ECLI:NL:RBGEL:2026:487

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
05/219601-25 en 16/252955-23
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens drie straatroven en aanwezig hebben hasjiesj en hennep

Op 23 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van drie straatroven en het aanwezig hebben van hasjiesj en hennep. De verdachte, geboren in 2006, werd bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M. Burgers. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan de ten laste gelegde feiten, waarbij hij samen met medeverdachten op verschillende momenten in Arnhem en Utrecht straatroven had gepleegd. De rechtbank concludeerde dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, wat leidde tot de bewezenverklaring van de feiten. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 15 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast werd de fatbike van de verdachte verbeurd verklaard en werd de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen hasjiesj en hennep bevolen. De rechtbank weegt bij de strafoplegging de ernst van de feiten, de rol van de verdachte en zijn jeugdige leeftijd mee. De verdachte had eerder geen soortgelijke veroordelingen en de rechtbank hield rekening met zijn persoonlijke omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/219601-25 en 16/252955-23
Datum uitspraak : 23 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] in Arnhem,
raadsvrouw: mr. M. Burgers, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten aanzien van parketnummer 05/219601-25, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 15 juli 2025 te Arnhem, in elk geval in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
op of aan de openbare weg te weten Sonsbeeksingel, althans op een openbare weg
een toilettas, in elk geval enig goed, dat/die gehele of ten dele aan [slachtoffer 1] ,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met
het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze
diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk
om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om,
bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf
hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door toen daar opzettelijk gewelddadig en/of bedreigend:
- ( met kracht) aan de tas van die [slachtoffer 1] te trekken en/of te rukken,
waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen;
2.
hij op of omstreeks 17 juli 2025 te Arnhem, in elk geval in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
op of aan de openbare weg te weten Velperweg, althans op een openbare
weg een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die gehele of ten dele aan [slachtoffer 2] ,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal
voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad,
aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk
te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door toen daar
opzettelijk gewelddadig en/of bedreigend:
- die [slachtoffer 2] (van achteren) vast te pakken en/of op de grond te gooien,
- een hand bij die [slachtoffer 2] op de mond te leggen en/of houden,
- een schoen bij die [slachtoffer 2] op het gezicht te zetten en/of
- tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: “dat ik moest blijven liggen”,
althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
3.
hij op of omstreeks 17 juli 2025 te Arnhem, in elk geval in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
op of aan de openbare weg te weten Lange Water, althans op een openbare weg
een ketting, in elk geval enig goed, dat/die gehele of ten dele aan [slachtoffer 3] ,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die
diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad,
aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door toen daar opzettelijk gewelddadig
en/of bedreigend:
- een ketting bij die [slachtoffer 3] van de nek te trekken en/of
- die [slachtoffer 3] tegen het hoofd/gezicht te slaan;
Aan verdachte is ten aanzien van parketnummer 16/252955-23 ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 31 juli 2023 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 16,01 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en
plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties
waren toegevoegd en/of ongeveer 32,49 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

