ECLI:NL:RBGEL:2026:4963

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
11409044
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:119 BWArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens onvoldoende bewijs onrechtmatige daad Omgevingsdienst

De eiser vorderde een schadevergoeding van €4.024,66 wegens vermeende schade aan de buitendeur van zijn recreatiewoning, veroorzaakt door toezichthouders van de Omgevingsdienst bij het bezorgen van een last onder dwangsom.

De Omgevingsdienst voerde verweer en betwistte zowel het onrechtmatig handelen als het bestaan van schade en het causaal verband. De kantonrechter oordeelde dat de eiser onvoldoende bewijs had geleverd; de overgelegde foto toonde slechts een kier tussen deur en kozijn zonder duidelijkheid over de omvang van de schade.

De eiser mocht geen aanvullend bewijs meer leveren omdat hij niet aan zijn stelplicht had voldaan en voldoende gelegenheid had gehad dit eerder te doen. De vordering werd daarom afgewezen en de eiser werd veroordeeld in de proceskosten van €720,00, vermeerderd met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van schade en onrechtmatig handelen door de Omgevingsdienst.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11409044 \ CV EXPL 24-9313
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[naam eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: PoortwachterMonitoR,
tegen
PUBLIEKSRECHTELIJKE RECHTSPERSOON OMGEVINGSDIENST DE VALLEI,
zetelend te Ede,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Omgevingsdienst,
gemachtigde: mr. T.L.M. van der Weijden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 10 december 2025 en de daarin genoemde processtukken.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026, waar partijen en hun gemachtigden zijn verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Gemeente Ede (hierna: de gemeente) heeft aan [de eiser] een last onder dwangsom opgelegd. De Omgevingsdienst treedt in dat kader namens de gemeente op en heeft hiertoe op 3 oktober 2023 zowel aangetekend als per gewone post een brief verzonden aan [de eiser] waarin deze last onder dwangsom aan [de eiser] is opgelegd.
2.2.
Op 28 februari 2024 hebben twee toezichthouders van de Omgevingsdienst een kopie van voornoemde brief afgeleverd bij de recreatiewoning van [de eiser] aan de [adres] in [plaatsnaam] (hierna: de recreatiewoning) door deze tussen de buitendeur en het kozijn te plaatsen.
2.3.
De gemachtigde van [de eiser] heeft de Omgevingsdienst op 14 maart 2024 gesommeerd om een schadevergoeding aan hem te voldoen ter zake schade aan de buitendeur van de recreatiewoning.
2.4.
Op 25 maart 2024 heeft de Omgevingsdienst per e-mail aan [de eiser] , voor zover hier van belang, het volgende geschreven:
“U stelt schade te hebben geleden door toedoen van onze toezichthouders, u stelt dat een van uw deuren is beschadigd. Meent u in aanmerking te komen voor een schadevergoeding, dan verwijzen wij u volledigheidshalve naar de mogelijkheid om een aansprakelijkstelling in te dienen via de gemeentelijke website:https://www.ede.nl/bestuur-en-organisatie/schadevergoeding-aanvragen.”

