Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4843

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
520299125
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 bis SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie en werkstraf voor medeplegen poging afpersing met discriminatoir oogmerk en openlijk geweld

De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder medeplegen van een poging tot afpersing met discriminatoir oogmerk, openlijk geweld in vereniging en het bezit van verboden wapens zoals een nepvuurwapen, gaspistool, knalvuurwerk en een stroomstootwapen.

De feiten betreffen onder meer een incident op 2 juli 2025 in Apeldoorn waarbij verdachte samen met medeverdachten een man benaderde die zij via een datingapp hadden leren kennen. Zij bedreigden en mishandelden het slachtoffer met een vuurwapen en probeerden hem te dwingen zijn telefoon af te geven. Tevens werd het slachtoffer beledigd vanwege zijn seksuele geaardheid, wat het discriminatoir oogmerk onderstreept.

Daarnaast was verdachte betrokken bij openlijk geweld op 30 juni 2025 tegen een ander slachtoffer en werd in zijn woning illegaal vuurwapenbezit en gevaarlijk vuurwerk aangetroffen. De rechtbank achtte de tenlasteleggingen wettig en overtuigend bewezen en legde een deels voorwaardelijke jeugddetentie van 108 dagen op, met een werkstraf van 150 uur. De rechtbank benadrukte de ernst van de discriminatie en het gevaar van het bezit van wapens en vuurwerk.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 108 dagen jeugddetentie (waarvan 90 voorwaardelijk) en 150 uur werkstraf voor medeplegen poging tot afpersing met discriminatoir oogmerk, openlijk geweld en verboden wapenbezit.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummers: 05/202991-25 en 05/331729-24
Datum uitspraak : 9 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. R.S.F. ten Kortenaar, advocaat in Baarn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 05/202991-25
1.
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever 1] en/of een derde toebehoorde(n)
- met een bivakmuts en/of scooterhelm, althans met gezichtsbedekkende kleding, richting die [aangever 1] is gerend,
- die [aangever 1] meermalen, althans eenmaal, op of tegen zijn lichaam heeft geslagen en/of
geschopt,
- die [aangever 1] de woorden “vieze homo” toe heeft gevoegd, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking,
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [aangever 1] heeft
gericht,
- tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat hij op de grond moest gaan liggen, dat hij moest
luisteren en/of dat het vuurwapen geladen was, althans woorden van soortgelijke aard en/of
strekking,
- heeft getracht een touw om het lichaam van die [aangever 1] te binden en/of
- tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat hij zijn telefoon af moest geven, althans woorden van
soortgelijke aard en/of strekking,
terwijl dit feit werd gepleegd in de openbaarheid, zijnde in een park in de gemeente Apeldoorn en terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en/of bestond uit, werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door een of meer gedragingen die haat tegen en/of discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst en/of levensovertuiging, hun geslacht, hun seksuele gerichtheid en/of hun handicap tot uitdrukking brachten;
subsidiair:
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te Apeldoorn, in / nabij park Zuidbroek, in elk geval openlijk,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- het met een bivakmuts en/of scooterhelm, althans met gezichtsbedekkende kleding, rennen in
de richting van die [aangever 1] ,
- het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of schoppen op of tegen het lichaam van die [aangever 1]
,
- het aan die [aangever 1] toevoegen van de de woorden “vieze homo”, althans woorden van
soortgelijke aard en/of strekking,
- het richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [aangever 1]
en/of
- het trachten om een touw om het lichaam van die [aangever 1] te binden
terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en/of bestond uit, werd
voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door een of meer gedragingen die haat tegen
en/of discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst en/of
levensovertuiging, hun geslacht, hun seksuele gerichtheid en/of hun handicap tot uitdrukking
brachten;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2025 tot en met 4 juli 2025 te Apeldoorn, althans in
Nederland, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een klappertjesrevolver, dat een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen (te weten een revolver) voorhanden heeft gehad;
3.
