ECLI:NL:RBGEL:2026:4927

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
ARN 25/280
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.40 OmgevingswetArt. 4.13 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.188 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 3.115 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 3.111 Besluit activiteiten leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging vergunningvoorschriften beton- en asfaltcentrale

Eisers hebben het college verzocht om wijziging van de vergunningvoorschriften van een beton- en voormalige asfaltcentrale, met name om de voorschriften over de puinbreker en geluidgrenswaarden aan te passen zodat de milieuruimte van de asfaltactiviteiten niet langer beschikbaar is voor andere activiteiten.

Het college heeft dit verzoek afgewezen en de rechtbank heeft het beroep van eisers ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid heeft gehandeld bij het niet wijzigen van voorschrift 10.1 over de maximale capaciteit van de puinbreker, omdat deze voorschrift betrekking heeft op de invoer van materiaal en niet kan worden verdeeld naar activiteit. Ook is geoordeeld dat het college beleidsruimte heeft om geluidvoorschriften 15.1 en 15.2 niet aan te passen, omdat de huidige situatie nog steeds aanvaardbaar is en het belang van het bedrijf om de geluidruimte te behouden zwaarder weegt.

De rechtbank stelt vast dat de asfaltactiviteiten feitelijk zijn beëindigd en dat de intrekking van de vergunningen daarvoor terecht is. De discussie over civielrechtelijke afspraken tussen partijen valt buiten de bestuursrechtelijke beoordeling. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot wijziging van vergunningvoorschriften is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/280

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

Vereniging tot behoud van natuur en landschap in en om [plaats 1] ,

[eiser 1] ,
[eiser 2] en [eiseres 1] ,
[eiser 3] en [eiseres 2] ,
[eiser 4] ,
[eiseres 3] ,
[eiser 5] ,
[eiseres 4] ,
[eiseres 5],
allen uit [plaats 1] , eisers
(gemachtigde: mr. L. Mohammad)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wageningen, het college
(gemachtigde: G.H. Landeweerd).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij] B.V.uit [plaats 2] , het bedrijf
(gemachtigde: mr. W.J.W. van Eijk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eisers door het college om vergunningen van het bedrijf te wijzigen. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 14 juni 2024 heeft het college het verzoek van eisers tot wijziging van de vergunningen van het bedrijf afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 december 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers met [eiser 2] ; de gemachtigde van het college en de gemachtigde van het bedrijf met [persoon A] en [persoon B] .
2.2.
Op de zitting hebben eisers het beroep, voor zover ingediend door [eiseres 1] , ingetrokken. Als de rechtbank hierna van ‘eisers’ spreekt, is dat niet langer [eiseres 1] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Het bedrijf exploiteerde een beton- en asfaltcentrale aan de [locatie 1] in [plaats 1] . Hiervoor beschikte het bedrijf onder andere over twee milieutoestemmingen van het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland: een revisievergunning van 31 mei 1995 [1] en een veranderingsvergunning van 12 december 2000. [2]
De revisievergunning ziet op:
o de productie van asfalt in een asfaltmenginstallatie;
o de productie van betonmortel en specie in een betonmortelcentrale;
o de productie van breekasfaltcement (BRAC) in een betoncentrale;
o het in gebruik hebben van een mobiele puinbreekinstallatie;
o het overslaan van zand en grind; en
o het exploiteren van een tankplaats en een werkplaats.
De veranderingsvergunning zag op de uitbreiding van de werktijden van het bedrijf naar de avond en nacht door het naar keuze van het bedrijf (gedeeltelijk) verschuiven van de productie en bijbehorend transport ten behoeve van wegenonderhoudswerkzaamheden.
3.1.
