Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:5021

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
C/05/467409
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:900 BWArt. 7:904 BWArt. 3:267 BWArt. 69 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op ontruiming woning wegens onvoldoende vastgestelde onderhoudstekortkoming

Eiser, bestuurder en eigenaar van een woning die op twee percelen staat, kreeg een volmacht om de woning onderhands te verkopen. De volmacht bevatte een onderhoudsplicht voor eiser, waarbij een makelaar als arbiter is aangewezen om vast te stellen of eiser tekortschiet in deze plicht.

De gedaagde partijen stelden dat eiser onvoldoende onderhoud pleegde en sommeerden tot ontruiming. De makelaar constateerde gebreken, maar stelde niet vast dat eiser toerekenbaar tekortschiet. De rechtbank oordeelde dat de makelaar geen bindende vaststelling heeft gedaan dat eiser zijn onderhoudsplicht schendt, waardoor ontruiming niet gerechtvaardigd is.

Daarnaast bleek dat de makelaar niet onafhankelijk was, geen hoor en wederhoor toepaste en zijn motivering onvoldoende was. Ook was onduidelijk of de onderhoudsplicht groot onderhoud omvatte, wat volgens de rechtbank niet het geval was. De vordering tot ontruiming werd daarom afgewezen en de gedaagde partijen werden veroordeeld tot betaling van proceskosten en een dwangsom bij overtreding van het verbod.

Uitkomst: De rechtbank verbiedt de ontruiming van de woning omdat de makelaar niet heeft vastgesteld dat eiser tekortschiet in zijn onderhoudsplicht.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/467409 / KG ZA 26-209
Vonnis in kort geding van 11 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R. Dufour,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagd bedrijf 1] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagd bedrijf 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna samen te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. R.J.G. Mengelberg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 6;
- de aanvullende producties 7 tot en met 13 van [eiser] ;
- de producties 1 tot en met 12 van [de gedaagde] ;
- de aanvullende producties 13 tot en met 18 van [de gedaagde] ;
- de akte houdende een (voorwaardelijke) eis in reconventie;
- de mondelinge behandeling van 10 juni 2026;
- de twee pleitnota’s van [eiser] ;
- de pleitnota van [de gedaagde]
1.2.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 11 juni 2026 een kop-staartvonnis gewezen. De feiten en de motivering waarop de in dit kop-staartvonnis gegeven beslissing berust, worden hierna vastgelegd.

