Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4990

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
AWB 25/14 en 25/15
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen belastingrentebeschikkingen inkomstenbelasting en Zvw 2022

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur waarin de belastingrentebeschikkingen voor de aanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over het jaar 2022 zijn gehandhaafd.

De kern van het geschil betreft de vraag of de inspecteur op grond van het vertrouwensbeginsel geen belastingrente in rekening had mogen brengen, omdat belanghebbende meent dat hij door een brief waarin uitstel werd bevestigd, mocht aannemen dat geen rente zou worden geheven.

De rechtbank overweegt dat belanghebbende niet heeft kunnen aantonen dat de inspecteur toezeggingen heeft gedaan waaruit redelijkerwijs kon worden afgeleid dat geen belastingrente zou worden geheven. De brief waarop belanghebbende zich beroept is niet overgelegd, terwijl de bewijslast hiervoor bij belanghebbende ligt.

Daarom verklaart de rechtbank de beroepen ongegrond en bevestigt dat de belastingrente terecht is berekend. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.

De uitspraak is gedaan door rechter J.A.L. Heldens op 17 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de belastingrente terecht is geheven.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/14 en 25/15
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juni 2026
in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 28 november 2024, waarbij de inspecteur de belastingrentebeschikkingen ter zake van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het belastingjaar 2022 heeft gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] namens de inspecteur.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Overwegingen

1. Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2022.
2. De inspecteur heeft naar aanleiding van een verzoek daartoe van de gemachtigde van belanghebbende op grond van de becon-regeling uitstel verleend tot het doen van aangifte tot 1 mei 2024.
3. Belanghebbende heeft op 30 april 2024 de aangifte IB/PVV 2022 ingediend. Belanghebbende heeft hierbij een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 103.297 aangegeven.
4. Met dagtekening 5 juli 2024 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2022 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Met dezelfde datum heeft hij de aanslag Zvw 2022 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 59.706. Bij beschikkingen heeft de inspecteur respectievelijk € 3.478 en € 155 aan belastingrente in rekening gebracht. De belastingrente is in rekening gebracht over de periode van 1 juli 2023 tot en met 16 augustus 2024.
5. Op 5 november 2024 heeft de inspecteur intern navraag gedaan over het verleende uitstel, omdat hij in de systemen geen brief kan vinden waarin staat dat uitstel voor het doen van aangifte is verleend. Op 6 november 2024 is op deze vraag, voor zover relevant, als volgt geantwoord:
“De belastingplichtige krijgt van dit uitstel geen brief omdat er beconuitstel is aangevraagd. Dit gaat via het softwarepakket van de consulent en deze consulent heeft via dit pakket een terugkoppeling gekregen (SBU).”
6. Tussen partijen is alleen in geschil of de inspecteur op grond van het vertrouwensbeginsel geen belastingrente in rekening had mogen brengen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de belastingrenten terecht in rekening heeft gebracht. Zij heeft daartoe als volgt overwogen.
7. Belanghebbende voert aan dat hij voor 1 mei 2023 aangifte zou hebben gedaan als hij de brief waarin de uitstel tot het doen van aangifte wordt bevestigd niet zou hebben ontvangen. Door die brief verkeerde hij in de veronderstelling dat het initiatief om uitstel te verlenen bij de Belastingdienst lag en dat daarom geen belastingrente in rekening zou worden gebracht.
8. Onder omstandigheden kunnen algemeen beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel, meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht. [1] Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen heeft gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. [2]
9. Belanghebbende heeft zowel voor de belastingjaren vóór als na 2022 voor de oorspronkelijke aangiftetermijn aangifte gedaan. Daarnaast heeft hij voor het belastingjaar 2022 aangifte gedaan voor het verstrijken van de termijn waarvoor uitstel is verleend. Gelet op deze gang van zaken, twijfelt de rechtbank er niet aan dat belanghebbende is geïnformeerd over het verleende uitstel. Dan is onder andere relevant waarover belanghebbende precies is geïnformeerd, in het bijzonder of hierin een toezegging of uitlating staat waaruit belanghebbende mag afleiden dat de inspecteur geen belastingrente in rekening zou brengen over de periode waarover uitstel is verleend. Dit kan de rechtbank echter niet beoordelen, omdat de brief waar belanghebbende naar verwijst niet is ingebracht.
De inspecteur heeft onderzoek gedaan naar de betreffende brief en gemotiveerd het standpunt ingenomen dat hij deze brief niet heeft.
10. Gelet hierop en het feit dat de bewijslast voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel op belanghebbende rust, had het op de weg van belanghebbende gelegen om de betreffende brief in te brengen. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij deze brief niet meer heeft. Dit komt voor zijn rekening en risico met als gevolg dat belanghebbende niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur de belastingrente terecht in rekening heeft gebracht. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 17 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126.
2.Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.