hij op een of meerdere momenten op of omstreeks 30 juni 2025 te Apeldoorn, althans in
Nederland, in / nabij park Matengaarde en/of Matenpark, in elk geval openlijk, in vereniging,
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- het meermalen, althans eenmaal, stompen tegen het hoofd van die [aangever 2] ,
- het meermalen, althans eenmaal, vastpakken van de nek en/of de hals van die [aangever 2] ,
- het meermalen, althans eenmaal, naar de grond gooien, duwen en/of bewegen van die [aangever 2] ,
- het meermalen, althans eenmaal, trappen tegen, althans in de richting van, het lichaam van die
[aangever 2] en/of
- het spugen in de richting van die [aangever 2] ;
subsidiair:
hij op een of meerdere momenten op of omstreeks 30 juni 2025 te Apeldoorn, althans in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 2] heeft mishandeld door:
- die [aangever 2] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd te stompen,
- die [aangever 2] meermalen, althans eenmaal, om de nek en/of de hals vast te pakken en/of
- die [aangever 2] meermalen, althans eenmaal, naar de grond te gooien, duwen en/of te bewegen;
in de zaak met parketnummer 05/331729-24
1.
hij op of omstreeks 17 oktober 2024 te Apeldoorn, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Glock 17, kaliber 9mm pak, en/of munitie van categorie III van de wet wapens en munitie, te weten een of meer kogelpatro(o)n(en) van het merk Walther, kaliber: 9mm voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 17 oktober 2024 te Apeldoorn, opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten één of meer stuks knalvuurwerk (Cobra 6), heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 17 oktober 2024 te Apeldoorn een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich in de zaak met parketnummer 05/202991-25 schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde, inclusief het strafverzwarende element van discriminatoir oogmerk, aan het onder feit 2 tenlastegelegde en aan het onder feit 3 primair tenlastegelegde. In de zaak met parketnummer 05/331729-24 kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de drie ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte in de zaak met parketnummer 05/202991-25 wordt vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Het opzet van verdachte was niet gericht op afpersing. Voor het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar voor het deel van de tenlastelegging dat ziet op het vuurwapen en het discriminatoir oogmerk moet verdachte worden vrijgesproken. Voor het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat de resultaten van de onrechtmatige doorzoeking moeten worden uitgesloten van het bewijs. Voor feit 3 heeft de raadsman, zowel voor de primaire als de subsidiaire variant, eveneens vrijspraak bepleit, omdat verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger. De raadsman heeft zich in de zaak met parketnummer 05/331729-24 voor alle feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
in de zaak met parketnummer 05/202991-25
feit 1 (poging tot afpersing van [aangever 1] ) [1]
De rechtbank zal de primair ten laste gelegde medeplegen poging afpersing met discriminatoir oogmerk bewezen verklaren en overweegt daartoe het volgende.
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 2 juli 2025 heeft aangever [aangever 1] rond 19:15 uur afgesproken in het park Zuidbroek in Apeldoorn met een jongen die zich voordeed als ‘ [naam 1] ’. Ze hadden elkaar die ochtend leren kennen via de app Grindr. Tijdens een wandelingetje met ‘ [naam 1] ’ in het park zag aangever plotseling drie jongens op hem afkomen. Twee jongens droegen een helm en/of bivakmuts. Ze hebben aangever geschopt en geslagen. Het was duidelijk dat ‘ [naam 1] ’ en de andere jongens bij elkaar hoorden. [2]
De jongen die zich voordeed als ‘ [naam 1] ’ is medeverdachte [medeverdachte 1] . De andere jongens waren verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . [3]
Aangever heeft verder over het incident het volgende verklaard.
Een van de jongens die uit de bosjes kwam rennen heeft gezegd dat aangever ‘zijn telefoon moest afgeven’. Een van hen heeft een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op aangever gericht terwijl hij op zijn knieën zit en gezegd dat hij ‘op de grond moest gaan liggen’, dat hij ‘moest luisteren’ en dat ‘het vuurwapen geladen was’. Een andere jongen heeft een touw om hem heen proberen te knopen. Dit waren de jongens met de helm en de blonde jongen.
Toen de jongens uit de bosjes kwamen, hebben ze dingen geroepen als “vieze homo”. [4]
De verdediging heeft een aantal onderdelen van de tenlastelegging betwist. Over het gebruik van een touw en een wapen, het oogmerk van geldelijk gewin en het discriminatoir oogmerk overweegt de rechtbank als volgt.
