Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4893

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
05/233040-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens gekwalificeerde verkrachting van minderjarig meisje tijdens Koningsdag

Op 26 april 2025 heeft verdachte een vijftienjarig meisje in een dixie te Arnhem verkracht. De rechtbank acht bewezen dat verdachte seksuele handelingen heeft verricht, waaronder penetratie met penis en vingers, waarbij sprake was van dwang en misbruik van de dronkenschap van het slachtoffer.

De verklaring van het slachtoffer is consistent en wordt ondersteund door getuigenverklaringen en forensisch DNA-bewijs. Verdachte heeft de seksuele handelingen gedeeltelijk erkend, maar ontkent dwang. De rechtbank oordeelt dat dwang wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot 28 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden geadviseerd door de reclassering. Tevens wordt een contactverbod (38v-maatregel) opgelegd voor drie jaar. De vordering tot schadevergoeding wordt deels toegewezen: €1.350 aan materiële schade en €7.500 aan smartengeld, beide met wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 28 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met contactverbod en gedeeltelijke schadevergoeding voor gekwalificeerde verkrachting.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/233040-25
Datum uitspraak : 19 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. G.J. van Oosten, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 27 februari 2026 en 5 juni 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 april 2025 te Arnhem
met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [minderjarige] een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn penis in de vagina, althans tussen de schaamlippen en/of in de mond van die [minderjarige] en/of
- het brengen van zijn vingers in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [minderjarige] en/of
- het betasten van de borsten en/of de billen van die [minderjarige] en/of
- het (tong)zoenen van die [minderjarige] ,
en welke verkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door
dwang, geweld en/of bedreiging, door
- die [minderjarige] onverhoeds een dixie in te duwen en/of de deur van die dixie op slot te draaien en/of (meermaals) die [minderjarige] te beletten de deur van die dixie van het slot te draaien, waardoor die [minderjarige] die dixie niet kon verlaten en (aldus) in haar bewegingsvrijheid werd beperkt en/of
- de broek en de onderbroek van die [minderjarige] omlaag te trekken en/of die [minderjarige] om te draaien en/of die [minderjarige] naar beneden te duwen en/of
- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [minderjarige] hiermee te overrompelen en/of
- (hierbij) misbruik te maken van zijn fysieke overwicht op die [minderjarige] en/of het feit dat die [minderjarige] (in verregaande mate) onder invloed was van alcohol en/of
- (hierbij) voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [minderjarige] en/of
- (hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie te creëren dat die [minderjarige] zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde gekwalificeerde verkrachting, in het bijzonder verkrachting voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat de verklaringen van aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Verder bevat het procesdossier onvoldoende steunbewijs voor die verklaringen. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van dwang, waardoor verdachte in ieder geval moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde gekwalificeerde verkrachting.
Beoordeling door de rechtbank
De bewijsmiddelen
Bevindingen politie ter plaatse
Op 26 april 2025 omstreeks 23:40 uur bevond gecertificeerd zedenrechercheur [verbalisant 1] zich in verband met Koningsdag op de Rodenburgstraat in Arnhem. Zijn groepscommandant informeerde hem dat een jongedame zich bij de beveiliging had gemeld, omdat ze zou zijn verkracht.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft vervolgens een kort gesprek gevoerd met het slachtoffer [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2009. In dit gesprek vertelde [minderjarige] dat zij met een jongen naar de dixies was gegaan, waar hij seks met haar heeft gehad. Daarmee bedoelde ze dat zijn piemel zonder condoom in haar vagina was gegaan. [minderjarige] wilde dat niet. Ze wilde dat hij stopte, maar hij ging door. Dit was 20 minuten geleden gebeurd. Ze kende de jongen niet, maar ze dacht dat hij veel ouder was dan zij. Ze was er nog niet klaar voor om seks te hebben. Het was de eerste keer dat ze seks had.
