Uitspraak
1.De procedure
2.Het wrakingsverzoek
C/05/12198968 EZ VERZ 26-310 tussen verzoeker en een broer aangaande de erfrechtelijke afwikkeling van een nalatenschap.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Gelderland
Verzoeker diende op 6 mei 2026 een wrakingsverzoek in tegen de rechter die betrokken was bij een erfrechtelijke procedure tussen verzoeker en zijn broer. Het verzoek betrof de wraking van de rechter wegens vermeende onpartijdigheid, omdat de rechter het verzoekschrift ex artikel 4:210 BW Pro niet inplande.
De wrakingskamer oordeelde dat een wrakingsverzoek alleen kan worden ingediend zolang de zaak nog in behandeling is bij de rechter. Omdat de hoofdzaak met procedurenummer C/05/12198968 EZ VERZ 26-310 reeds was afgedaan, was het wrakingsverzoek niet ontvankelijk. De brief van 28 april 2026 maakte duidelijk dat het verzoek van 17 april 2026 niet als een aanwijzingsverzoek in de zin van artikel 4:210 BW Pro kon worden aangemerkt.
De wrakingskamer stelde vast dat het doel van wraking is het voorkomen van een oordeel door een vermeend partijdige rechter in een lopende zaak. Omdat de procedure was beëindigd, kon het verzoek niet worden behandeld. Er werd geen mondelinge behandeling gehouden omdat het verzoek niet ontvankelijk was. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat het werd ingediend nadat de hoofdzaak was geëindigd.