Gebruik wapen en touw
In het dossier zit een filmpje dat [medeverdachte 1] op 2 juli 2025 om 18:55 uur aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] heeft gestuurd. Op het filmpje is te zien dat [medeverdachte 1] eerst zichzelf filmt met de camera aan de voorzijde van zijn telefoon. Als tijdens de opname wordt gewisseld naar de camera aan de achterzijde van de telefoon is te zien dat [medeverdachte 1] met nog twee andere personen in de dichtbegroeide bosjes stond. Te zien is dat een van deze personen op [medeverdachte 1] afloopt. Hij is helemaal in het zwart gekleed en draagt een zwart masker met zwarte ogen. Hij houdt een zilverkleurig pistool vast. Hij houdt het pistool gericht op [medeverdachte 1] terwijl hij met een stereotiep vrouwelijk loopje op [medeverdachte 1] afloopt. Hij zegt met een hoog stemmetje: “Geef me je pincode dan.”. [5]
Hoewel niet is komen vast te staan welke personen naast [medeverdachte 1] op het filmpje te zien zijn en wie de persoon is die het vuurwapen vasthoudt, is het aannemelijk dat verdachte het vuurwapen tijdens de opname van het filmpje heeft gezien. Het filmpje is kort voor het incident opgenomen op de locatie waar het incident heeft plaatsgevonden. Het lijkt erop dat in het filmpje wordt ‘gespeeld’ (als ware het een sketch van de ‘generale repetitie’) wat er later enige tijd later ‘in het echt’ zal gebeuren. Verdachte moet hebben geweten dat het vuurwapen dat tijdens het filmpje te zien was ook zou (kunnen) worden gebruikt tijdens het ‘echte’ incident.
Dit sluit ook aan bij de verklaring van [medeverdachte 1] , dat verdachte hem van het plan heeft verteld, hem heeft gezegd wat hij moest doen en dat [verdachte] en [medeverdachte 3] als eersten naar het park gingen. [6]
De politie heeft met een speurhond op de locatie van het incident naar sporen van verse menselijke geur gezocht. De hond heeft vlakbij de bosjes een geel touw gevonden. [7]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de medeverdachten heeft horen praten over een touw. Hij heeft een geel touw gezien. Het touw zat in de buddy van de scooter. Als de verbalisant een foto van het gevonden touw laat zien, herkent [medeverdachte 1] het touw voor 100% als het touw dat in de buddy van de scooter zat. [8]
Verdachte heeft verklaard dat hij en de medeverdachten touw hadden meegenomen. Een van de jongens heeft het touw in handen gehad. [9]
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaring van aangever over het dreigen met een vuurwapen en de poging om hem vast te binden met een touw. De rechtbank zal deze onderdelen van de tenlastelegging ook wettig en overtuigend bewezen verklaren.
Opzet op het vermogensdeel
Verdachte heeft verklaard dat het zijn bedoeling was om een pedofiel (verbaal) te confronteren.
De rechtbank stelt vast dat de verdachten, op het moment dat zij uit de bosjes kwamen meteen zijn begonnen met slaan en schoppen, dat zij een vuurwapen bij zich hadden en dat zij hebben geprobeerd om aangever vast te binden. Uit niets blijkt dat zij alleen maar een gesprek wilden voeren met aangever over zijn pedofilie (confronteren).
Volgens de rechtbank waren de verdachten ook uit op geld. Zij heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaring van aangever dat de verdachten riepen dat hij zijn telefoon moest afgeven. Zijn verklaring vindt op dit punt steun in verschillende onderdelen van het dossier.
In het hiervoor besproken filmpje (‘generale repetitie’), dat als voorbode van wat er even later staat te gebeuren kan worden gezien, wordt gevraagd om een pincode. [10]
Op 2 juli 2025 heeft medeverdachte [medeverdachte 1] dit filmpje (‘generale repetitie’) en het volgende audiobericht naar [naam 2] gestuurd:
“Ja man. We gaan omni homotje uhh klappen. We gaan ze hele kanker moet racen.”