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert, na vermeerdering van eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Omgevingsdienst te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 4.024,66 voor het leveren, vervangen en schilderen van de buitendeur van de recreatiewoning, met veroordeling van de Omgevingsdienst in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de proceskosten, vanaf de veertiende dag na datum van dit vonnis totdat alles is betaald.
3.2.
[de eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Omgevingsdienst op grond van artikel 6:162 BW Pro aansprakelijk is voor de door hem geleden schade van € 4.024,66. De Omgevingsdienst zou onrechtmatig hebben gehandeld doordat medewerkers van de Omgevingsdienst in de uitoefening van hun werkzaamheden schade aan de buitendeur van de recreatiewoning hebben veroorzaakt. Door op hardhandige wijze een brief af te leveren, waardoor is de buitendeur ontzet, aldus [de eiser] .
3.3.
De Omgevingsdienst voert gemotiveerd verweer. De Omgevingsdienst concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
De Omgevingsdienst heeft in de eerste plaats aangevoerd dat [de eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, omdat hij zijn vordering had moeten instellen tegen de gemeente. De Omgevingsdienst zou [de eiser] hierop hebben gewezen bij
e-mail van 25 maart 2024. De kantonrechter oordeelt als volgt.
4.2.
De vordering van [de eiser] heeft betrekking op schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen. Bij een onrechtmatige daad gaat het erom dat als iemand, jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke aan hem kan worden toegerekend, verplicht is om de schade die daardoor wordt geleden, te vergoeden. [de eiser] stelt zich op het standpunt dat toezichthouders die werkzaam zijn bij de Omgevingsdienst de gestelde schade aan zijn buitendeur hebben veroorzaakt. Niet in geschil is dat de toezichthouders de brief hebben bezorgd aan het adres van de recreatiewoning. In beginsel is de Omgevingsdienst dan ook de partij die door [de eiser] kan worden aangesproken. De e-mail van 25 maart 2024 van de Omgevingsdienst aan [de eiser] maakt dit niet anders. Uit deze e-mail blijkt immers niet ondubbelzinnig dat de Omgevingsdienst meent dat [de eiser] bij haar aan het verkeerde adres is, maar de Omgevingsdienst geeft daarin enkel aan dat de aansprakelijkheidsstelling via de “gemeentelijke website” kan worden ingediend. Bovendien is het voor een leek, zoals [de eiser] , niet duidelijk dat de Omgevingsdienst enkel handelt als gemandateerde uitvoeringsorganisatie namens de gemeente. Het niet-ontvankelijkheidsverweer slaagt daarom niet. [de eiser] kan dan ook worden ontvangen in zijn vordering. De kantonrechter zal hierna de vordering inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
De vraag die voorligt is of de Omgevingsdienst aansprakelijk is voor de gestelde schade aan de buitendeur van [de eiser] . Medewerkers van de Omgevingsdienst zouden op hardhandige wijze een brief hebben bezorgd waarbij de buitendeur is ontzet. Ter onderbouwing van de schade aan de buitendeur verwijst [de eiser] naar een foto die als productie 2 bij dagvaarding is overgelegd. De Omgevingsdienst betwist het onrechtmatig handelen, de schade en het bestaan van een verband tussen het handelen en de schade. In de kern onderbouwt de Omgevingsdienst haar betwisting door erop te wijzen dat nergens uit het procesdossier volgt dat enige schade is ontstaan aan de voordeur. Het bestaan van schade kan niet volgen uit de door [de eiser] bij dagvaarding overgelegde foto, aldus de Omgevingsdienst.
4.4.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op de foto die onderdeel is van productie 2 bij dagvaarding is enkel een kier tussen de deur en het kozijn zichtbaar. Niet inzichtelijk is gemaakt hoe groot deze kier is. De kantonrechter kan in ieder geval niet vaststellen dat de kier zo groot is dat er een vinger ingestoken kan worden. Dit laatste heeft [de eiser] nog ter zitting verklaard. Naar het oordeel van de kantonrechter levert deze foto onvoldoende bewijs op van de gestelde schade aan de buitendeur. Bovendien blijkt uit de foto en de ter zitting getoonde filmopnames niet dat de gestelde schade is veroorzaakt door de Omgevingsdienst.
4.5.
Tijdens de mondelinge behandeling is door [de eiser] aangeboden om nader bewijs te leveren van de schade middels een getuigenverklaring, aanvullend beeldmateriaal en een descente. De kantonrechter zal [de eiser] hiertoe niet in de gelegenheid stellen nu hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan en het bovendien op de weg van [de eiser] had gelegen al het relevante bewijs in een eerder stadium aan te leveren. Daartoe had [de eiser] ook voldoende gelegenheid en bovendien alle tijd. De Omgevingsdienst heeft immers bij conclusie van antwoord van 5 februari 2025 al gemotiveerd betwist dat sprake is van de gestelde schade en dat de toezichthouders de gestelde schade zouden hebben veroorzaakt. De Omgevingsdienst heeft daarbij ook expliciet gewezen op de magere onderbouwing die door [de eiser] is gegeven bij dagvaarding.
Proceskosten
4.6.
[de eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De Omgevingsdienst vordert vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten, omdat [de eiser] de procedure tegen beter weten in is gestart. [de eiser] heeft namelijk geen redelijk belang bij het voeren van deze procedure en de Omgevingsdienst heeft [de eiser] hier ook herhaaldelijk op gewezen. [de eiser] heeft geen gebruik willen maken van de mogelijkheid om het schadeformulier van de gemeente in te vullen.
4.7.
Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten kan alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als grond voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter, dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. [1]
4.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter is niet komen vast te staan dat [de eiser] een vordering instelde die, naar hij wist, evident ongegrond was. Daarmee is niet, in het licht van de tot terughoudendheid nopende maatstaf, aan de (strenge) eis voor een volledige proceskostenveroordeling voldaan. [de eiser] zal aldus worden veroordeeld in de proceskosten, met toepassing van het gebruikelijke liquidatietarief. De proceskosten van de Omgevingsdienst worden begroot op:
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
720,00
4.9.
De door De Omgevingsdienst gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [de eiser] af,
5.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [de eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
44356 \ 51588

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:57, rov. 3.2.1.