Tijdens het gesprek merkte verbalisant [verbalisant 1] dat [minderjarige] duidelijk onder invloed was van alcohol: haar adem rook sterk naar alcohol en ze sprak met dubbele tong. [2]
Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] werden omstreeks 23:45 uur aangesproken door een omstander, die vertelde dat iemand op de grond lag die iemand anders verkracht zou hebben. Ter plaatse zagen zij dat iemand op de grond werd gehouden door een beveiliger. De persoon op de grond bleek verdachte te zijn. Verbalisant [verbalisant 2] zag dat verdachte een telefoon en pet in zijn linkerhand vast had. Hij voelde een andere telefoon in één van zijn zakken. Op enig moment zag hij dat verdachte langs de hekken bukte, de verbalisant kreeg het gevoel dat verdachte iets wilde verbergen, maar kon niet zien wat. Even later zag hij dat een mobiele telefoon lag onder het hek waar verdachte stond en had gebukt. De telefoon bleek van [minderjarige] te zijn. [3] Verdachte heeft verklaard dat hij de telefoon daar had neergelegd. [4]
De verklaringen van aangeefster [minderjarige]
Tijdens het informatief gesprek zeden op 27 april 2025 om 1:00 uur verklaarde [minderjarige] dat ze met twee vriendinnen, waaronder [getuige] , in Arnhem was voor Koningsdag. [minderjarige] vroeg een man om een biertje voor haar te regelen, dat hij wel wilde betalen. De man bleef bij haar staan, zat aan haar borsten en kont en heeft haar gezoend.
Op een gegeven moment moest [minderjarige] naar de wc en ging ze met haar vriendinnen naar de wc-locaties (hierna: dixies). [minderjarige] deed de deur open. De man stond voor de dixie. Hij kwam binnen en deed de deur op slot. De man deed zijn broek omlaag. De verdachte heeft ook haar broek omlaag gedaan. Hij deed zijn piemel in haar vagina. Op een gegeven moment ging zijn piemel uit haar en draaide hij haar om. Hij deed zijn piemel weer in haar. Het was haar eerste keer. Ze weet niet meer hoe het stopte. Ze deed haar onderbroek en broek omhoog en dicht. Dat had ze al een paar keer eerder geprobeerd. [5]
Tijdens haar aangifte heeft [minderjarige] deze verklaring bevestigd. Ze voegde hieraan toe dat ze twee biertjes, 5 blikjes Lavish (de rechtbank begrijpt: een alcoholisch mixdrankje) en Bacardi had gedronken voor ze de man voor het eerst tegenkwam. Ze was niet nuchter.
Verder verklaarde ze dat de man haar de dixie induwde. Hij deed de deur op slot en ging ervoor staan, zodat ze het slot niet open kon maken. Hij deed haar broek uit door de knoop los te maken en de rits open te doen. Hij heeft haar omgedraaid en seks met haar gehad. Zij probeerde zich terug te draaien, maar dat lukte niet, omdat hij seks met haar had. Zij dacht dat hij zijn piemel in haar vagina deed. Op een gegeven moment lukt het haar om zich om te draaien. Zij probeerde haar onderbroek en broek aan te doen. Hij hield haar tegen door haar broek weer omhoog te doen. Uiteindelijk lukt het haar om haar onderbroek en broek omhoog te trekken. Omdat hij voor de deur stond, kon zij het slot niet makkelijk open maken. Zij heeft het wel geprobeerd. Ze deed het slot open, maar hij deed het weer dicht. Dat probeerde ze een paar keer.
[minderjarige] probeerde niet mee te werken. Ze probeerde zich niet om te draaien toen hij haar omdraaide. Ze deed haar broek weer aan toen hij die had uitgedaan. Ze probeerde een paar keer uit de dixie te komen. Ze probeerde iedere keer het slot open te draaien. Ze zei een paar keer dat ze terug moest naar haar vriendinnen, maar hij zei: ‘nee, dat hoeft niet’.
Nadat ze weg was gekomen, zat ze op een stoepje te huilen. Twee onbekende meiden hielpen haar.