In straattaal heeft ‘racen’ vaak de betekenis van beroven of stelen. ‘Klappen’ kan betekenen: in elkaar slaan. [11]
Daarbij komt dat onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte 3] een chatgesprek tussen hem en ‘mama’ naar voren heeft gebracht. Op 30 juni 2025 heeft verdachte gestuurd dat hij snel geld heeft gemaakt via een ‘klote pedo’. Het heeft in totaal € 800,00 opgeleverd, maar hij hield er zelf € 200,00 aan over. Hij wil dit een paar keer doen. [12]
Dat verdachte niet heeft geweten van het filmpje of de (bijkomende) intentie om aangever van zijn spullen te beroven is niet geloofwaardig. Het filmpje dat kort van tevoren werd gemaakt, het direct slaan en schoppen, het meenemen van een touw en een vuurwapen duidt op het voorbereiden van een beroving en ziet er in de uitvoering uit als een beroving. Dat verdachte mogelijk niet wist van de chatgesprekken tussen [medeverdachte 3] en zijn moeder en van het audiobericht van [medeverdachte 1] doet daaraan niet af. Uit deze gesprekken blijkt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] de intentie tot beroven hadden en aangezien de vier jongens samen optrokken, heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de intentie van verdachte anders zou zijn.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaring van aangever dat hij zijn telefoon moest afgeven. De rechtbank zal dit onderdeel van de tenlastelegging ook wettig en overtuigend bewezen verklaren, zodat van afpersing kan worden gesproken.
Aangever heeft (veelvuldig) om hulp geschreeuwd. De jongens zijn (vermoedelijk daarom) voortijdig gevlucht. Aangever heeft zijn telefoon niet afgestaan. [13]
Om die reden is het bij een poging tot afpersing gebleven.
Discriminatoir oogmerk
Op meerdere plaatsen in het dossier komt naar voren dat het incident heeft plaatsgevonden (mede) omdat aangever homofiel zou zijn.
Zo is bij onderzoek aan de telefoon van verdachte een chatgesprek tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] aangetroffen dat op 2 juli 2025 tussen 14:30 uur en 16:00 uur gevoerd is. [medeverdachte 3] vertelde aan [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en hijzelf
een homogingen pakken. [medeverdachte 3] heeft toen aan [medeverdachte 2] gevraagd of hij ook wilde komen. [14]
Op 2 juli 2025 stuurde medeverdachte [medeverdachte 1] de hiervoor besproken video en het hiervoor besproken audiobericht naar [naam 2] dat ze
een homotjegaan ‘klappen’.
Aangever heeft verklaard dat er tijdens het incident negatieve opmerkingen zijn gemaakt over zijn seksuele geaardheid, namelijk zijn homoseksualiteit. De verdachten hebben het onderling over het ‘pakken’, ‘klappen’ of ‘racen’ van een homo(tje). Dat maakt het aannemelijk dat het geweld tegen aangever gericht is geweest (ook) vanwege zijn homoseksualiteit. Met hun handelen hebben de verdachten hun haat tegen homoseksuelen tot uitdrukking gebracht. Dat betekent dat sprake is van een discriminatoir oogmerk.
Uit het dossier komt ook naar voren dat het doel van het incident is geweest om een (veronderstelde) pedofiel te confronteren. Ook pedofilie is een seksuele gerichtheid. Handelen uit haat tegen pedofielen valt daarmee onder handelen met discriminatoir oogmerk en is strafbare eigenrichting. Het zelf voor politie of rechter spelen leidt tot willekeurig handelen, gewelddadige escalaties en daarmee tot onveiligheid in de samenleving. Juist om dit te voorkomen is het optreden tegen strafbaar (pedofiel) handelen opgedragen aan politie en justitie.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) gericht op het gezamenlijk uitvoeren van het delict.
De verdachten hebben samen de plannen voor de beroving gesmeed. Zij waren allen van het plan op de hoogte en hebben het plan gezamenlijk uitgevoerd. Verdachte heeft de groep getalsmatig versterkt en deelgenomen aan de geweldshandelingen. Dat verdachte zich alleen heeft gemengd in het gevecht om de jongens en aangever uit elkaar te halen is niet geloofwaardig.
De rechtbank zal het onder 1 primair ten laste gelegde feit (medeplegen van een poging tot afpersing) wettelijk en overtuigend bewezen verklaren.
feit 2 (voorhanden hebben van een klappertjespistool) [15]
Bij een doorzoeking in de woning van verdachte is in zijn slaapkamer een zilverkleurig speelgoedpistool aangetroffen. [16] Dit pistool lijkt zozeer op een echt vuurwapen (een revolver) dat dit voorwerp, gelet op de aard van het voorwerp en de omstandigheden waaronder dit werd aangetroffen dat kan worden aangenomen dat het voor geen ander bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of daarmee te dreigen. [17]
De raadsman van verdachte heeft gewezen op het feit dat de machtiging tot doorzoeking van de woning in het dossier ontbreekt. Hij heeft hieraan de conclusie verbonden dat de resultaten van de doorzoeking niet als bewijs kunnen worden gebruikt.
