ECLI:NL:RBGEL:2026:4895

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
AWB-24_3136
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 4:84 AwbArt. 7:12 AwbArt. 24 WWArt. 27 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verlaging WW-uitkering wegens niet vooraf waarschuwen door UWV

Eiser ontving een WW-uitkering die door het UWV met 25% werd verlaagd vanwege het niet voldoen aan de sollicitatieplicht in de periode van 11 oktober tot en met 7 november 2023. Het UWV stelde dat eiser onvoldoende had gesolliciteerd en dat hij voldoende was geïnformeerd over zijn verplichtingen. Eiser was echter niet voorafgaand aan deze overtredingsperiode gewaarschuwd, terwijl het UWV dit volgens eigen beleidsregels had moeten doen.

De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht stelde dat de sollicitatieplicht was geschonden, maar dat het opleggen van een maatregel zonder voorafgaande waarschuwing in strijd was met artikel 4 van Pro de Beleidsregel maatregelen UWV. De schriftelijke waarschuwing werd pas na de overtredingsperiode gegeven, waardoor de maatregel zijn doel miste. Het UWV had daarom moeten volstaan met een waarschuwing in plaats van een verlaging van de uitkering.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit tot verlaging van de uitkering. In plaats daarvan wordt aan eiser een schriftelijke waarschuwing opgelegd. Tevens moet het UWV het griffierecht en de proceskosten aan eiser vergoeden. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking omdat het beroep gegrond is op het ontbreken van de voorafgaande waarschuwing.

Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de WW-uitkering wordt vernietigd en vervangen door een schriftelijke waarschuwing.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3136