De man was een tot anderhalve kop groter dan [minderjarige] , die 1.60 meter is. [6]
Getuigenverklaringen
[getuige] (hierna: [getuige] ) heeft verklaard dat ze onder andere met [minderjarige] bij de Matrixx was toen een jongen naar [getuige] knipoogde. Hij stond naar hun groep te loeren. Volgens [getuige] was [minderjarige] al echt zat. Van hun groepje was zij het meest onder invloed. De jongen die eerder naar [getuige] knipoogde, stond bij [minderjarige] en had haar ook vast. [getuige] zag dat [minderjarige] een drankje van hem kreeg. Op een gegeven moment wilden ze naar huis. Ze liepen naar buiten en die jongen stond opeens midden in hun groepje. [getuige] vond dit raar en zei dat hij weg moest gaan. Uiteindelijk liep de jongen weg.
[minderjarige] ging naar de wc. Die jongen was nergens te bekennen. Na tien minuten appte [getuige] , [minderjarige] en een andere vriendin waar ze bleven, die andere vriendin liet weten dat ze [minderjarige] kwijt was. [getuige] had een onderbuikgevoel dat er mogelijk iets was gebeurd met die jongen. Ze waren haar heel lang kwijt. Ze is langs alle dixies gelopen, heeft op deuren gebonkt en de naam van [minderjarige] geroepen.
Op enig moment kwam opeens [minderjarige] de hoek om lopen. Haar top zat helemaal raar en je kon haar beha zien. [getuige] zag dat [minderjarige] tranen op haar gezicht had, ze huilde niet meer, maar je zag de tranen nog zitten. Ze zag shock op het gezicht van [minderjarige] . Hierdoor wist [getuige] dat er iets was gebeurd. Het eerste wat zij vroeg was: ‘Waar is hij?’ [7]
Verklaring verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn penis tussen de schaamlippen van [minderjarige] is geweest en haar heeft gepenetreerd met zijn vingers. Verdachte droeg geen condoom. [8]
Forensisch bewijs
Er zijn DNA-monsters afgenomen bij [minderjarige] , waaronder diep vaginaal. Bij deze bemonstering is mannelijk DNA aangetroffen. Volgens het NFI is de hypothese dat het DNA afkomstig is van verdachte of een man die in de mannelijke lijn aan hem verwant is zeer veel waarschijnlijker dan de hypothese dat dit DNA afkomstig is van een willekeurige man. [9] De rechtbank gaat er dan ook van uit dat dit DNA van verdachte afkomstig is. Er zijn DNA-monsters afgenomen van verdachte, waaronder van de penishuid, de eikel, onderzijde rand eikel, balzak, rechterwijsvinger en rechtermiddelvinger. Er is DNA aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [minderjarige] . Voor deze bemonstering van de penishuid en rechterwijsvinger is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [minderjarige] berekend welke meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is dan wanneer het DNA van een willekeurige onbekende persoon is. Gelet op dit resultaat is de bewijskracht niet berekend voor de overige monsters. De rechtbank gaat ervan uit dat het DNA van [minderjarige] afkomstig is.
Algemene overwegingen ten aanzien van bewijs in zedenzaken
Zedenzaken kenmerken zich in het algemeen door het gegeven dat slechts twee personen – de aangeefster en de verdachte – aanwezig waren bij de ten laste gelegde handelingen. In deze zaak is dit niet anders.
Volgens het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad in zedenzaken kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de seksuele handelingen als zodanig bevestiging dienen te vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende wanneer de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daarnaast geldt dat een voor het bewijs gebruikte verklaring op zichzelf ook voldoende betrouwbaar moet zijn.