Op 13 december 2006 zijn onder meer de provincie Gelderland, de gemeente Wageningen en het bedrijf overeengekomen dat alle asfaltactiviteiten op deze locatie uiterlijk op 31 december 2009 moesten worden beëindigd door deze activiteiten te verplaatsen naar een andere locatie. Dit is vastgelegd in een overeenkomst. Op 31 december 2009 zijn de asfaltactiviteiten van het bedrijf op deze locatie feitelijk beëindigd. Op 5 maart 2024 hebben eisers het college op grond van artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet, samengevat, verzocht:
“de revisievergunning van 31 mei 1995 in te trekken, voor zover deze betrekking heeft op de asfaltcentrale. Bovendien wordt ook verzocht alle andere vigerende vergunningen met betrekking tot de asfaltactiviteiten in te trekken. Ook wordt u verzocht de gedeelde voorschriften tussen de beton- en asfaltcentrale aan te passen, zodat deze voorschriften de milieuruimte van de asfaltcentrale niet langer omvat.”
3.2.
Op 16 mei 2024 heeft het college het voornemen geuit om de revisievergunning van 31 mei 1995 gedeeltelijk in te trekken voor zover die ziet op de productie van asfalt in een asfaltmenginstallatie, de productie van breekasfaltcement in een betoncentrale, eventuele andere asfaltactiviteiten van welke aard dan ook en alle daarmee samenhangende activiteiten, waaronder in elk geval de aanvoer van grondstoffen en de afvoer van gereed product. Verder is het college voornemens de veranderingsvergunning van 12 december 2000 volledig in te trekken. Aan dit voornemen ligt artikel 5.40, tweede lid, van de Omgevingswet ten grondslag. Het college is niet voornemens om de voorschriften van de revisievergunning te wijzigen. Omwonenden en het bedrijf hebben een zienswijze ingediend.
3.3.
Op 14 juni 2024 heeft het college de vergunningen conform het voornemen deels ingetrokken. Specifiek zijn de activiteiten met betrekking tot de productie van asfalt in een asfaltmengcentrale en de productie van breekasfaltcement in een betoncentrale en bijbehorende vervoersbewegingen ingetrokken. Volgens het besluit resteert er nu op deze locatie een omgevingsvergunning voor de volgende activiteiten en volumes:
  • productie van beton in een betoncentrale met een maximale jaarlijkse productie van 140.000 ton;
  • productie van mix in een betoncentrale met een maximale jaarlijkse productie van 10.000 ton;
  • het breken van puin/steenachtige materialen tot een maximale jaarlijkse productie van 112.000 ton;
  • het overslaan van 50.000 ton zand en grind, onder meer voor een productielocatie elders.
Verder resteren er nog transportactiviteiten voor deze activiteiten en wijzigt het besluit niets aan de andere activiteiten (o.a. weegbrug, werkplaats, laboratorium, kantoren).
3.4.
Eisers en het bedrijf hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het bestreden besluit van 6 december 2024 op de bezwaren is het college bij de gedeeltelijke intrekking gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij zijn – kort gezegd – van mening dat het college ten onrechte heeft nagelaten de vergunningsvoorschriften ten aanzien van de maximale productie van de puinbreker en de geluidsvoorschriften naar beneden bij te stellen waardoor de milieuruimte die bij de asfaltactiviteiten hoorde voor het bedrijf beschikbaar blijft. Zij vrezen dat het bedrijf die milieuruimte zal invullen met andere bedrijfsactiviteiten waardoor de beëindiging van de asfaltactiviteiten voor hen niet tot een verbetering leidt.
Het geldende recht in deze zaak
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Dit nieuwe recht geldt in deze zaak, omdat het verzoek van eisers is ingediend na 1 januari 2024. [3]
4.1.
Deze zaak gaat over de afwijzing van het verzoek van eisers tot wijziging van voorschriften van een revisievergunning uit 1995. In het bijzonder gaat het over het al dan niet wijzigen van voorschrift 10.1 (mobiele puinbreker) en voorschriften 15.1 en 15.2 (geluid).
4.1.1.
Op de zitting heeft de rechtbank vastgesteld, en tussen partijen is ook niet in geschil, dat vergunningvoorschrift 10.1 onder de Omgevingswet wordt aangemerkt als vergunningvoorschrift. [4]
4.1.2.