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. Y. Eryilmaz),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: R.V. Gerritsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlaging van eisers uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) met 25% voor de duur van vier maanden. Eiser is het niet eens met deze verlaging. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV in strijd met zijn eigen beleidsregels heeft gehandeld, door een maatregel op te leggen zonder dat eiser vóórafgaand aan de overtredingsperiode is gewaarschuwd. Eiser krijgt gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 30 november 2023 is eisers uitkering verlaagd met 25% voor de duur van vier maanden omdat eiser niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht. Met het bestreden besluit van 8 april 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken ARN 23/6124 en ARN 24/8921 plaatsgevonden op 9 februari 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen ter zitting. In de beide andere beroepen heeft de rechtbank afzonderlijk uitspraak gedaan.
2.3.
Omdat tijdens de zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft de rechtbank het onderzoek in deze procedure geschorst. Het UWV is in de gelegenheid gesteld om toe te lichten of het UWV gelet op de Beleidsregel maatregelen UWV (de Beleidsregel) in dit geval een maatregel mocht opleggen. Bij brieven van 20 februari 2026 en 25 maart 2026 heeft het UWV hierop gereageerd. Eiser heeft met een e-mailbericht van 16 maart 2026 gereageerd.
2.4.
Bij brief van 10 april 2026 heeft de rechtbank aangekondigd dat zij voornemens is een (nadere) zitting achterwege te laten. Omdat geen van de partijen binnen de gestelde termijn heeft laten weten alsnog op een zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank bij brief van 13 mei 2026 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eiser heeft op 12 april 2022 een WW-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 28 april 2022 is aan eiser met ingang van 16 april 2022 een WW-uitkering toegekend. Bij ongewijzigde omstandigheden heeft eiser recht op de WW-uitkering voor een periode van twee jaar.
3.1.
Bij besluit van 9 november 2023 heeft het UWV eiser een schriftelijke waarschuwing gegeven, omdat hij van 13 september 2023 tot en met 10 oktober 2023 onvoldoende heeft gesolliciteerd. Dit besluit staat in rechte vast.
3.2.
Eiser heeft na een gesprek met de adviseur werk op 6 december 2023 vrijstelling gekregen van zijn sollicitatieplicht per die datum tot en met 31 januari 2024.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Met het besluit van 30 november 2023 is de WW-uitkering van eiser met ingang van 8 november 2023 verlaagd met 25% voor de duur van vier maanden. Daaraan ligt ten grondslag dat eiser van 11 oktober 2023 tot en met 7 november 2023 onvoldoende heeft gesolliciteerd.
4.1.
Met het bestreden besluit van 8 april 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser is verplicht vier keer per vier weken te solliciteren. Eiser heeft in de periode van 1 oktober 2023 tot en met 7 november 2023 minder dan vier keer gesolliciteerd. Dat is onvoldoende. Eiser was voldoende ingelicht over de sollicitatieverplichting en hij was ook geïnformeerd over het feit dat het niet nakomen van de sollicitatieverplichting een lagere WW-uitkering tot gevolg zou kunnen hebben. De tijdelijke vrijstelling van de sollicitatieverplichting geldt pas vanaf 6 december 2023. Er is geen aanleiding om de vrijstelling (ook) toe te passen op de periode van 1 oktober 2023 tot en met 7 november 2023. Er is geen reden om de verlaging te matigen van 25% naar 15% vanwege verminderde verwijtbaarheid, aldus het UWV.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Gronden bezwaar herhaald en ingelast
6. Allereerst merkt de rechtbank op dat eiser in beroep aanvoert dat de gronden van het bezwaar als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van bezwaargronden is niet af te leiden in welk opzicht de reactie van het UWV in het bestreden besluit op die bezwaargronden in de visie van eiser ontoereikend is. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met het enkel herhalen en inlassen van de gronden van bezwaar onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens eiser onjuist of onvolledig is en waarom.
Heeft eiser de sollicitatieverplichting geschonden?
7. De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat hij in de periode van 11 oktober 2023 tot en met 7 november 2023 niet tenminste vier keer heeft gesolliciteerd in vier weken als bedoeld in Besluit sollicitatieplicht werknemers WW en IOW 2012.
7.1.
De rechtbank beoordeelt vervolgens of eiser voldoende op de hoogte was van zijn rechten en plichten in het kader van de WW-uitkering. Allereerst geldt dat van een aanvrager van een WW-uitkering mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van zijn rechten en plichten. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat eiser door het UWV meerdere malen is gewezen op zijn sollicitatieplicht. In het toekenningsbesluit van 28 april 2022 is eiser erop gewezen dat het belangrijk is dat hij er alles aan doet om weer aan het werk te komen. Daarnaast is hij gewezen op zijn plichten met een WW-uitkering (te vinden op uwv.nl/mijnplichten). Verder is van belang dat op 17 mei 2022 het UWV een Werkplan heeft opgesteld dat aan eiser is toegezonden. Daarin staan afspraken die met eiser zijn gemaakt om hem te helpen bij het vinden van werk. Eén van de afspraken is dat eiser per vier weken minimaal vier sollicitatieactiviteiten moet doorgeven. Ook staat in dit Werkplan dat als het niet lukt om de sollicitatieactiviteiten te verrichten – bijvoorbeeld door ernstige problemen in de privésituatie – ontheffing van de sollicitatielicht kan worden gevraagd. Tot slot is van belang dat eiser op 17 mei 2022 en op 18 oktober 2022 een gesprek heeft gehad met de adviseur werk. Het UWV heeft onweersproken gesteld dat eiser tijdens die gesprekken ook is gewezen op zijn sollicitatieplicht. Hoewel in het bestreden besluit ten onrechte staat dat eiser als gevolg van zijn schriftelijke waarschuwing (ook) op de hoogte was van de sollicitatieplicht – de schriftelijke waarschuwing is namelijk pas gegeven ná de periode waar onderhavige maatregel betrekking op heeft – is de rechtbank op basis van het voorgaande van oordeel dat eiser op de hoogte was dan wel had kunnen zijn van zijn sollicitatieplicht.
7.2.
Eiser heeft verder aangevoerd dat hij – omdat hij van 6 december 2023 tot en met 31 januari 2024 is vrijgesteld van de sollicitatieplicht – ook in de periode van 11 oktober 2023 tot en met 7 november 2023 moet worden vrijgesteld van het solliciteren. Dit betoog slaagt niet. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, was eiser in het Werkplan van 17 mei 2022 geïnformeerd over de mogelijkheid van het vragen van (tijdelijke) ontheffing van de sollicitatieplicht, van welke mogelijkheid eiser kennelijk pas in december 2023 gebruik heeft gemaakt. Ook is van belang dat het UWV in het verweerschrift onweersproken heeft gesteld dat eiser op 27 juni 2023 een afspraak met de adviseur werk heeft afgezegd en op 19 oktober 2023 niet op een afspraak is verschenen, dat waren momenten geweest om de ontheffing van de sollicitatieplicht te bespreken.