Waardering van het bewijs
[minderjarige] heeft – kort gezegd – verklaard dat verdachte haar heeft gedwongen om seksuele handelingen met hem te verrichten. Zij is op hoofdlijnen consistent in haar verklaringen, zowel ter plaatse, tijdens het informatief gesprek zeden en tijdens haar aangifte. Ze is duidelijk over wat ze wel of niet weet, zelfs als ze daarmee terugkomt op iets wat ze eerder heeft verklaard. Dat ze niet alles meer even scherp heeft, is ook niet gek, gelet op de hoeveelheid alcohol die ze die avond heeft gedronken en de tijdstippen waarop zij vervolgens is gehoord, maar dat maakt haar verklaring nog niet onbetrouwbaar. Gelet op het feit dat verdachte haar heeft omgedraaid, kan het voor [minderjarige] niet duidelijk zijn geweest of hij haar de tweede keer met zijn penis of met zijn vingers penetreerde. De forensische bevindingen maken hierin bovendien geen onderscheid. Ook dit kan dus niet leiden tot de conclusie dat haar verklaring onbetrouwbaar is.
De verklaring van [minderjarige] vindt op belangrijke onderdelen bevestiging in de overige bewijsmiddelen. Zo bevestigt [getuige] dat verdachte [minderjarige] vóór het incident al in de gaten had en een drankje voor haar heeft gekocht. Bovendien ziet zij vrijwel direct ná het incident dat [minderjarige] had gehuild en in shock was. Uit de verklaring van verdachte en uit het DNA-onderzoek blijkt dat er inderdaad seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen [minderjarige] en verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [minderjarige] betrouwbaar is, ook omdat deze in voldoende mate wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het procesdossier.
Verdachte heeft verklaard dat [minderjarige] hem zonder iets te zeggen een dixie in trok, waar ze vrijwillig seks met elkaar hebben gehad.
Gelet op:
  • de situatie voorafgaand aan het moment in de dixies; verdachte contact zocht met het vriendinnengroepje, hij een drankje voor slachtoffer heeft gekocht, hij op enig moment daarna weer in het groepje kwam staan en gevraagd werd om te vertrekken;
  • het feit dat [minderjarige] veel jonger was dan verdachte en nog maagd was en het gebeurde in een dixie;
  • het feit dat verdachte na afloop de telefoon van [minderjarige] heeft gepakt en uit zicht van de politie heeft gelegd;
  • de hiervoor beschreven wijze waarop [minderjarige] werd aangetroffen door omstanders en haar vriendinnen;
vindt de rechtbank deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig.
Ten aanzien van de bewezenverklaring oordeelt de rechtbank verder als volgt.
Verkrachting
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zijn penis en vingers in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van [minderjarige] heeft gebracht. Hoewel [minderjarige] zelf niet heeft verklaard dat verdachte haar met zijn vingers heeft gepenetreerd, heeft verdachte dit wel verklaard. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat [minderjarige] dit niet heeft meegekregen of anders heeft opgevat, omdat ze omgedraaid stond (met haar rug naar verdachte toe) en dacht dat verdachte haar opnieuw met zijn penis penetreerde.
Daarmee heeft verdachte seksuele handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, verricht met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren.
In zoverre is het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het brengen van zijn penis in de mond van [minderjarige] . Hoewel ze hierover bij het politiebureau en het informatief gesprek zeden heeft verklaard, heeft ze later gezegd dat ze hier geen herinnering meer aan heeft. De rechtbank kan hierdoor met onvoldoende zekerheid vaststellen of dit is gebeurd of niet.
Tot slot spreekt de rechtbank verdachte vrij van het zoenen en het betasten van de billen van [minderjarige] , omdat [minderjarige] heeft verklaard dat dit tijdens de eerdere situatie bij de bar is gebeurd, en niet in de dixie. Deze handelingen vormen dus geen onderdeel van de verkrachting.
Gekwalificeerde verkrachting
Verder stelt de rechtbank vast dat verdachte [minderjarige] onverhoeds een dixie in heeft geduwd, de deur op slot heeft gedraaid en haar meermaals belet heeft om het slot open te maken, waardoor [minderjarige] de dixie niet kon verlaten en beperkt werd in haar bewegingsvrijheid. Vervolgens heeft hij haar broek en onderbroek omlaag getrokken, waarna de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.
Verdachte was veel langer en ouder dan [minderjarige] en hij moet van tevoren hebben gezien dat zij in verregaande mate onder invloed was van alcohol, nadat er al contact tussen hen was geweest. De rechtbank vindt dan ook dat verdachte van deze omstandigheden misbruik heeft gemaakt.