De rechtbank constateert dat de machtiging tot doorzoeking van de woning niet bij de stukken zit. Daarmee is sprake van een formeel gebrek. De rechtbank verbindt hieraan geen gevolg, omdat verdachte met het ontbreken van de machtiging tot doorzoeking in het dossier niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de afgifte van de machtiging tot doorzoeking. Op pagina 115 van het dossier wordt de machtiging met zoveel woorden genoemd, met daarbij de datum van afgifte en de naam de hulpofficier van justitie die de machtiging heeft afgegeven. Op pagina 118 van het dossier wordt opnieuw gerefereerd aan de machtiging tot binnentreden. Verder staat op pagina 118 dat er voor de doorzoeking toestemming is gegeven door een meerderjarige hoofdbewoner van de betreffende woning.
De resultaten van de doorzoeking zijn dan ook bruikbaar als bewijs en de rechtbank zal het onder 2 ten laste gelegde feit (voorhanden hebben van een klappertjespistool) wettelijk en overtuigend bewezen verklaren.
feit 3 (openlijk geweld tegen [aangever 2] ) [18]
Uit de aangifte volgt dat aangever op 30 juni 2025 met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3] ) en verdachte heeft afgesproken om iets uit te praten. Toen aangever met verdachte stond te praten, sloeg [medeverdachte 1] hem ineens van achteren met zijn vuist tegen de zijkant van zijn hoofd. [medeverdachte 2] was aan het filmen. Vervolgens is [medeverdachte 3] op hem afgekomen om hem aan te vallen. [19] [medeverdachte 3] verklaarde daarnaast dat hij en [medeverdachte 1] opkwamen voor [verdachte] . [20]
Bij het onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte 1] zijn drie video’s aangetroffen die op 30 juni 2025 zijn verstuurd. Op de video’s is het voorval op 30 juni 2025 te zien. In de beschrijving van video 2.1.1. staat de vuistslag van [medeverdachte 1] tegen het hoofd van aangever beschreven. Daarbij is te zien dat aangever met [verdachte] staat te praten en dat [verdachte] het geweld ziet aankomen. Na de vuistslag valt aangever en [verdachte] blijft rustig staan kijken. In video 2.1.2. is te zien dat [medeverdachte 3] aangever op de grond liet vallen en hem vasthield om zijn nek. Verder is te zien dat de filmer met de witte schoenen (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) op aangever afrent en hem hard in zijn rug trapt. Vervolgens wordt aangever nog een keer in zijn rug getrapt door iemand met een zwarte schoen met rode letters. In video 2.1.3. is te zien dat [medeverdachte 3] aangever meerdere keren met de vuist tegen het hoofd slaat en dat [medeverdachte 3] aangever trapt. Ook is te zien dat [medeverdachte 3] aangever tegen de grond gooit en hem in een wurggreep vasthoudt. Vervolgens spuugt [medeverdachte 3] naar aangever. De opname is in het park Matengaarde in Apeldoorn gemaakt. [21]
Verdachte heeft verklaard dat hij alleen met aangever gepraat heeft en dat hij niet vooraf wist dat aangever zou worden geslagen.
Medeplegen
Zoals eerder aan de orde is geweest kan de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en) gericht op het gezamenlijk uitvoeren van het delict.
Verdachte maakte deel uit van de groep jongens die geweld hebben gebruikt tegen aangever. Het dossier roept het beeld op dat aangever een probleem had met aangever dat hij aan de kaak wilde stellen. Verdachte komt naar voren als de aanstichter van de confrontatie die weet heeft van wat er gaat gebeuren. Hij ziet het geweld aankomen en blijft rustig staan kijken, ook als aangever op de grond wordt gegooid, vastgehouden en getrapt. De medeverdachten lijken geheel ten dienste van verdachte te handelen. Verdachte lijkt eerder een leidersrol te hebben gehad. Hij heeft niets gedaan om het geweld te stoppen of om zich van het geweld te distantiëren. Verdachte is op agressieve toon tegen aangever blijven praten ook toen er geweld tegen hem werd gebruikt. Daarmee heeft hij het geweld aangemoedigd.
