ECLI:NL:RBGEL:2026:4894

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
K/5001/12190572
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging vonnis ontruiming woning

De eiser huurt sinds 1998 een woning van Stichting Portaal. Portaal heeft een bodemprocedure gestart om de huurovereenkomst te ontbinden en ontruiming te vorderen. Op 8 april 2026 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden en de ontruiming bevolen, met uitvoerbaarheid bij voorraad. De eiser stelde beroep in en verzocht in kort geding om schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis.

De eiser voerde aan dat haar belangen en die van haar meerderjarige zoon onvoldoende waren meegewogen, mede omdat de zoon zijn reclasseringstraject succesvol had afgerond. Portaal stelde dat de uitvoerbaarheid bij voorraad gemotiveerd was en dat geen sprake was van een kennelijke misslag of nieuwe feiten die een afwijking rechtvaardigen.

De kantonrechter oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig was, maar dat de eerdere belangenafweging in het vonnis van 8 april 2026 niet onjuist was. Er was geen sprake van een kennelijke misslag en de door de eiser aangevoerde feiten waren al bekend bij de eerdere beslissing. De positieve ontwikkelingen bij de zoon rechtvaardigden geen afwijking van het eerdere vonnis.

Daarom werd het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging afgewezen en werd de eiser veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de ontruiming wordt afgewezen wegens ontbreken van kennelijke misslag of nieuwe feiten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12190572 \ VV EXPL 26-55
Vonnis in kort geding van 10 juni 2026
in de zaak van
[naam eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. K.D.C. Schemkes,
tegen
de stichting
STICHTING PORTAAL,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Portaal,
gemachtigde: mr. J.G. van Heertum.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 1 mei 2026 met producties 1 tot en met 4,
  • de producties 1 en 2 van Portaal,
  • de producties 5 tot en met 8 van [de eiser] ,
  • de mondelinge behandeling van 27 mei 2026 ter gelegenheid waarvan de gemachtigden van [de eiser] en Portaal spreekaantekeningen hebben voorgedragen en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
[de eiser] huurt sinds 30 januari 1998 de woning gelegen aan [adres] in [woonplaats] (hierna: het gehuurde). [de eiser] bewoont het gehuurde samen met haar meerderjarige zoon, de heer [de zoon] (hierna: de zoon). Portaal is de verhuurder.
2.2.
Bij dagvaarding van 19 juni 2025 heeft Portaal een bodemprocedure aanhangig gemaakt waarin zij ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde heeft gevorderd.
2.3.
Bij vonnis van 8 april 2026 met zaaknummer 11781706 \ CV EXPL 25-5393 (hierna: het vonnis van 8 april 2026) heeft de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en de ontruimingstermijn gesteld op 14 dagen na betekening van dat vonnis. Ten aanzien van de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring heeft de kantonrechter het volgende overwogen:
“Het uitgangspunt is dat een vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van de huurder om de uitkomst van een hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan het belang van de verhuurder bij directe uitvoering. De relevante belangen zijn reeds onder ro. 4.7. t/m 4.9. gewogen. De kantonrechter is van oordeel dat de belangen van Portaal bij een directe beëindiging van de huurovereenkomst zwaarder wegen dan het woonbelang van [de eiser] . De ernst van de tekortkoming rechtvaardigt dat Portaal direct over kan gaan tot uitvoering van dit vonnis. De vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal dan ook worden toegewezen.”
2.4.
Portaal heeft het vonnis van 8 april 2026 laten betekenen op 16 april 2026. Bij dit exploot is aan [de eiser] de ontruiming van de woning tegen 3 juni 2026 vanaf 08:00 aangezegd.
2.5.
[de eiser] heeft op 17 april 2026 beroep ingesteld tegen het vonnis van 8 april 2026.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, sector kanton d.d. 8 april 2026, gewezen onder zaaknummer 11781706 CV EXPL 25 – 5393 schorst en Portaal verbiedt de woning aan de [adres] [woonplaats] te ontruimen totdat op het door [de eiser] tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is beslist bij eindarrest,
Portaal veroordeelt in de kosten van de procedure.
3.2.
[de eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat haar belangen en de gevolgen van ontruiming onvoldoende zijn meegenomen bij de afweging om de vorderingen van Portaal toe te wijzen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Verder stelt [de eiser] dat haar zoon zijn reclasseringstraject positief heeft afgerond en zijn leven heeft gebeterd waardoor de kans op herhaling klein is.
3.3.
Portaal voert aan dat de uitvoerbaarheid bij voorraad in het vonnis van 8 april 2026 door de kantonrechter is gemotiveerd en dat er daarom in deze procedure geen plaats is voor een belangenafweging. Verder voert Portaal aan dat geen sprake is van een kennelijke misslag. De aangevoerde feiten en omstandigheden rondom de zoon maken volgens Portaal niet dat dit rechtvaardigt dat van het vonnis van 8 april 2026 afgeweken wordt. Mocht in deze procedure toch een belangenafweging worden gemaakt, dan dient deze volgens Portaal wederom in haar voordeel uit te vallen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het spoedeisend belang is bij een executiegeschil als dit gegeven. Ook heeft Portaal de ontruiming aangezegd tegen 3 juni 2026. [de eiser] is dus ontvankelijk in haar vordering.
Toetsingskader
4.2.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling hangende een hogere voorziening uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
4.3.
Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de kantonrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
4.4.
Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
Geen kennelijke misslag
4.5.
Niet gesteld noch gebleken is dat sprake is van een juridische of feitelijke misslag. Een verdere beoordeling op dit punt zal daarom achterwege blijven.
Belangenafweging
4.6.
Hoewel [de eiser] in de dagvaarding en tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid heeft toegelicht dat volgens haar, haar belangen onvoldoende zijn meegewogen bij de beslissing tot ontruiming van het gehuurde en de uitvoerbaarheid bij voorraad, is er in deze procedure geen plaats voor een nieuwe belangenafweging. De kantonrechter heeft in het vonnis van 8 april 2025 namelijk de belangen van partijen bij de beslissing om het vonnis wel of niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, afgewogen en die beslissing van een motivering voorzien.
Nieuwe feiten en omstandigheden
4.7.
[de eiser] benoemt in de dagvaarding haar medische situatie, de lange duur van de huurovereenkomst, haar goede huurderschap en het intrekken, door de Burgemeester van [woonplaats] , van het besluit tot sluiting van het gehuurde. Deze feiten en omstandigheden waren bekend ten tijde van de bodemprocedure en komen ook terug in de belangenafweging die de kantonrechter maakt in het vonnis van 8 april 2026. Dit betekent dat dit geen nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn.
4.8.
Verder benoemt [de eiser] het uitdienen van de straf door de zoon en de minimale kans op herhaling. Ook heeft [de eiser] een verklaring van haar zoon overgelegd waarin hij verklaart dat hij zijn straf heeft uitgediend en het traject bij de reclassering succesvol heeft afgerond. Verder verklaart de zoon dat hij inmiddels weer studeert en 16 uur per week stage loopt. Hoewel [de eiser] recente positieve ontwikkelingen benoemt en stelt dat haar zoon zijn leven heeft gebeterd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze omstandigheid geen afwijking van de eerdere beslissing rechtvaardigt. De voorzieningenrechter zal de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging daarom afwijzen.
De proceskosten
4.9.
[de eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Portaal worden begroot op:
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
721,00

5.De beslissing

De kantonrechter
rechtdoende als voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [de eiser] af,
5.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
68348 66349