[minderjarige] heeft geprobeerd tegen te werken, of in ieder geval niet mee te werken, en zei meerdere keren dat ze terug moest naar haar vriendinnen, maar verdachte negeerde dit. Daarmee is hij voorbij gegaan aan haar verbale en non-verbale signalen van verzet en weerstand.
Hiermee heeft verdachte een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie gecreëerd dat [minderjarige] zich niet aan de seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van dwang. Daarmee acht de rechtbank gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onverhoeds verrichten van de seksuele handelingen en [minderjarige] daarmee te overrompelen, omdat het onverhoedse volgens de rechtbank vooral zit in het moment dat verdachte de dixie binnenkwam.
Verder spreekt de rechtbank verdachte vrij van het naar beneden duwen van [minderjarige] , omdat [minderjarige] hier alleen over heeft verklaard in de context van het pijpen van verdachte, waarvan de rechtbank hem vrijspreekt.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks26 april 2025 te Arnhem
met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [minderjarige]
een of meerseksuele handelingen, die
bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn penis in de vagina, althans tussen de schaamlippen
en/of in de mondvan die [minderjarige] en
/of- het brengen van zijn vingers in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [minderjarige] en
/of- het betasten van de borsten en/of de billen van die [minderjarige] en/of- het (tong)zoenen van die [minderjarige],
en welke verkrachting werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door
dwang,
geweld en/of bedreiging,door
- die [minderjarige] onverhoeds een dixie in te duwen en
/ofde deur van die dixie op slot te draaien en
/of (meermaals
)die [minderjarige] te beletten de deur van die dixie van het slot te draaien, waardoor die [minderjarige] die dixie niet kon verlaten en (aldus) in haar bewegingsvrijheid werd beperkt en
/of- de broek en de onderbroek van die [minderjarige] omlaag te trekken en
/ofdie [minderjarige] om te draaien
en/of die [minderjarige] naar beneden te duwenen
/of- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [minderjarige] hiermee te overrompelen en/of- (hierbij) misbruik te maken van zijn fysieke overwicht op die [minderjarige] en
/ofhet feit dat die [minderjarige]
(in verregaande mate
)onder invloed was van alcohol en/of
- (hierbij) voorbij te gaan aan de verbale en
/ofnon-verbale signalen van verzet/weerstand van die [minderjarige] en
/of- (hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie te creëren dat die [minderjarige] zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.

5.De strafbaarheid van de feiten

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:
  • een gevangenisstraf van 28 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en
  • de 38v-maatregel voor de duur van drie jaar, inhoudende dat verdachte geen contact zal opnemen met [minderjarige] , waarbij één week hechtenis moet worden opgelegd per overtreding.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bij veroordeling oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, eventueel in combinatie met een taakstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verkrachten van een destijds 15-jarig meisje in een openbaar toilet tijdens de Koningsdag-feesten in Arnhem. Ze waren volslagen vreemden voor elkaar. Verdachte heeft [minderjarige] gedwongen om de seksuele handelingen te ondergaan, onder andere door haar op te sluiten in het toilet, misbruik te maken van haar dronkenschap en door haar signalen van weerstand te negeren. Zij was daarbij nog maagd en hij droeg geen condoom.
Verdachte heeft met zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [minderjarige] . Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten hiervan nog zeer lange tijd de nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Uit de slachtofferverklaring die [minderjarige] ter zitting heeft voorgelezen, blijkt ook dat het handelen van verdachte een grote impact op haar leven heeft gehad en nog steeds heeft.
Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen, maar bleef volhouden dat [minderjarige] de seksuele handelingen zelf heeft geïnitieerd. Het moet erg kwetsend voor haar zijn geweest om dit te horen.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Verdachte heeft een blanco strafblad.
