever 2] en
/of
- het omhelzen van die [aangever 2] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever 2] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd
voorafgegaan door,vergezeld
van en/of gevolgddoor dwang,
geweld en/of bedreiging,door
- voornoemde seksuele handelingen te verrichten terwijl hij die [aangever 2] van achteren omhelsde en
/ofvasthield bij haar heupen, waardoor zij in haar bewegingsvrijheid werd beperkt en
/of
- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en
/ofdie [aangever 2] daarmee te overrompelen.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 en feit 3:
telkens
Opzetaanranding voorafgegaan door of vergezeld van dwang
feit 2:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie terwijl het feit wordt begaan met een vuurwapen van categorie III (pistool)
en
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (munitie)

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot
een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij een strafoplegging rekening moet worden gehouden met de onderneming van verdachte die in belangrijke mate draait op zijn persoonlijke aanwezigheid. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal zeer ingrijpende gevolgen voor verdachte hebben. De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een straf moet worden opgelegd die hem niet uit zijn stabiele maatschappelijke positie haalt, zodat zijn onderneming kan voortbestaan en zijn gezin niet disproportioneel wordt geschaad.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich tijdens zijn werk als eigenaar van een autogarage schuldig gemaakt aan opzetaanranding van twee jonge vrouwen die met hun auto ter reparatie bij het bedrijf van verdachte kwamen. Verdachte heeft jegens hen onverhoeds en grensoverschrijdend gehandeld door hen aan te raken bij de borsten en de billen en hen te kussen. Verdachte heeft voor dit alles geen verantwoordelijkheid genomen. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Dit soort gedragingen vormen een aantasting van de lichamelijke integriteit en het gevoel van veiligheid en de slachtoffers kunnen daarvan, zoals ook in dit geval, onder andere uit de schriftelijke slachtofferverklaring is gebleken, veel last van hebben.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vuurwapenbezit. Het voorhanden hebben van een vuurwapen is verboden en bijzonder gevaarzettend. Het argument van verdachte dat het vuurwapen slechts ter afschrikking zou dienen, doet daar niets aan af.
Uit de justitiële documentatie van verdachte van 28 april 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 22 mei 2026. Hieruit volgt dat de reclassering bij een bewezenverklaring de leefgebieden dagbesteding en houding als direct delictgerelateerde factoren aanmerkt ten aanzien van het vuurwapenbezit. Het is voor de reclassering gelet op de proceshouding ten aanzien van de overige twee tenlastegelegde feiten niet mogelijk om verbanden te leggen tussen de leefgebieden en het delictgedrag. Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van deze feiten, dan zijn volgens de reclassering mogelijk het psychosociaal functioneren en de houding delictgerelateerd en risicoverhogend. Door de reclassering wordt geconcludeerd dat op praktisch gebied voldoende stabiliteit aanwezig is. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Hierbij wordt echter wel de kanttekening geplaatst dat de reclassering zich afvraagt of zij een volledig beeld hebben verkregen van de seksualiteit van verdachte en of hij voldoende openheid van zaken heeft gegeven op dit vlak. Bij een bewezenverklaring heeft verdachte zijn delictgedrag geminimaliseerd en zich weinig reflectief getoond, door het af te doen als een misverstand, hetgeen de reclassering zorgen baart. Door de reclassering wordt geadviseerd om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. Een plan van aanpak met reclasseringsbemoeienis wordt noodzakelijk geacht.
Gezien de ernst van het feit is het uitgangspunt het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank vindt het van belang dat een duidelijk signaal naar verdachte wordt afgegeven dat dergelijk gedrag ontoelaatbaar is. Alles overwegend acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