Van voorschriften 15.1 en 15.2 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat deze als maatwerkvoorschriften moeten worden aangemerkt onder de Omgevingswet. Volgens het college bepaalt artikel 4.13, vierde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet namelijk dat wanneer op een locatie zowel milieubelastende activiteiten worden verricht waarvoor een omgevingsvergunning is vereist (in dit geval: de puinbreker en de betonmortelcentrale [5] ) als milieubelastende activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is (in dit geval: de op- en overslagactiviteiten van zand en grind [6] ) vergunningvoorschriften die op beide activiteiten betrekking hebben, gelden als maatwerkvoorschriften voor zover er een bevoegdheid is om daarvoor maatwerkvoorschriften te stellen. Eisers en het bedrijf hebben zich op de zitting bij dit standpunt aangesloten.
4.1.3.
De rechtbank is, anders dan partijen, van oordeel dat voorschriften 15.1 en 15.2, ook onder de Omgevingswet nog als vergunningvoorschriften gelden. [7] Weliswaar zijn op zichzelf staande op- en overslagactiviteiten van zand en grind niet als vergunningplichtige activiteit aangewezen in artikel 3.285 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), maar deze op- en overslagactiviteiten zijn wel als vergunningplichtige activiteit aangewezen als ze plaatsvinden als functioneel ondersteunende activiteit bij de betonmortelcentrale. Dat volgt uit artikel 3.115, onder c, gelezen in verbinding met artikel 3.111, eerste en tweede lid, van het Bal. De op- en overslagactiviteiten van zand en grind staan in dit geval naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet op zichzelf, maar zijn ten dienste van en functioneel ondersteunend aan de betonmortelcentrale van het bedrijf, zowel op deze locatie als op de locatie in Veenendaal. Zo volgt bijvoorbeeld uit de revisievergunning zelf dat de “hoofdactiviteiten” van het bedrijf de productie van asfalt en de productie van betonmortel betreffen en de “nevenactiviteiten” de mobiele breekinstallatie, het overslaan van zand en grind en het exploiteren van een tankplaats en werkplaats. Deze nevenactiviteiten worden (voornamelijk) ingezet om daarmee de hoofdactiviteit, namelijk de productie betonmortel, te kunnen uitvoeren.
Omvang geding
5. Het beroep van eisers beperkt zich tot de afwijzing van hun verzoek om de voorschriften van de revisievergunning te wijzigen in die zin dat deze de capaciteit van de asfaltactiviteiten niet langer omvat. Eisers betwisten de intrekking niet.
5.1.
De rechtbank stelt vast - en dat is tussen partijen ook niet in geschil - dat het college het bevoegde gezag is en dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Verder stelt de rechtbank vast dat sprake is van een discrepantie tussen tabel 5 uit de revisievergunning en de in het beroepschrift weergegeven tabel 5 en dat van de in het beroepschrift weergegeven tabel moet worden uitgegaan. Verder heeft de rechtbank op de zitting vastgesteld dat het betoog van eisers dat de overeenkomst tussen partijen niet voldoende zou worden nagekomen, een civielrechtelijke kwestie is waarover de bestuursrechter in deze zaak niet kan oordelen.
Reikwijdte verzoek
6. In de zittingsagenda heeft de rechtbank aangekondigd dat in ieder geval de reikwijdte van het oorspronkelijke verzoek van eisers zou worden besproken aan de hand van de volgende vragen:
“wat is de reikwijdte van het verzoek? En wat is het wettelijk kader voor de beoordeling/toetsing van een verzoek om intrekking/wijziging van de voorschriften? Mede gelet op 5.40, eerste en tweede lid, van de Omgevingswet.”
6.1.
Op de zitting waren eisers en het college het er over eens dat het verzoek niet alleen is bedoeld als een verzoek om intrekking op grond van artikel 5.40, tweede lid, van de Omgevingswet, maar ook als een verzoek om wijziging van de voorschriften van de revisievergunning in die zin dat de asfaltactiviteiten daar geen deel meer van uit maken. Dit volgt volgens hen uit de bewoordingen van het verzoek en het besluit van het college waarin het verzoek om wijziging is afgewezen. Eisers en het college zijn het erover eens dat het wettelijk kader voor wijziging van deze vergunningvoorschriften volgt uit artikel 5.40, eerste lid, van de Omgevingswet.