7.3.
Gelet op het voorgaande heeft het UWV terecht gesteld dat eiser de sollicitatieplicht in de periode van 11 oktober 2023 tot en met 7 november 2023 heeft geschonden.
Mocht UWV een maatregel opleggen?
8. In geschil is vervolgens de vraag of het UWV in de schending van de sollicitatieplicht aanleiding heeft kunnen zien om eisers WW-uitkering gedurende vier maanden met 25% te verlagen.
8.1.
Naar aanleiding van de schorsingsbeslissing betoogt eiser dat het UWV gelet op artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregel had moeten afzien van het opleggen van een maatregel en had moeten volstaan met een schriftelijk waarschuwing. Ten tijde van de tweede overtredingsperiode had eiser nog geen schriftelijke waarschuwing ontvangen. Er was daarom geen sprake van een eerdere waarschuwing binnen twee jaar.
8.2.
De beroepsgrond slaagt. Anders dan het UWV heeft aangevoerd, mocht hij naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden geen maatregel opleggen. De rechtbank legt dit hieronder uit.
8.3.
In artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregel is bepaald dat het UWV afziet van het opleggen van een maatregel en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien wordt voldaan aan alle bij of krachtens de wet daaraan gestelde voorwaarden. De Beleidsregel is binnenwettelijk beleid en vindt zijn grondslag in artikel 27, zevende lid, van de WW. Tijdens de zitting heeft het UWV bevestigd dat het beleid zo moet worden begrepen dat in zaken als onderhavige een betrokkene eerst wordt gewaarschuwd voordat een maatregel wordt opgelegd. Ook uit het handelen van het UWV – door voor de eerste overtredingsperiode een waarschuwing op te leggen en nadien een maatregel – leidt de rechtbank af dat het UWV kennelijk van mening was dat – conform artikel 4 van Pro de Beleidsregel – eerst een waarschuwing moet worden opgelegd voordat een maatregel kan worden opgelegd.
8.4.
De rechtbank stelt vast dat eiser in de periode van 13 september 2023 tot en met 10 oktober 2023 (eerste overtredingsperiode) onvoldoende heeft gesolliciteerd. Daarop heeft het UWV op 9 november 2023 eiser schriftelijk gewaarschuwd. Vervolgens heeft eiser in de daaropvolgende periode van vier weken, 11 oktober 2023 tot en met 7 november 2023 (tweede overtredingsperiode), opnieuw niet voldaan aan de sollicitatieplicht. Dit heeft geleid tot het primaire besluit van 30 november 2023, waarbij aan eiser een maatregel is opgelegd. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat dat de waarschuwing van 9 november 2023, die betrekking heeft op de eerste overtredingsperiode, pas aan eiser bekend is gemaakt nádat de tweede overtredingsperiode, waar onderhavige maatregel betrekking op heeft, was verstreken. Eiser is, met andere woorden, niet eerder voorafgaand (of tijdens) de tweede overtredingsperiode gewaarschuwd dat hij niet voldeed aan de sollicitatieplicht. Naar het oordeel van de rechtbank had het UWV eiser daarom geen maatregel mogen opleggen, omdat de Beleidsregel dwingend voorschrijft dat het UWV afziet van het opleggen van een maatregel en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien wordt voldaan aan alle bij of krachtens de wet daaraan gestelde voorwaarden. Niet is gebleken en door het UWV is ook niet gesteld dat niet wordt voldaan aan alle bij de wet gestelde voorwaarden [1] voor het opleggen van een waarschuwing. Eiser had namelijk niet eerder een waarschuwing ontvangen. Ingevolge artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het UWV overeenkomstig zijn beleidsregel te handelen.
8.5.
De rechtbank acht verder van belang dat in het besluit van 9 november 2023, waarbij de schriftelijke waarschuwing is opgelegd, staat geschreven:
“Dit heeft nu geen gevolgen voor uw uitkering en wij laten het bij een waarschuwing. Maar mocht dit binnen 2 jaar na 9 november 2023 nog een keer gebeuren, dan ontvangt u mogelijk een lagere uitkering.”
Uit het besluit van 9 november 2023 volgt dus dat een maatregel pas volgt als er ná 9 november 2023 wederom niet wordt voldaan aan de sollicitatieplicht. Het UWV heeft niet gemotiveerd waarom eiser hieraan niet het vertrouwen mocht ontlenen dat voor het schenden van de sollicitatieplicht in de periode vóór 9 november 2023 geen maatregel zou worden opgelegd.
8.6.
Tot slot acht de rechtbank van belang dat het doel van het opleggen van een waarschuwing in plaats van het meteen opleggen van een maatregel is het motiveren van de betrokkene om aan het werk te gaan. [2] Kortom, het stimuleren van gedragsverandering. Als in gevallen als deze een maatregel kan worden opgelegd, terwijl de waarschuwing pas wordt gegeven nadat de overtredingsperiode waar de maatregel betrekking op heeft is verstreken, schiet de waarschuwing zijn doel voorbij.
8.7.
In de brief van 20 februari 2026 heeft het UWV gewezen op het (interne) handboek WW, waaruit zou volgen dat in gevallen waarin sprake is van opeenvolgende perioden van schending van dezelfde verplichting niet eerst een waarschuwingsbesluit behoeft te worden afgegeven, maar meteen een maatregel kan worden opgelegd. De rechtbank oordeelt hierover dat wat er ook zij van het interne handboek WW en hoe de daarin opgenomen teksten moeten worden begrepen, dat niet afdoet aan het feit dat in het besluit van 9 november 2023 staat dat een maatregel pas volgt indien niet wordt voldaan aan de sollicitatieverplichting ná 9 november 2023.
8.8.
De conclusie is dat het UWV naar aanleiding van het niet voldoen aan de sollicitatieplicht in de tweede overtredingsperiode geen maatregel kon opleggen, maar moest volstaan met het opleggen van waarschuwing.
8.9.
Het voorgaande betekent niet dat het UWV in gevallen als deze waar in opeenvolgende perioden niet wordt voldaan aan de sollicitatieplicht geen maatregel kan opleggen. Dat het in deze zaak niet mocht, komt onder meer door het late moment waarop het UWV de waarschuwing heeft gegeven (meer dan vier weken na afloop van de eerste overtredingsperiode), waardoor de tweede overtredingsperiode al was verstreken.
8.10.
Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. Tegen het opleggen van een waarschuwing heeft eiser geen gronden gericht.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is de artikelen, 3:46, 4:84 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zal de rechtbank zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen en dat aan eiser een schriftelijke waarschuwing wordt opgelegd in plaats van de maatregel tot tijdelijke verlaging van de WW-uitkering.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
9.2.
De vergoeding voor de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934.