De rechtbank zal het onder 2 primair ten laste gelegde feit (openlijke geweldpleging) wettelijk en overtuigend bewezen verklaren.
in de zaak met parketnummer 05/331729-24 [22]
feit 1 (voorhanden hebben van een gaspistool en munitie)
Verdachte heeft dit feit bekend en er is namens hem geen vrijspraak bepleit. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 14 t/m 17;
- het proces-verbaal van onderzoek wapen, p. 184 en 185;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 mei 2026.
feit 2 (voorhanden hebben van knalvuurwerk (Cobra 6)
Verdachte heeft dit feit bekend en er is namens hem geen vrijspraak bepleit. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 14 t/m 17;
- het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning, p. 168 en 169;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 mei 2026.
feit 3 (voorhanden hebben van een stroomstootwapen)
Verdachte heeft dit feit bekend en er is namens hem geen vrijspraak bepleit. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 14 t/m 17;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 69;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 mei 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de zaak met parketnummer 05/202991-25 het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en in de zaak met parketnummer 05/331729-24 het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
in de zaak met parketnummer 05/202991-25
1. primair
hij op
of omstreeks2 juli 2025 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en
/ofzijn mededader
(s
)voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en
/ofbedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van een telefoon,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan die [aangever 1]
en/of een derdetoebehoorde
(n
)
- met een bivakmuts en/of scooterhelm
, althans met gezichtsbedekkende kleding,richting die [aangever 1] is gerend,
- die [aangever 1] meermalen
, althans eenmaal,op of tegen zijn lichaam heeft geslagen en
/of
geschopt,
- die [aangever 1] de woorden “vieze homo” toe heeft gevoegd, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking,
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [aangever 1] heeft
gericht,
- tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat hij op de grond moest gaan liggen, dat hij moest
luisteren en
/ofdat het vuurwapen geladen was, althans woorden van soortgelijke aard en/of
strekking,
- heeft getracht een touw om het lichaam van die [aangever 1] te binden en
/of
- tegen die [aangever 1] heeft gezegd dat hij zijn telefoon af moest geven, althans woorden van
soortgelijke aard en/of strekking,
terwijl dit feit werd gepleegd in de openbaarheid, zijnde in een park in de gemeente Apeldoorn en terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl dit strafbare feit werd begaan met een discriminatoir oogmerk en
/of bestond uit,werd
voorafgegaan door,vergezeld van
en/of gevolgd dooreen of meer gedragingen die haat tegen en/of discriminatie van een groep mensen
wegens hun ras, hun godsdienst en/of levensovertuiging, hun geslacht,hun seksuele gerichtheid
en/of hun handicaptot uitdrukking brachten;
2.
hij in
of omstreeksde periode van 1 juli 2025 tot en met 4 juli 2025 te Apeldoorn
, althans in
Nederland,een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp
dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/ofdat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een klappertjesrevolver, dat een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen (te weten een revolver) voorhanden heeft gehad;
3. primair
hij op
een of meerdere momenten op of omstreeks30 juni 2025 te Apeldoorn
, althans in
Nederland,in
/ nabijpark Matengaarde en/of Matenpark, in elk geval openlijk, in vereniging,
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:
- het meermalen
, althans eenmaal,stompen tegen het hoofd van die [aangever 2] ,
- het meermalen
, althans eenmaal,vastpakken van de nek en/of de hals van die [aangever 2] ,
- het meermalen
, althans eenmaal,naar de grond gooien, duwen en/of bewegen van die [aangever 2] ,
- het meermalen
, althans eenmaal,trappen tegen
, althans in de richting van,het lichaam van die
[aangever 2] en
/of
- het spugen in de richting van die [aangever 2] ;
in de zaak met parketnummer 05/331729-24
1.
hij op
of omstreeks17 oktober 2024 te Apeldoorn, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Glock 17, kaliber 9mm pak, en
/ofmunitie van categorie III van de wet wapens en munitie, te weten
een of meerkogelpatro
(o)n
(en
)van het merk Walther, kaliber: 9mm voorhanden heeft gehad;
2.
hij op
of omstreeks17 oktober 2024 te Apeldoorn, opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten
één ofmeer stuks knalvuurwerk (Cobra 6), heeft opgeslagen en
/ofvoorhanden heeft gehad;
3.