Reclassering Nederland heeft op 13 februari 2026 een advies over verdachte uitgebracht. Volgens de reclassering heeft het er alle schijn van dat verdachte zich door spanning en seksuele opwinding heeft laten meeslepen. Verdachte heeft zijn leven op de rit zonder grote problemen op verschillende leefgebieden. De reclassering ziet zijn middelengebruik als delictgerelateerde factor, omdat de inname van alcohol een ontremmende werking heeft gehad. Daarnaast ziet de reclassering kwetsbaarheden op het gebied van psychosociaal functioneren, omdat verdachte ogenschijnlijk moeilijk over gevoelens kan praten, zich moeilijk kan uiten en beperkt assertief is. Daarom is verdachte in een vrijwillig kader gestart met een hulpverleningstraject. Volgens de reclassering is (ten tijde van het schrijven) de huidige hulpverlening echter niet op de hoogte van de tenlastelegging, het delictgedrag en de omstandigheden waaronder dit is ontstaan. Daarom vindt de reclassering dat de huidige hulpverlening onvoldoende gericht is op het verminderen van het recidiverisico. Het ontbreken van een constructieve dagbesteding, gecombineerd met het gemiddelde recidiverisico, leidt de reclassering tot de conclusie dat een plan van aanpak noodzakelijk is.
Bij veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden:
  • meldplicht bij de reclassering;
  • ambulante behandeling/diagnostiek;
  • dagbesteding; en
  • beheersing van het middelengebruik.
Gevangenisstraf
De rechtbank vindt dat, gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alleen een forse gevangenisstraf passend is. Een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest, zoals door de verdediging bepleit, doet daar absoluut geen recht aan.
De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte passende hulp krijgt, die op de hoogte is van onderhavig feit. Daarom zal zij een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Gelet op de leeftijd van verdachte zal de rechtbank een groter voorwaardelijk deel opleggen dan de officier van justitie heeft geëist.
De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 28 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
38v-maatregel
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Deze maatregel houdt in een contactverbod met [minderjarige] voor de duur van 3 jaar. De rechtbank houdt hierbij rekening met de ernst van het feit en het feit dat verdachte kennelijk achter het adres van [minderjarige] is gekomen.
De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis bedraagt één week per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [minderjarige] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.1350,- aan materiële schade en € 10.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, gelet op de bepleite vrijspraak.
Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden gematigd, omdat de aangehaalde jurisprudentie niet vergelijkbaar is met onderhavige casus.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft als materiële kosten opgevoerd de kosten voor therapie, waarbij het laatst gevoerde consult op 30 mei 2026 heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat de kosten voor de kindercoach niet inhoudelijk zijn betwist. Deze schadepost is verder voldoende onderbouwd met een factuur. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kosten voor de kindercoach tot een hoogte van € 1.350,- kan worden toegewezen met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2026.
Voor het overige ziet de vordering op toekomstige schade. De behandeling van deze schadepost levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door het bewezenverklaarde feit is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Seksueel misbruik vormt immers een dusdanig ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 7.500,- vaststellen. Hierbij heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Verdachte is vanaf 26 april 2025 wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in de vordering.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 12 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Middendreef 293 in Lelystad ;
- verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Indien diagnostiek nodig wordt geacht, werkt verdachte daaraan mee. De behandeling is gericht op cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- verdachte zich gedurende de proeftijd zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur;
- verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van alcohol en/of het gebruik daarvan te leren beheersen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte zich gedurende drie jaren onthoudt van – direct of indirect – contact met:
o [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009;
 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [minderjarige] van € 1.350,- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [minderjarige] voor het overige niet ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [minderjarige] , een bedrag te betalen van € 1.350,- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 7.500,- aan smartengeld vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 69 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.D. Leen (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. I. de Bruin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers en mr. B. Drost, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2026.
mr. Drost is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer ONRBC25632 LIJSTER, gesloten op 13 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 28-29.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 21 en 22.
4.Verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 5 juni 2026.
5.Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 33 en 34.
6.Proces-verbaal van aangifte door [minderjarige] , p. 39, 40, 43 - 47.
7.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 59 - 61.
8.Verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 5 juni 2026.
9.Het NFI-rapport, p. 108 en 110.