6.2.
De gemachtigde van het bedrijf heeft op de zitting gesteld dat het verzoek niet zag op wijziging van voorschriften 15.1 en 15.2. Het verzoek was namelijk alleen gericht op het verminderen van de milieuruimte van de vroegere asfaltactiviteiten en voorschriften 15.1 en 15.2 zien op veel meer activiteiten van het bedrijf dan de asfaltactiviteiten.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college het verzoek terecht heeft opgevat als een verzoek om wijziging van de vergunningvoorschriften. Eisers hebben namelijk verzocht om
“de gedeelde voorschriften tussen de beton- en asfaltcentrale aan te passen, zodat deze voorschriften de milieuruimte van de asfaltcentrale niet langer omvat.”Dat voorschriften 15.1 en 15.2 ook andere activiteiten omvatten doet daaraan niet af, omdat eisers hebben verzocht om aanpassing van de voorschriften voor zover deze de milieuruimte van de asfaltcentrale omvatten.
Voorschrift 10.1: de capaciteit van de mobiele puinbreker
7. Eisers stellen dat het college voorschrift 10.1 had moeten wijzigen in die zin dat de puinbreker geen puin meer mag breken voor asfaltactiviteiten. Het college had concreet de hoeveelheid puin van 112.000 ton per jaar uit voorschrift 10.1 moeten verminderen en moeten terugbrengen naar 62.500 ton puingranulaat per jaar. Uit de aanvraag [8] volgt namelijk dat de productiecapaciteit van de puinbreker is onderverdeeld in 50.000 ton breekasfalt en 62.500 ton puingranulaat per jaar. Nu de aanvraag volgens voorschrift 1.1 onderdeel uitmaakt van de revisievergunning en deze voor wat betreft de asfaltactiviteiten is ingetrokken, had het college ook de hoeveelheid puin in voorschrift 10.1 moeten verminderen, aldus eisers.
7.1.
Het college heeft voorschrift 10.1 niet gewijzigd, omdat het enkele feit dat in de bijlage bij de aanvraag een onderverdeling is gemaakt tussen asfalt- en puingranulaat niet maakt dat deze onderverdeling niet zou kunnen verschuiven ten gunste van de inzet van granulaat ten behoeve van de betoncentrale, ook al omdat in de aanvraag is aangegeven dat het in de tabel gaat om globale hoeveelheden. De van de breekactiviteiten te verwachten milieueffecten zullen door die verschuiving ook niet toenemen, mits zij blijven binnen het vergunde volume van maximaal 112.000 ton per jaar.
Volgens het college is voorschrift 10.1, gelet op het bepaalde in voorschrift 1.1 juist leidend, omdat 10.1 niet anders bepaalt dan de aanvraag.
7.2.
In voorschrift 10.1 staat:
“Per jaar mag op de locatie " [plaats 3] " [naam bedrijf 1] B.V. (gelegen [locatie 2] te [plaats 3] ) en de onderhavige inrichting tezamen ten hoogste 112.000 ton van de steenachtige fractie van het bouw- en sloopafval worden gebroken.”
In voorschrift 1.1 staat:
“De inrichting moet in overeenstemming zijn met de bij de vergunningaanvraag behorende gegevens en tekeningen, tenzij de aan de vergunning verbonden voorschriften anders bepalen. De aanvraag om vergunning en de daarin of daarbij verstrekte gegevens en de daarbij behorende tekeningen, worden geacht deel uit te maken van de vergunning.”
In de in het beroepschrift weergegeven tabel 5 [9] staat, voor zover relevant:
Tabel 5 (2e vervolg): Grond- en hulpstoffen, tussen- en eindproducten inrichting [plaats 1] van [naam bedrijf 1] B.V.
7.3.