hij op
of omstreeks17 oktober 2024 te Apeldoorn een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
in de zaak met parketnummer 05/202991-25
feit 1, primair:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit wordt gepleegd met een discriminatoir oogmerk, dan wel bestaat uit gedragingen die haat tegen of discriminatie van een groep mensen wegens hun seksuele gerichtheid tot uitdrukking brengen;
feit 2:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 3, primair:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
in de zaak met parketnummer 05/331729-24
feit 1
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
feit 2
overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
feit 3
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 108 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en de jeugdreclassering met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd. Daarnaast moet aan verdachte een werkstraf van 150 uur worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de door de officier van justitie geëiste werkstraf deels voorwaardelijk wordt opgelegd of gematigd wordt. Verdachte heeft al een druk schema en moet het fysiek kunnen volhouden. De raadsman is het met de officier van justitie eens dat verdachte niet terug naar de jeugdgevangenis moet.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel Justitiële Documentatie van 10 april 2026 (het strafblad),
  • het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 8 mei 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Het strafblad
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft meerdere ernstige feiten gepleegd. Op 30 juni 2025 was hij betrokken bij openlijke geweldpleging, waarbij het slachtoffer is geslagen, geschopt en bespuugd. Op 2 juli 2025 heeft verdachte samen met anderen geprobeerd een man af te persen. Zij hadden via de app Grindr een afspraak gemaakt met de man met het doel hem in de val te lokken. Ze hebben de man geslagen, een vuurwapen op hem gericht en geprobeerd hem vast te binden met een touw. Ook hebben ze geprobeerd de telefoon van de man af te pakken.
Uit het dossier komt bovendien naar voren dat het doel van het incident is geweest om mensen met een homofiele of (veronderstelde) pedofiele geaardheid te discrimineren en confronteren. De rechtbank benadrukt de ernst daarvan. Discriminatie is ondermijnend voor de leefbaarheid in een samenleving en voor de mensen die het raakt is het diep ingrijpend om miskend te worden om wie zij zijn. Daarnaast merkt de rechtbank op dat ook pedofilie een seksuele gerichtheid is. Handelen uit haat tegen pedofiele gevoelens valt daarmee ook onder handelen met discriminatoir oogmerk. Haat tegen (veronderstelde) pedofielen die met grove overschrijding van menselijke en strafrechtelijke grenzen tot uitdrukking wordt gebracht, verdient geen enkele goedkeuring. Het spelen voor eigen rechter leidt tot willekeurig handelen, gewelddadige escalaties en daarmee tot veel onveiligheid in de samenleving. Juist om dit te voorkomen is het optreden tegen strafbaar (pedoseksueel) handelen opgedragen aan politie en justitie.
Slachtoffers van geweldsmisdrijven ervaren vaak nog lange tijd gevolgen van die misdrijven. Omdat deze feiten hebben plaatsgevonden in de openbare ruimte dragen ze in bredere zin ook bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.
Bij een huiszoeking in de woning van verdachte is een klappertjespistool aangetroffen waarmee verdachte slachtoffers flink angst kan aanjagen. Daarnaast is in zijn woning onder meer een vuurwapen met munitie gevonden, illegaal vuurwerk (Cobra 6) en een stroomstootwapen. Met deze goederen heeft verdachte de maatschappij onveiliger gemaakt. Het ongecontroleerde bezit van (vuur)wapens brengt onaanvaardbare risico’s met zich. Illegaal vuurwerk in handen van een niet professionele partij zoals verdachte is gevaarlijk en is doorgaans bestemd voor hinderlijk en schadelijk gebruik met soms zeer ernstige gevolgen.
Rapportages
Het advies van de Raad van 8 mei 2026
De Raad adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel wordt verrekend met het voorarrest, onder de bijzondere voorwaarden van dagbesteding en ambulante begeleiding/hulpverlening onder toezicht van de jeugdreclassering. Verdachte is gediagnosticeerd met ADHD, ODD en CD. Er zijn zorgen over de impulscontrole van verdachte; hij heeft de neiging tot
thrillseeking. Ook zijn er zorgen over de agressieregulatie. In januari 2026 heeft verdachte bij Accare een behandeling afgerond. Hij heeft gewerkt aan het versterken van oplossingsvaardigheden en coping vaardigheden, maar deze blijken nog onvoldoende geïnternaliseerd. Verdachte heeft sterke overtuigingen. Hij begeeft zich nog steeds in risicovolle situaties (met bepaalde activiteiten en contacten met antisociale jongeren). Verdachte is niet gemotiveerd voor vervolgbehandeling.
