ECLI:NL:RBGEL:2026:4957

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
AWB-25_2803
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 Besluit algemene rechtspositie politieambtenarenArt. 2 Regeling vergoeding schade persoonlijk eigendomArt. 7:661 Burgerlijk WetboekArt. 8:72 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing schadevergoeding privéauto politieambtenaar

Eiser, een aspirant-politieambtenaar, reed op 5 september 2024 met zijn privéauto achteruit van het parkeerterrein bij het hoofdbureau van de politie in Nijmegen en veroorzaakte schade aan zijn voertuig. Hij diende een aanvraag in voor vergoeding van deze schade op grond van artikel 69 van Pro het Besluit algemene rechtspositie politieambtenaren (Barp). De korpschef wees deze aanvraag af, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank Gelderland.

De rechtbank oordeelt dat de schade is ontstaan tijdens de uitoefening van de dienst en dat er geen sprake is van opzettelijk onrechtmatig handelen, bewust roekeloosheid of grove nalatigheid van eiser. Volgens artikel 2 van Pro de Regeling vergoeding schade persoonlijk eigendom, dat een nadere uitwerking geeft van artikel 69 Barp Pro, komt de schadevergoeding toe tenzij sprake is van dergelijke gedragingen. De rechtbank volgt deze uitleg en stelt vast dat de korpschef de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Zij bepaalt dat de korpschef de schade van € 2.662 aan de privéauto van eiser moet vergoeden, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens moet de korpschef het griffierecht en proceskosten van in totaal € 3.162 aan eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan op 16 juni 2026 en partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de korpschef en veroordeelt tot vergoeding van de schade aan de privéauto en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2803
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026
in de zaak tussen
[naam eiser], uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Nieuwenhuizen-Demirci),
en