Op grond van artikel 5.40, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college in wat eisers naar voren hebben gebracht in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om vergunningvoorschrift 10.1 te wijzigen. De rechtbank acht daartoe het volgende van belang. Volgens eisers kan uit het aangehaalde deel van tabel 5 worden afgeleid dat de in voorschrift 10.1 vergunde maximale breekcapaciteit van 112.000 ton is onderverdeeld in 50.000 ton breekasfalt en 62.500 ton [10] puingranulaat. De beëindiging van de asfaltactiviteiten zou volgens hen dan ook tot gevolg moeten hebben dat de maximale capaciteit in voorschrift 10.1 moet worden teruggebracht tot alleen de 62.500 ton puingranulaat. De rechtbank stelt echter vast dat de koppeling die eisers leggen tussen tabel 5 en voorschrift 10.1 niet opgaat. Voorschrift 10.1 gaat namelijk over de invoer van het materiaal in de puinbreker, terwijl het door eisers bedoelde deel van tabel 5 gaat over de het eindproduct, de geproduceerde hoeveelheid. Met andere woorden: voorschrift 10.1 heeft betrekking op hetgeen ín de puinbreker gaat terwijl tabel 5 gaat over de verdeling van de eindproducten die daaruit komen. Dat betekent dat de vergunde capaciteit van 112.000 ton uit voorschrift 10.1 niet op basis van tabel 5 kan worden verdeeld in een deel dat ziet op de asfaltactiviteiten en een deel dat niet ziet op de asfaltactiviteiten. Alleen al hierom is wijziging van dit voorschrift om de reden die eisers noemen niet aan de orde en is de discussie tussen partijen over of het voorschrift of de aanvraag leidend in dit verband ook niet relevant. Verder kent voorschrift 10.1 geen beperking voor de invoer van materiaal per activiteit en heeft het college onderbouwd dat de van de breekactiviteiten te verwachten milieueffecten ook niet zullen toenemen mits zij binnen het in voorschrift 10.1 vergunde volume blijven. Eisers hebben daar niets tegenover gesteld.
Voorschriften 15.1 en 15.2: geluidgrenswaarden
8. Volgens eisers had het college de geluidgrenswaarden in voorschriften 15.1 en 15.2 moeten aanpassen nu de geluidruimte van de asfaltcentrale als dominante geluidbron is verdwenen. Eisers willen niet dat het bedrijf deze geluidruimte inzet voor andere activiteiten. Het college heeft onvoldoende onderbouwd dat deze geluidruimte mag blijven worden ingezet voor de nog werkende betoncentrale, dat de puinbreker daarin de overheersende bron zou zijn en de werking daarvan door aanpassing van de geluidgrenswaarden zou worden gefrustreerd. Eisers hebben hier een notitie van deskundige [naam deskundige] tegenover gesteld. [11] Uit deze deskundigennotitie volgt dat de equivalente geluidgrenswaarden in voorschrift 15.1, zonder de geluidbronnen van de asfaltcentrale in de dagperiode 2 dB(A) en in de nachtperiode met 16 dB(A) hoger zijn dan nodig is.
[naam deskundige] heeft daartoe de bijdragen van de geluidbronnen van de asfaltcentrale in mindering gebracht op de geluidimmissie bij de hoogst belaste woning aan [locatie 3] (de woning van eiser [eiser 1] ). [naam deskundige] concludeert dat de geluidbijdrage ten opzichte van vergunningvoorschrift 15.1 (gemiddeld LAeq 53, 27 en 44 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode), in de dag-, en nachtperiode 1,5 en 15,8 dB(A) lager zijn, namelijk 51,5 en 28,2 dB(A). [12] Als de in voorschrift 15.1 vergunde waarden in stand blijven, zijn in de dag- en nachtperiode dus afgerond 2 en 16 dB(A) teveel vergund richting woningen en zonegrens van het gezoneerd industrieterrein, aldus eisers. Omdat de veranderingsvergunning is ingetrokken is hetgeen daarin is vergund niet meer van belang.
8.1.
