Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4899

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
AWB 24/7808
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:17 AwbArt. 3:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt niet-ontvankelijkheid bezwaar naheffingsaanslag omzetbelasting en kent immateriële schadevergoeding toe

Belanghebbende, een eenmanszaakhouder, maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over 2017, inclusief belastingrente en een verzuimboete. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Belanghebbende stelde beroep in tegen deze beslissing.

De rechtbank oordeelde dat het beroep tijdig was ingediend omdat de uitspraak op bezwaar niet op de juiste wijze aan de voormalig gemachtigde was bekendgemaakt, waardoor de beroepstermijn niet was gaan lopen. De inspecteur slaagde er echter wel in om de juiste verzending van de naheffingsaanslag aan belanghebbende aan te tonen, waardoor het bezwaar te laat was ingediend en terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.

Belanghebbende had geen verontschuldigbare redenen voor de late indiening van het bezwaar. De rechtbank wees het beroep af, maar kende een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van 20 maanden in de bezwaarfase. Tevens werd een forfaitaire proceskostenvergoeding van € 233,50 toegekend.

Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard, het bezwaar terecht niet-ontvankelijk, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 2.000.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7808

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 juni 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 december 2022.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 19.682. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur een bedrag van € 2.316 aan belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete van € 1.966 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door de gemachtigde en namens de inspecteur [persoon A], [persoon B] en [persoon C].
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst uitsluitend voor zover partijen aangaven nog met elkaar in overleg te willen treden. Partijen zijn niet nader tot elkaar gekomen. Omdat het onderzoek voor het overige al was afgerond en in het schorsingsbesluit ook expliciet is opgenomen dat eventuele nadere stukken tussen partijen worden gewisseld en uitsluitend dienen voor het overleg tussen partijen, heeft de rechtbank de na 12 januari 2026 ingediende stukken niet meer toegelaten.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend en het beroep op 14 april 2026 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door de gemachtigde en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].

Feiten

1. Belanghebbende heeft een eenmanszaak. Tot 1 augustus 2020 stond de eenmanszaak als Indiaas restaurant ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK).
2. Belanghebbende is belastingplichtig voor de omzetbelasting en moet ieder kwartaal aangifte doen.
3. De inspecteur heeft op 1 december 2020 geconstateerd dat er een verschil is tussen de balanspositie omzetbelasting in de aangifte inkomensbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de ingediende aangifte omzetbelasting over het jaar 2017. Hij heeft belanghebbende een brief gestuurd met het verzoek het verschil toe te lichten.
4. De inspecteur heeft op 16 februari 2021 een mededeling opleggen naheffingsaanslag omzetbelasting verstuurd, omdat hij geen reactie heeft ontvangen op de vorige brief. In deze brief is tevens een mededeling opleggen boete opgenomen.
5. Met dagtekening 27 maart 2021 zijn de naheffingsaanslag en de boete opgelegd.
6. Belanghebbende heeft op 15 juni 2022 pro-forma bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.
7. Vervolgens is er op 2 augustus, 18 augustus en 15 september 2022 telefonisch contact geweest tussen de inspecteur en de toenmalige adviseur van belanghebbende.
8. Op 18 november 2022 heeft de inspecteur een vooraankondiging uitspraak op bezwaar aan belanghebbende verzonden. Hierin is gewezen op de mogelijkheid om het bezwaar mondeling toe te lichten.
9. De inspecteur heeft 13 december 2022 telefonisch contact gehad met belanghebbende. Daarin is door belanghebbende toegezegd op 14 december 2022 de motivering van het bezwaar in te dienen. Bij uitspraak op bezwaar van 30 december 2022 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast is aangeven dat de inspecteur de aanslag niet ambtshalve zal herzien.

