De zaak betreft een vordering van een brandstofleverancier tegen de bestuurders van een failliete transportonderneming wegens schending van de Beklamel-norm. De leverancier had financiële ondersteuning geboden en een pandrecht gevestigd, waarvan later bleek dat het een tweede pandrecht betrof. Daarnaast werd brandstof geleverd in de periode vlak voor het faillissement.
De rechtbank overweegt dat voor bestuurdersaansprakelijkheid een persoonlijk ernstig verwijt vereist is. Het eerste verwijt, het vestigen van een tweede pandrecht terwijl een eerste pandrecht bestond, leidt niet tot aansprakelijkheid omdat partijen nog werkten aan een plan om het faillissement te voorkomen en de bestuurders niet wisten of behoorden te begrijpen dat de vennootschap niet zou kunnen betalen.
Het tweede verwijt, het afnemen van brandstof in de week voorafgaand aan het faillissement terwijl de bestuurders wisten dat betaling niet mogelijk was, leidt wel tot een schending van de Beklamel-norm. De bestuurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en beslagkosten. De proceskosten worden gecompenseerd.