Het college heeft geweigerd om voorschriften 15.1 en 15.2 te wijzigen, omdat weliswaar de geluidemissies van de asfaltactiviteiten wegvallen, maar dit nog niet betekent dat de geluidvoorschriften moeten worden aangepast. Met de geldende geluidvoorschriften is namelijk op de meest belaste woning nog steeds sprake van een aanvaardbare situatie en is er geen aanleiding te veronderstellen dat de omgeving met de geldende vergunningvoorschriften naar objectieve maatstaven onvoldoende bescherming krijgt. Dit is ook bevestigd in de procedure die destijds bij de Afdeling is gevoerd over de vergunning, waarbij deze voorschriften overeind zijn gebleven en onherroepelijk zijn geworden. [13] Verder acht het college het van belang dat het bedrijf de mogelijkheid heeft en houdt om haar ambities om circulair te werken door afvalstoffen opnieuw als secundaire grondstof in te zetten. Het college kiest daarom voor conservering van de huidige productieomvang met de daarbij geldende geluidgrenswaarden. Verder zou het aanpassen van de voorschriften mogelijk het in werking zijn van de puinbreker of andere activiteiten op de locatie belemmeren.
8.2.
Voorschriften 15.1 en 15.2 luiden:
8.3.
Op grond van artikel 5.40, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning onder voorwaarden wijzigen in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald.
Op grond van artikel 8.97, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) kan het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen op de in dit hoofdstuk aangegeven gronden waarop de omgevingsvergunning voor die activiteit had kunnen worden geweigerd. Op grond van artikel 8.9 van het Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit alleen verleend als er, onder andere, geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt.
8.3.1.
Het college heeft beleidsruimte om een voorschrift al dan niet te wijzigen en beoordelingsruimte bij de vraag wat moet worden verstaan onder ‘significante milieuverontreiniging’.
Voorschrift 15.1
9. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid voorschrift 15.1 niet heeft hoeven wijzigen. Weliswaar hebben eisers aan de hand van een deskundigenrapport onderbouwd dat de geluidbelasting als gevolg van het wegvallen van de asfaltactiviteiten in ieder geval in de avond- en nachtperiode minder wordt, maar dat betekent nog niet dat het college ook gehouden was om dit voorschrift te wijzigen. Het college heeft namelijk beleidsruimte om een voorschrift al dan niet te wijzigen met het oog op significante milieuverontreiniging. En met inachtneming van die beleidsruimte heeft het college onderbouwd dat ook bij het geldende, onherroepelijke, geluidvoorschrift sprake is van een (voor eisers) aanvaardbare situatie. Onder die omstandigheid heeft het college er in dit geval in redelijkheid voor kunnen kiezen het belang van het bedrijf tot conservering van de huidige geluidruimte zwaarder te laten wegen dan het belang van eisers bij een vermindering van de geluidsbelasting. De beroepsgrond slaagt niet.
Voorschrift 15.2
9.1.
Eisers hebben de afwijzing van de wijziging van voorschrift 15.2, over de maximale geluidniveaus, niet onderbouwd bestreden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, voorzitter, en mr. M.J.M. Verhoeven en mr. M.A.A. Soppe, leden, in aanwezigheid van mr. K.M. van Leeuwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De vergunning van 31 mei 1995 met kenmerk [kenmerk 1] .
2.De vergunning van 12 december 2000 met kenmerk [kenmerk 2]
3.Artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.Op grond van artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
5.Artikel 3.188, eerste lid, en artikel 3.115 onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
6.Artikel 3.285, eerste lid, onder a, van het Bal.
7.Op grond van artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
8.Tabel 5 in bijlage 1 bij de aanvraag om de revisievergunning van 6 oktober 1993.
9.Zoals hiervoor in 5.1 overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat van deze tabel moet worden uitgegaan.
10.Deze 62.500 is in tabel 5 onderverdeeld in 3.000 ton naar de betonmortelcentrale en 59.500 ton naar derden per as.
11.“Geluidsnormering vergunde activiteiten [naam bedrijf 1] zonder asfaltcentrale” van 4 april 2025 door [naam deskundige] van [naam bedrijf 2] .
12.Omdat er in de aanvraag van 1994 geen asfaltactiviteiten in de avondperiode waren, treedt voor de avondperiode geen verandering op.
13.Het college verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 14 april 1998, E03.95.1155.