Beoordeling door de rechtbank

10. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Al vorens zij daar aan toekomt, zal de rechtbank eerst beoordelen of belanghebbende tijdige beroep heeft ingesteld.
11. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ontvankelijk is en dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, het beroep is daarmee ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is tijdig beroep ingesteld?
12. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.
13. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. [4] Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen.
14. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [5]
15. Het beroepschrift is ruim anderhalf jaar te laat ingediend. Als reden voor de te late indiening heeft belanghebbende aangegeven dat de uitspraak op bezwaar niet aan hem bekend is gemaakt. Tijdens het telefoongesprek op 27 september 2024 heeft de inspecteur aan de gemachtigde aangegeven dat de uitspraak op bezwaar naar de voormalig gemachtigde is verzonden. Volgens de gemachtigde heeft de voormalig gemachtigde verklaard de uitspraak op bezwaar niet te hebben ontvangen. Omdat de uitspraak op bezwaar dan niet op de juiste wijze bekend is gemaakt, is de termijn volgens hem niet gaan lopen en is tijdig beroep ingesteld.
16. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat, nu belanghebbende de ontvangst van de uitspraak op bezwaar betwist, het aan de inspecteur is om de verzending en de aanbieding terpostbezorging daarvan overtuigend aan te tonen. [6]
17. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur daarin niet is geslaagd. In het door de inspecteur overgelegde verzendrapport staat vermeld dat de uitspraak naar het woonadres van belanghebbende zou zijn verzonden. Het bezwaar is echter ingediend door de voormalig gemachtigde van belanghebbende. De inspecteur had op grond van artikel 6:17 van Pro de Awb de uitspraak op bezwaar aan de voormalig gemachtigde bekend moeten maken. De inspecteur heeft niet overtuigend aangetoond dat de uitspraak op bezwaar aan de voormalig gemachtigde bekend is gemaakt.
18. Indien een uitspraak op bezwaar niet is bekendgemaakt op de in artikel 3:41 van Pro de Awb voorgeschreven wijze, brengt die omstandigheid mee dat de termijn voor het instellen van beroep tegen die uitspraak niet aanvangt. Die termijn vangt dan aan op de dag van ontvangst door (de gemachtigde van) de belanghebbende van de uitspraak op bezwaar of een afschrift daarvan. In een zodanig geval geldt niet de bij toepassing van artikel 6:11 van Pro de Awb te stellen eis dat het beroep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is ingesteld. [7]
19. Met het telefoongesprek op 27 september 2024 is belanghebbende ermee bekend geworden dat uitspraak op bezwaar is gedaan. Vervolgens is op 7 oktober 2024 beroep ingesteld. Het beroep is daarmee tijdig ingediend. De rechtbank zal nu beoordelen of de inspecteur het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Is tijdig bezwaar gemaakt?
20. Omdat belanghebbende ook de verzending van de naheffingsaanslag heeft betwist, is het aan de inspecteur om de verzending en de aanbieding terpostbezorging daarvan overtuigend aan te tonen. Naar het oordeel van de rechtbank is hij daarin wel geslaagd, zij overweegt daartoe als volgt.
21. De inspecteur heeft met het verzendrapport aangetoond dat de verzending (terpostbezorging) van de naheffingsaanslag naar het juiste adres heeft plaatsgevonden. In het verzendrapport staat dat de naheffingsaanslag aangeboden is aan PostNL en naar [locatie], [postcode] te [plaats] is verzonden. Tussen partijen is ook niet in geschil dat dit het woonadres is van belanghebbende. De verzending van de naheffingsaanslag naar het juiste adres rechtvaardigt het vermoeden dat zij op dat adres is ontvangen. Indien echter op grond van feiten en omstandigheden die belanghebbende aanvoert aan de ontvangst van de aanmaning redelijkerwijs kan worden getwijfeld, is het aan de inspecteur om daarover nader bewijs te leveren. [8] Belanghebbende heeft geen concrete feite en omstandigheden gesteld of stukken overgelegd waaruit redelijkerwijs aan de ontvangst kan worden getwijfeld. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt.
22. Als een bezwaarschrift te laat is ingediend, verklaart de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet-tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan blijft op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
23. Belanghebbende heeft geen concrete redenen aangevoerd waarom hij te laat bezwaar heeft gemaakt. Uit logboek aantekeningen van de inspecteur volgt dat hij desgevraagd ook niet aan de inspecteur heeft toegelicht waarom hij, behoudens het niet-ontvangen van de naheffingsaanslag, niet in de gelegenheid is geweest om in de periode tussen 27 maart 2021 en 15 juni 2022 bezwaar in te dienen. De inspecteur heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van belanghebbende is dan ook ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
24. Belanghebbende heeft een verzoek om immateriële schadevergoeding gedaan.
25. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [9]
26. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbenden ontvangen op 15 juni 2022. De termijn voor de immateriële schadevergoeding eindigt met de mededeling van de inspecteur dat de aanslag buiten vordering wordt gesteld op 16 februari 2026. Op dat moment is voor belanghebbende immers duidelijk geworden dat de aanslag niet meer betaald hoeft te worden. Er is dan ook geen materieel geschil meer over. De stelling van belanghebbende dat hij nog recht zou hebben op een teruggave, maakt dit niet anders omdat in geschil was de naheffingsaanslag. De door belanghebbende gestelde teruggave op grond van een suppletieaangifte maakt geen deel uit van deze procedure.
27. De periode tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de mededeling van de inspecteur op 16 februari 2026 is afgerond drie jaar en acht maanden. De redelijke termijn is dus met één jaar en acht maanden overschreden, totaal 20 maanden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 2.000. De uitspraak op bezwaar is bekend gemaakt op 27 september 2024. Dit is 21 maanden langer dan zes maanden. De gehele overschrijding is ontstaan in de bezwaarfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om de € 2.000 aan belanghebbende te betalen.

Conclusie en gevolgen

28. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug [10] .
29. Wel krijgt belanghebbende een forfaitaire vergoeding van haar proceskosten, uitsluitend omdat het verzoek om vergoeding voor immateriële schade wordt toegewezen. De proceskosten stelt de rechtbank vast op € 233,50. [11]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding voor immateriële schade van € 2.000;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van € 233,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier.
Uitgesproken op 10 juni 2026
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Buiten staat om te tekenen
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
3.Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
5.Artikel 6:11 van Pro de Awb zegt het zo: “indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest”. De rechtbank noemt dat “verschoonbaar”.
6.Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526; Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875.
7.zie Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960.
8.Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102; Hoge Raad 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:705.
10.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
11.1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25. Zie Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2.