Vordering benadeelde partij [aangever 1]
De benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 107,27 aan materiële schade en € 1.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat deze een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert. De benadeelde partij was voor het tenlastegelegde al bekend met psychische problematiek, waardoor er vragen zijn over de causaliteit tussen het feit en de gestelde aanwezige problematiek.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is na de aangifte van de benadeelde partij aangehouden. Op het moment dat de benadeelde partij hoorde dat verdachte daarna was vrijgelaten was zij angstig, omdat verdachte over haar adresgegevens beschikte. Gelet op de omstandigheden waaronder het feit heeft plaatsgevonden, waarbij verdachte een vuurwapen aan de benadeelde partij heeft getoond, acht de rechtbank het voorstelbaar dat zij een deurbelcamera heeft aangeschaft om haar gevoel van veiligheid daarmee te waarborgen. De schadepost is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Ditzelfde geldt voor de gemaakte reiskosten. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de gevraagde materiële schade (€ 50,51) kan worden toegewezen.
Verdachte is vanaf 5 september 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank zal de benadeelde partij het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering van de materiële schade. De rechtbank acht de schadepost met betrekking tot het eigen risico onvoldoende onderbouwd.
Immateriële schade
Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder andere indien sprake is van aantasting in de persoon. Opzetaanranding valt daar onmiskenbaar onder. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen en met de Rotterdamse schaal. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.500,- vaststellen.
Verdachte is vanaf 5 september 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Vordering benadeelde partij [aangever 2]
De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met feit 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6,43 aan materiële schade en
€ 1.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat kritisch moet worden gekeken naar de hoogte van de ingediende vordering, omdat deze grotendeels gebaseerd is op de eigen beleving van de benadeelde partij.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadepost is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de gevraagde materiële schade kan worden toegewezen.
Verdachte is vanaf 10 juli 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd
Immateriële schade
Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder andere indien sprake is van aantasting in de persoon. Opzetaanranding valt daar onmiskenbaar onder. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen en met de Rotterdamse schaal. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.000,- vaststellen.
Verdachte is vanaf 10 juli 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De beoordeling van het beslag

Standpunten
De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen wapen en de munitie aan het verkeer te onttrekken. Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman geen opmerkingen gemaakt.
De rechtbank zal beslissen dat het in beslag genomen vuurwapen (omschrijving:
PL0600-2025430594-BZAQ5246, Norincho 9mm) en de munitie (omschrijving:
PL0600-2025430594-BZAQ5248, mec-gar thl 9.19 mm en PL0600-2025430594-BZAQ5250, 9x19 mm JNJ) met betrekking tot welke feit 2 is begaan, worden onttrokken aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 241van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 van de Wet wapens en munitie.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van zestien (16) maanden;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten zes (6) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
2. veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel als mogelijk is. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan een delictanalyse en diagnostiek onderdeel van de behandeling zijn;
3. veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [aangever 1] (geboren op [geboortedatum] 1999) en met [aangever 2] (geboren op [geboortedatum] 2005). De politie houdt toezicht op de naleving van dit contactverbod;
4. veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet bevindt in een straal van 500 meter rondom de woning van [aangever 1] , aan de [adres] in [plaats] . De politie houdt toezicht op de naleving van dit locatieverbod.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de onder 1 en 2 genoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 50,51 aan materiële schade en € 1.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [aangever 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag te betalen van € 1.550,51 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 15 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 6,43 aan materiële schade en € 1.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag te betalen van € 1006,43 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 10 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het vuurwapen (PL0600-2025430594-BZAQ5246, Norincho 9mm) en de munitie (PL0600-2025430594-BZAQ5248, mec-gar thl 9.19 mm en PL0600-2025430594-BZAQ5250, 9x19 mm JNJ.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. Stratenus (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. J.J.H. van Laethem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juni 2026.
mr. Van Laethem is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ONRBC25656/RIETGANS, gesloten op 12 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 152-153.
3.Proces-verbaal van aangifte [aangever 1] , p. 155-161.
4.Proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf ( [adres] [plaats] ), p. 49-51.
5.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 174-176.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 185-188.
7.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 juni 2026.
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 195.
9.Proces-verbaal van aangifte, p. 198-200.
10.Aanvullend proces-verbaal van bevindingen (PL0600-2025327279-6).