Verdachte ziet in dat hij zware delicten heeft gepleegd. De kans op recidive wordt als laag ingeschat. De Raad is van mening dat verdachte gebaat is bij een langdurige begeleiding en sturing om de kans op recidive te verminderen, vaardigheden te versterken, de juiste keuzes te leren maken, de schoolgang te verbeteren en meer zicht te krijgen op de sociale contacten van verdachte.
De toelichting ter terechtzitting van de jeugdreclasseerder
Het werk van verdachte loopt behoorlijk tot goed. Hij heeft een druk (werk)programma. Er zijn zorgen om de achterstand op school. Verdachte heeft geen vrijetijdsbesteding. Verdachte gaat niet altijd om met prosociale jongeren. Vanuit de wijkagent zijn zorgelijke signalen gekomen. Het is soms lastig om gesprekken met verdachte te voeren omdat hij sociaalwenselijke antwoorden lijkt te geven. Verdachte handelt nog regelmatig uit impulsiviteit en moet gewezen worden op de consequenties van zijn gedrag. Er is begeleiding nodig om verdachte te helpen met het maken van de juiste keuzes en met het aanbrengen/behouden van structuur in zijn leven. Voor verdachte moet een ambulant begeleider worden gevonden die hem frequent(er) kan begeleiden.
De straf
Een stevige consequentie voor het delictgedrag van verdachte is op zijn plaats. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet terug moet naar de jeugdgevangenis. De rechtbank ziet het belang van een stevige stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en om hem het toezicht en de begeleiding van verdachte te continueren. In de schorsingsperiode heeft verdachte zich goed aan de voorwaarden gehouden. De therapie die verdachte bij Accare heeft gevolgd, heeft nog niet het gewenste resultaat opgeleverd. Verdachte is gebaat bij aansturing en toezicht. De begeleiding heeft een vervolg nodig heeft.
Alles afwegende zal de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, een jeugddetentie opleggen voor de deur van 108 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden die door de Raad zijn geadviseerd en daarnaast een werkstraf van 150 uur. De geschorste voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 44 bis, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 317 van het Wetboek van Strafrecht;
- 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
- 9.2.2.1. van de Wet milieubeheer
- 1.1.1 en 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit;
- 1 a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie voor de duur van 108 dagen;
  • bepaalt dat
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als
  • verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling te weten Jeugdbescherming Gelderland, Jeugdreclassering;
  • verdachte meewerkt aan gestructureerde dagbesteding, zoals school en/of werk, indien en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
  • verdachte meewerkt aan ambulante begeleiding/hulpverlening indien en zolang de Jeugdreclassering dat nodig vindt;
 stelt als overige voorwaarden dat:
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
 geeft opdracht aan Jeugdbescherming Gelderland, afdeling Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
 veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten
een werkstraf van 150 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;
 heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs (voorzitter), mr. M.G.J. Post en mr. G.M.L. Tomassen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025312393, gesloten op 27 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 17 en 18; proces-verbaal van het aanvullend verhoor van aangever, p. 27 t/m 29.
3.Proces-verbaal van het verhoor van [medeverdachte 1] , p. 162; verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2026.
4.Proces-verbaal van aangifte, p. 17 en 18.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 54.
6.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] , p. 162, p. 170 en 172.
7.Proces-verbaal van bevindingen, p. 38.
8.Proces-verbaal van het verhoor van [medeverdachte 1] , p. 166.
9.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 mei 2026.
10.Proces-verbaal van bevindingen, p. 54.
11.Proces-verbaal van bevindingen, p. 54 en 55.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 83.
13.Proces-verbaal van aangifte, p. 18.
14.Proces-verbaal van bevindingen, p. 77, 79 en 80.
15.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025312393, gesloten op 27 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
16.Proces-verbaal van bevindingen, p. 115; proces-verbaal van bevindingen, p. 118.
17.Proces-verbaal van bevindingen, p. 121 en 122.
18.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025310913, gesloten op 21 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
19.Proces-verbaal van aangifte, p. 37 en 38.
20.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 81.
21.Proces-verbaal van bevindingen, p. 54 t/m 57.
22.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024489063, gesloten op 20 oktober 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.