ten aanzien van parketnummer 05/219601-25 [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de feiten 1 en 3 geen bewijsverweer gevoerd. Wel heeft verdachte ter zitting ontkend dat hij aangever(s) heeft gefouilleerd bij het tenlastegelegde onder feit 3. Ten aanzien van feit 2 is vrijspraak bepleit, nu de rol van verdachte te gering is geweest om te spreken van medeplegen.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Er is sprake van een bekennende verdachte zoals bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 17-18;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 januari 2026.
Feit 2
De bewijsmiddelen
Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij in de nacht op 17 juli 2025 over het fietspad van de Velperweg te Velp fietste. Een fatbike met daarop twee personen haalde hem in, stopte op het fietspad en de personen stapten af en lieten aangever ook stoppen. De jongen die achterop de fatbike zat, zei een aantal keer: “why did you smack my friend”. De jongen die voorop de fiets zat, zette zijn fiets neer en kwam naar de jongen achterop toe. De jongen die achterop zat, zei tegen de jongen die voorop zat: “he was it right?”. De jongen die voorop zat, zei: “yes”. Voor aangever het wist werd hij van achteren gepakt en op de grond gegooid en hield die persoon die dat deed hem vast in een soort houdgreep. De persoon lag onder aangever, aangever lag op zijn rug. Deze persoon hield een hand over de mond van aangever en er werd gezegd dat aangever stil moest zijn. Vervolgens werd aangever gefouilleerd en werd zijn telefoon uit zijn zak gehaald, waarna hij zijn code moest afgeven. Terwijl zij de telefoon vasthielden, moest aangever zijn code intoetsen. Aangever zag een flits van een telefoon, alsof ze aan het filmen waren welke code hij intoetste. Er werd een schoen op zijn gezicht gezet en hij moest blijven liggen zoals hij lag. Nadat ze dat hadden gedaan, pakten ze zijn telefoon en reden ze weg in de richting van Arnhem. [2]
Verdachte heeft verklaard dat hij op 17 juli 2025 om 3.00 uur ‘s nachts met twee vrienden onderweg naar Velp was. Ze zaten samen op een fatbike. De vriend die reed is de persoon die ook is aangehouden. Op enig moment lieten ze iemand van de fiets vallen. Deze man, aangever, viel met zijn fiets op de grond. Volgens verdachte was hij er vanaf dat moment bij. Eén van verdachtes vrienden zei tegen verdachte: “doe je telefoon open”. Beide vrienden met wie verdachte was, pakten vervolgens verdachtes telefoon en daarmee werd gefilmd dat de man de pincode aan het typen was. Aangever werd vastgehouden. Verdachte heeft verklaard dat hij aangever niet heeft geslagen, maar hem wel heeft aangeraakt. Ze zijn naar een park in Velp gegaan, waar de simkaart uit de mobiel van aangever werd gehaald. De telefoon die verdachte tijdens zijn aanhouding bij zich droeg, is de telefoon die is weggenomen van aangever. [3]
De beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af. Verdachte en zijn medeverdachten zaten op een fatbike en zagen aangever fietsen. Zij hebben aangever gestopt, van zijn fiets geduwd en aangever is uiteindelijk beroofd van zijn telefoon. Niet kan worden vastgesteld of verdachte degene is geweest die enige geweldshandeling heeft begaan. Wel kan op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen worden vastgesteld dat verdachte samen met zijn medeverdachte(n) op het slachtoffer is afgegaan, dat er met zijn telefoon is gefilmd toen aangever zijn pincode intoetste (hetgeen verdachte dus kennelijk heeft toegestaan), dat hij aangever heeft aangeraakt en dat verdachte met zijn twee vrienden vervolgens samen met de buit (de telefoon) is gevlucht. Toen twee van de drie personen werden aangehouden, waaronder verdachte, is bij verdachte de weggenomen telefoon van aangever aangetroffen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte(n) is komen vast te staan. Verdachte heeft zich immers niet alleen niet onttrokken aan de situatie terwijl dat wel kon nu hij naar eigen zeggen er ook pas bij kwam toen de medeverdachten al begonnen waren. Hij heeft vervolgens door aangever aan te raken, zijn telefoon af te geven voor het filmen van de pincode en de telefoon die bij aangever is aangetroffen, onder zich te houden, een substantiële bijdrage geleverd aan het tenlastegelegde. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Feit 3
Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij en zijn vriend [slachtoffer 3] op 17 juli 2025 rond 03.40 uur drie jongens op een fatbike tegenkwamen toen zij van Presikhaaf naar Velp liepen. De fatbike passeerde hen. Twee personen stapten af, één bleef op de fatbike zitten. Eén van de jongens liep op aangever af. Aangever kreeg een boks van hem en vervolgens voelde en zag aangever dat de jongen hem met zijn rechtervuist een klap gaf op zijn linkerkaak. De jongen fouilleerde hem en ging met zijn handen in de zakken van aangever. Hij pakte aangevers spullen uit zijn broekzak en heeft alles vervolgens weer teruggegeven. Deze jongen is toen naar [slachtoffer 3] gelopen. [slachtoffer 3] stond daar met een van de andere jongens. Aangever zag dat [slachtoffer 3] het grote deel van zijn spullen terug kreeg. Aangever hoorde later van [slachtoffer 3] dat hij beroofd was van zijn zilverkleurige ketting die om zijn nek hing. [4]
Aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij en [aangever] werden ingehaald door drie jongens op een fatbike. Twee jongens stapten van de fatbike af en wachtten tot [aangever] en aangever op hen af kwamen. Eenmaal in de buurt stelden de jongens een aantal vragen en direct daarna voelde aangever dat zijn zilverkleurige ketting door één van de jongens van zijn nek getrokken werd. Hierna kreeg aangever een vuistslag tegen zijn gezicht. Dezelfde jongen pakte zijn nektasje vast en opende deze. De jongen voelde met zijn handen of er spullen in zaten. De jongen zei “where is the money, do you have money”. De jongen pakte de spullen uit het tasje van aangever en gooide deze op de grond. De jongen begon de kleding van aangever en het lichaam van aangever af te tasten op zoek naar nog meer spullen. De jongen riep “phone, phone!”. Het lukte aangever om zijn telefoon in de bosjes te gooien. Dezelfde jongen zag dit en pakte de telefoon uit de bosjes. Hij gaf de telefoon terug. Kort daarna gaven alle drie de jongens ons een boks en verdwenen alle drie de jongens in de richting van Arnhem centrum. [5]
Verdachte heeft verklaard dat hij met twee vrienden in Arnhem was, dat ze toen, nadat ze eerder een jongen van zijn fiets hadden getrokken, naar Presikhaaf gingen en dat ze daar twee personen zagen. Verdachte en één van zijn vrienden gingen naar de twee personen toe. De andere vriend zou later komen. Toen ze bij de twee personen waren, kwam hun vriend ook. Hij hield de twee personen vast en zei: “controleer en kijk wat ze op zak hebben”. Verdachte heeft toen gecontroleerd wat de jongens op zak hadden, maar ze hadden niks op zak. De ketting die van het slachtoffer is weggenomen, is bij één van de jongens gebleven. [6]
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat daarmee de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte(n) is komen vast te staan. De verklaring die verdachte ter zitting heeft afgelegd, te weten dat hij niet degene was die de fouillering deed, acht de rechtbank niet aannemelijk in het licht van zijn eerdere verklaring bij de politie en de verklaringen van de aangevers.
ten aanzien van parketnummer 16/252955-23 [7]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 6-7;
- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 42-43;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 januari 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05/219601-25 feit 1, 2 en 3 en onder parketnummer 16/252955-23 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
ten aanzien van parketnummer 05/219601-25:
1.
hij op
of omstreeks15 juli 2025 te Arnhem,
in elk geval in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen,
op of aan de openbare weg te weten Sonsbeeksingel,
althans op een openbare weg
een toilettas,
in elk geval enig goed, dat/die
gehele of ten deleaan [slachtoffer 1] ,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde
(n)heeft weggenomen met
het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze
diefstal werd
voorafgegaan,vergezeld
en/of gevolgdvan geweld
en/of
bedreiging met geweldtegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk
om die diefstal
voor te bereiden ofgemakkelijk te maken
, of om,
bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf
hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door toen daar opzettelijk gewelddadig
en/of bedreigend:
- ( met kracht) aan de tas van die [slachtoffer 1] te trekken en/of te rukken,
waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen;
2.
hij op
of omstreeks17 juli 2025 te Arnhem,
in elk geval in Nederland
tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,
op of aan de openbare weg te weten Velperweg,
althans op een openbare
wegeen telefoon,
in elk geval enig goed, dat/die
gehele of ten deleaan [slachtoffer 2] ,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan
envergezeld
en/of gevolgdvan geweld
en/of
bedreiging met geweldtegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal
voor te bereiden of gemakkelijk te maken,
of om, bij betrapping op heterdaad,
aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk
te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door toen daar
opzettelijk gewelddadig
en/of bedreigend:
- die [slachtoffer 2] (van achteren) vast te pakken en/of op de grond te gooien,
- een hand bij die [slachtoffer 2] op de mond te leggen en/of houden,
- een schoen bij die [slachtoffer 2] op het gezicht te zetten
en/of
- tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: “dat ik moest blijven liggen”,

althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

3.
hij op
of omstreeks17 juli 2025 te Arnhem,
in elk geval in Nederland
tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,
op of aan de openbare weg te weten Lange Water, althans op een openbare weg
een ketting,
in elk geval enig goed, dat/die
gehele of ten deleaan [slachtoffer 3] ,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan,vergezeld
en/of gevolgdvan geweld
en/of
bedreiging met geweldtegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die
diefstal
voor te bereiden ofgemakkelijk te maken,
of om, bij betrapping op heterdaad,
aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door toen daar opzettelijk gewelddadig
en/of bedreigend:
- een ketting bij die [slachtoffer 3] van de nek te trekken en/of
- die [slachtoffer 3] tegen het hoofd/gezicht te slaan;
ten aanzien van parketnummer 16/252955-23:
hij op
of omstreeks31 juli 2023 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 16,01 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en
plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties
waren toegevoegd en
/ofongeveer 32,49 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van parketnummer 05/219601-25:
feit 1:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 3:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van parketnummer 16/252955-23:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit het jeugdstrafrecht toe te passen. Subsidiair is bepleit over te gaan tot strafvermindering wegens de jeugdige leeftijd van verdachte. Bepleit is om aan verdachte een straf op te leggen die het voorarrest niet overstijgt, bijvoorbeeld een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan 139 dagen (of anders) voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met oplegging van de bijzondere voorwaarden. De raadsvrouw heeft verzocht om daaraan te koppelen een proeftijd van 2 jaar.
De raadsvrouw heeft verder, op gronden zoals verwoord in de pleitnota, een schorsingsverzoek gedaan voor het geval de op te leggen gevangenisstraf het voorarrest overstijgt.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte(n) schuldig gemaakt aan een drietal straatroven in een tijdsbestek van twee dagen. Zij reden rond op hun fatbike en hebben driemaal toegeslagen op straat waarvan twee keer ‘s nachts. Straatroven zoals deze, waarbij op een brutale, intimiderende en gewelddadige manier te werk wordt gegaan door een groep jonge mannen in overtal, maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving en in het bijzonder bij de directe slachtoffers. Verdachte heeft met het plegen van deze straatroven kennelijk alleen gedacht aan zijn eigen voordeel.
Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van hasjiesj en hennep. De rechtbank acht dit feit bewezen, maar zal dit feit niet meenemen in de strafoplegging, nu dit een inmiddels ouder feit is dat niet in verhouding staat tot de andere bewezen feiten en verdachte toen nog minderjarig was.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 december 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten in Nederland is veroordeeld.
Uit het reclasseringsrapport van 31 december 2025 blijkt dat verdachte niet op de afspraken met de reclassering is verschenen. Geadviseerd wordt om over te gaan tot toepassing van het volwassenenstrafrecht en oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, waaronder ambulante behandeling.
Ten aanzien van het verzoek van de verdediging om het adolescentenstrafrecht toe te passen overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaren, maar nog niet die van drieëntwintig jaren heeft bereikt, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht.
Anders dan door de verdediging is verzocht, ziet de rechtbank (evenals de officier van justitie) – in de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan – geen enkele grond om tot toepassing van het jeugdsanctierecht over te gaan. Verdachtes leeftijd (19 jaar ten tijde van de feiten), zijn houding en vaardigheden en de levensfase waarin hij verkeert, maar met name de aard en de ernst van de delicten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan geven geen reden af te wijken van de hoofdregel van berechting volgens het meerderjarigenstrafrecht. De rechtbank zal verdachte dus berechten conform het meerderjarigenstrafrecht.
Naar het oordeel van de rechtbank kan, mede vanuit een oogpunt van vergelding en speciale en generale preventie, gelet op de hiervoor genoemde ernst van het bewezenverklaarde, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Bij de bepaling van de duur daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Verder heeft de rechtbank wel sterk rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte, het feit dat zijn fatbike verbeurd zal worden verklaard en dat hij enige openheid van zaken heeft gegeven. De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, passend. De rechtbank bepaalt de proeftijd op 3 jaar en zal aan het voorwaardelijk strafdeel de voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering opleggen.
schorsingsverzoek
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank stelt vast dat de schorsing met ingang van heden is geëindigd. Hoewel de rechtbank verzuimd heeft dit in de beschikking op te nemen, is dit wel ter zitting uitgesproken en staat dit ook opgenomen in het proces-verbaal. Het verzoek om verdachte opnieuw te schorsen, wordt afgewezen, omdat verdachte zich niet heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden. Hij verscheen niet op de afspraak met de reclassering en heeft het contact met de reclassering ook niet onderhouden.

8.De beoordeling van het beslag

Omdat de in beslag genomen hasjiesj en hennep middelen zijn zoals bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, zal de rechtbank bevelen dat deze op grond van artikel 13a van de Opiumwet worden onttrokken aan het verkeer.
De rechtbank zal de fatbike die aan verdachte toebehoort, met behulp waarvan feiten 2 en 3 van parketnummer 05/219601-25 zijn begaan of voorbereid, verbeurd verklaren. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Van de zijde van de verdediging is niets aangevoerd omtrent de waarde van de fiets.
De rechtbank zal de teruggave van de blauwe Apple iPhone telefoon aan de rechthebbende gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.
De rechtbank zal de teruggave van de blauwe Samsung telefoon aan verdachte gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;
- 3, 11 en 13a van de Opiumwet.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 8 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen bij Reclassering Nederland op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem;
- verdachte zich laat behandelen en/of begeleiden door ForFACT Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Mocht een behandeling bij het ForFACT niet uitvoerbaar zijn, dan zal verdachte meewerken aan de inzet van ambulante begeleiding bij Jan Arends of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering;
- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de medeverdachte: [medeverdachte] , geboortedatum [geboortedatum 2] 2007. De politie ziet toe op dit verbod;
- verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
- verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of drugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. Indien uit deze controles blijkt dat verdachte zijn alcohol en/of drugsgebruik niet onder controle heeft en de reclassering het – in het kader van recidiverisicobeheersing – noodzakelijk acht, dan werkt verdachte ook mee aan een ambulante behandeling binnen de verslavingszorg;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 verstaat dat de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden is geëindigd.
De beslissing op het beslag
 beveelt de onttrekking aan het verkeer van de hasjiesj en hennep;
 verklaart verbeurd de fatbike;
 gelast de teruggave van de blauwe Samsung telefoon aan verdachte en de blauwe iPhone telefoon aan de rechthebbende.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Snijders (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. Y. Rikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 januari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025342056, gesloten op 8 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 40-41.
3.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 700-701.
4.Proces-verbaal van aangifte [aangever] , p. 32.
5.Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 36-37.
6.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 701-702, verklaring van verdachte ter zitting.
7.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Eenheid Midden-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0900-2023231697, gesloten op 5 augustus 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.