de korpschef van politie, de korpschef

(gemachtigden: mr. A. Vonken, A.B.E. de Rooij en J. Jonkers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om vergoeding van schade aan zijn privéauto op grond van artikel 69 van Pro het Besluit algemene rechtspositie politieambtenaren (Barp). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De korpschef heeft deze aanvraag met het besluit van 15 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de korpschef bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de korpschef van 19 mei 2025 op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser,
mr. [naam] (kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser) en de gemachtigden van de korpschef deelgenomen.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser om vergoeding van schade aan zijn privévoertuig. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.2.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De feiten
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is werkzaam als aspirant bij de politie. Op 5 september 2024 is hij met zijn privéauto bij het achteruit wegrijden van het parkeerterrein bij het hoofdbureau van de politie in Nijmegen tegen een betonpaal aangereden. Daardoor is schade ontstaan aan de linker achterkant van zijn auto. Eiser heeft vervolgens een aanvraag ‘Schade aan persoonlijke eigendommen’ ingediend. Volgens een bijlage bij deze aanvraag bedraagt de schade € 2.662. Vervolgens is de korpschef overgegaan tot de in de inleiding genoemde besluitvorming.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de schade aan de privéauto van eiser is ontstaan ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst. In geschil is allereerst op welke wijze ‘buiten zijn schuld’ als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het Barp en artikel 2, eerste lid, van Regeling vergoeding schade persoonlijk eigendom (de Regeling) moet worden uitgelegd.
4.1.
Artikel 2 van Pro de Regeling bevat een nadere uitwerking van het bepaalde in artikel 69, eerste lid, van het Barp. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat er geen aanspraak op schadevergoeding bestaat, indien de schade is veroorzaakt door opzettelijk onrechtmatige dan wel opzettelijk wederrechtelijke of bewust roekeloze handelingen door de ambtenaar of indien de schade is veroorzaakt door grove nalatigheid van de ambtenaar.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank maakt een redelijke uitleg van artikel 2 van Pro de Regeling dat het derde lid een nadere invulling is van het begrip ‘buiten zijn schuld’ in het eerste lid. Een andere uitleg maakt dat het derde lid van artikel 2 een Pro volstrekt overbodige bepaling is, aangezien niet denkbaar is dat iemand opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos handelt of grof nalatig is en niet gezegd kan worden dat dit buiten zijn schuld is. Verder sluit deze uitleg ook aan bij de toelichting op artikel 2 van Pro de Regeling, waarin is aangegeven dat schade aan een persoonlijk eigendom opgelopen tijdens de dienstuitoefening voor vergoeding door het bevoegd gezag in aanmerking komt en dat bij opzet of grove nalatigheid door de ambtenaar de schade niet zal worden vergoed. [1] Bovendien kan uit de, door eiser aangehaalde, uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 februari 2002 en de daaraan voorafgaande uitspraak van de CRvB van 5 november 1998 afgeleid worden dat deze uitleg ook aansluit bij de aan de Regeling voorafgaande Circulaire. [2] Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat deze uitleg van de Regeling ook aansluit bij de uitleg die in het burgerlijk recht aan artikel 7:661 van Pro het Burgerlijk Wetboek wordt gegeven.
4.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de schade aan de privéauto van eiser alleen niet voor vergoeding in aanmerking komt, indien deze is veroorzaakt door een opzettelijke onrechtmatige dan wel een opzettelijk wederrechtelijke of bewust roekeloze handeling door eiser of indien deze schade is veroorzaakt door grove nalatigheid van eiser.
4.4.
Niet in geschil is dat er geen sprake is van opzet, roekeloosheid dan wel grove nalatigheid van de zijde van eiser. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de korpschef de schade van eiser aan zijn privéauto, die ontstaan is op 5 september 2024 bij het achteruit wegrijden van het parkeerterrein bij het hoofdbureau van de politie in Nijmegen, moet vergoeden. De korpschef heeft daarom de aanvraag van eiser ten onrechte afgewezen. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen.
4.5.
De rechtbank komt daarom niet toe aan te bespreken van de overige beroepsgronden van eiser.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de wet, zoals neergelegd in de Regeling. Dit betekent dat dit besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
5.1.
De rechtbank herroept het besluit van 15 januari 2025, neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf een beslissing en bepaalt dat de korpschef de schade aan de privéauto van eiser, ontstaan op 5 september 2024 bij het door eiser achteruit wegrijden van het parkeerterrein bij het hoofdbureau van de politie in Nijmegen, moet vergoeden. De rechtbank stelt deze schadevergoeding, conform de opgave van eiser bij zijn aanvraag, vast op een bedrag
€ 2.662. Ook dient de korpschef de wettelijke rente over dit bedrag aan eiser te vergoeden.
5.2.
Omdat beroep gegrond is en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt en het primaire besluit herroept, moet de korpschef het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten in bezwaar en in beroep.
De korpschef moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding wordt vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (BPB) en bepaald door het aantal proceshandelingen dat is verricht door de gemachtigde van eiser. In bezwaar kent iedere proceshandeling een vergoeding van € 647 en in beroep een vergoeding van € 934. De gemachtigde van eiser heeft een bezwaarschrift ingediend en de hoorzitting in bezwaar bijgewoond. Daarom bedraagt de vergoeding in bezwaar € 1.294. In beroep bedraagt de vergoeding € 1.868, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De totale proceskostenvergoeding die de korpschef aan eiser moet betalen is
€ 3.162.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 19 mei 2025;
- herroept het besluit van 15 januari 2025;
- bepaalt dat de korpschef de schade zoals bedoeld in 5.1, vermeerderd met de wettelijke rente, moet vergoeden en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de korpschef tot betaling van € 3.162 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026 door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Peters, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Burgerlijk Wetboek
Artikel 7:661
1. De werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever of aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, is te dier zake niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de overeenkomst, anders voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald.
2. Afwijking van lid 1 en van artikel 170 lid 3 van Pro Boek 6 ten nadele van de werknemer is slechts mogelijk bij schriftelijke overeenkomst en slechts voor zover de werknemer te dier zake verzekerd is.
Besluit algemene rechtspositie politie
Artikel 69, eerste lid
Aan de ambtenaar wordt de schade aan zijn goederen vergoed die hij buiten zijn schuld lijdt ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst, voor zover die schade niet bestaat uit de normale slijtage van die goederen.
Regeling vergoeding schade persoonlijk eigendom
Artikel 2
1. Het bevoegd gezag vergoedt schade aan persoonlijk eigendom van de ambtenaar die hij buiten zijn schuld lijdt ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst, voor zover die schade niet bestaat uit de normale slijtage van die goederen en de ambtenaar niet op andere wijze aanspraak kan maken op geheel of gedeeltelijke vergoeding van de geleden schade.
2. In het geval dat persoonlijke eigendom wordt beschadigd tijdens woon-werkverkeer of buiten diensttijd, bestaat alleen aanspraak op een schadevergoeding indien er sprake is van een rechtstreeks verband met de dienstuitoefening.
3. Indien de schade is veroorzaakt door opzettelijk onrechtmatige dan wel opzettelijk wederrechtelijke of bewust roekeloze handelingen door de ambtenaar of indien de schade is veroorzaakt door grove nalatigheid van de ambtenaar, bestaat er geen aanspraak op schadevergoeding.

Voetnoten

1.Staatscourant 3 december 2008, nummer 235, pagina 3.
2.ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7953 (gepubliceerd: Tijdschrift voor Ambtenarenrecht 1999/7).