BeslissingDe rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het besluit van 8 april 2024;- herroept het besluit van 30 november 2023 en bepaalt dat aan eiser een waarschuwing wordt opgelegd;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 934 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgevingAlgemene wet bestuursrechtArtikel 4:84

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
WerkloosheidswetArtikel 24
1. De werknemer voorkomt dat hij:
a. […]
b. werkloos is of blijft, doordat hij:
1° in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen;
2° […]
Artikel 27
3. Het UWV weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van een verplichting als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, onderdeel b …].
7. Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het derde […] lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing […] ter zake van het zich niet houden aan een voorschrift als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, […] tenzij […] het zich niet houden aan de voorschriften, plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het derde […] lid.

Besluit sollicitatieplicht werknemers WW en IOW 2012, bijlage

“Solliciteren moet in voldoende mate gebeuren. In beginsel moet iedere werkzoekende ten minste elke vier weken vier keer solliciteren, omdat UWV het van belang vindt dat men doorlopend actief zoekt naar werk.”
Beleidsregel maatregelen UWV
Artikel 4. Waarschuwing in plaats van maatregel
1. Het UWV ziet af van het opleggen van een maatregel en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien wordt voldaan aan alle bij of krachtens de wet daaraan gestelde voorwaarden.

Voetnoten

1.Die voorwaarden staan in artikel 27, zevende lid, van de WW.
2.Kamerstukken II, 2016-2017, 34 766, nr. 3, p. 28.