2.De kern van de zaak

[eiser] is bestuurder van [bedrijf eiser] B.V. (hierna: [bedrijf eiser] ). [eiser] en [bedrijf eiser] zijn beiden afzonderlijk eigenaar van twee naast elkaar gelegen percelen. Op die percelen is één woning gebouwd die op beide percelen staat. [eiser] woont in de woning.
Op de woning (en beide percelen) rustte eerder een recht van hypotheek ten behoeve van een derde financier ter zekerheid van een aan [bedrijf eiser] verstrekte geldlening. Wegens betalingsproblemen bij [bedrijf eiser] en het voornemen van de toenmalige hypotheekhouder om de geldlening op te eisen middels verkoop van de woning, heeft [eiser] naar nieuwe financiers gezocht. Uiteindelijk hebben [de gedaagde] een lening verstrekt aan [bedrijf eiser] van € 1.350.000,00 met een jaarlijkse rente van 10% en hebben zij ter zekerheid bij akte van 8 november 2023 een nieuw recht van hypotheek gevestigd op de woning ten behoeve van [de gedaagde] [bedrijf eiser] is enige tijd daarna failliet verklaard.
Omdat partijen het erover eens zijn dat de woning moet worden verkocht om, onder andere, de door [de gedaagde] verstrekte lening terug te betalen en de woning meer zal opleveren bij een onderhandse verkoop dan bij een executieverkoop, heeft [eiser] bij notariële akte [de gedaagde] een onherroepelijke volmacht (hierna: de volmacht) verleend om de woning onderhands te verkopen. In die volmacht staat ook dat [eiser] ervoor zorgt dat de woning, kort gezegd, gedurende de verkoopperiode een naar maatschappelijke normen verzorgde indruk maakt, waaronder een goed (tuin)onderhoud en een schoon in- en exterieur en hij deze dus moet onderhouden. Of [eiser] toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van deze onderhoudsplicht staat volgens de volmacht ter beoordeling van de makelaar.
Enige tijd nadat de notariële akte was gepasseerd, is tussen partijen onenigheid ontstaan over de vraag of [eiser] tekort is geschoten in het onderhoud aan de woning als bedoeld in de volmacht. Uiteindelijk hebben [de gedaagde] de ontruiming van de woning aangezegd, omdat [eiser] volgens hen in de onderhoudsplicht tekortschiet.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[eiser] vordert, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [de gedaagde] te verbieden de ontruiming van de woning aan de [adres] te [plaats] te vervolgen op straffe van een dwangsom met veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[de gedaagde] voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
In reconventie
3.4.
[de gedaagde] vorderen samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
[eiser] te veroordelen om de woning met alle daarin aanwezige personen en zaken die aan hem toebehoren, leeg, bezemschoon en ontruimd op te leveren en ter vrije beschikking van [de gedaagde] te stellen op 17 juni 2026 op straffe van verbeurte van een dwangsom.
te bepalen dat [de gedaagde] gerechtigd zijn de ontruiming van de woning te bewerkstelligen desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie voor het geval [eiser] met de nakoming van dit vonnis in gebreke blijft.
Subsidiair
[de gedaagde] te machtigen de woning in beheer te nemen op de voet van artikel 6 van Pro de hypotheekakte op straffe van verbeurte van een dwangsom
te bepalen dat [de gedaagde] gerechtigd zijn de ontruiming van het huis te bewerkstelligen desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie voor het geval [eiser] met nakoming van dit vonnis in gebreke blijft.
Zowel primair als subsidiair:
[eiser] te veroordelen in de proceskosten.
3.5.
[eiser] voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie
Spoedeisend belang
4.1.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de vorderingen en is door [eiser] voldoende onderbouwd.
Geen tekortkoming geconstateerd door de makelaar
4.2.
Tussen partijen is primair in geschil of [eiser] de woning moet ontruimen omdat hij tekort is geschoten in de nakoming van zijn onderhoudsplicht op grond van de volmacht. [de gedaagde] zijn van mening dat in de volmacht de makelaar is aangewezen om als ‘arbiter’ bindend te bepalen of [eiser] tekortschiet. Met een e-mailbericht van 12 februari 2026 heeft de makelaar volgens [de gedaagde] gebreken aan de woning geconstateerd. Nadat de makelaar dat had gemeld, heeft [de gedaagde] conform de volmacht [eiser] gesommeerd voor 26 februari 2026 deze gebreken aan de woning ter verhelpen. [eiser] heeft volgens [de gedaagde] deze termijn ongebruikt laten verstrijken. Dit blijkt volgens hen tevens uit het feit dat in een latere e-mail van 8 juni 2026 de makelaar schrijft dat de door hem eerder geconstateerde gebreken aan de woning nog steeds niet zijn verholpen en dat daarbovenop er meer gebreken zijn bijgekomen. [eiser] heeft zich ter zitting onder meer op het standpunt gesteld dat hoewel de makelaar gebreken aan de woning heeft geconstateerd, hij niet vaststelt dat [eiser] daarmee ook toerekenbaar tekort is geschoten in zijn onderhoudsplicht.
4.3.
In artikel 2.c. van de volmacht is bepaald dat de makelaar constateert of [eiser] toerekenbaar tekort schiet in zijn onderhoudsplicht aan de woning. Als de makelaar dit heeft gedaan en [eiser] niet binnen 14 dagen na schriftelijke mededeling daarvan aan hem de tekortkoming heeft opgelost, zijn [de gedaagde] gerechtigd om een akte van constatering te laten opmaken door een deurwaarder. Op basis van deze akte van constatering kan [de gedaagde] de woning in beheer nemen op de voet artikel 6 van Pro de hypotheekakte van 8 november 2023 waarmee het recht van hypotheek is gevestigd op de woning en geldt vervolgens voor [eiser] één maand ontruimingstijd na de constatering door de makelaar.
4.4.
De eerste stap van het hiervoor omschreven traject tot ontruiming van de woning, is dat de makelaar vaststelt dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in zijn onderhoudsplicht. [de gedaagde] heeft daarvoor verwezen naar een e-mailbericht van de makelaar van 12 februari 2026. In die e-mail schrijft de makelaar dat hij zich zorgen maakt over het onderhoud van het zwembad, omdat [eiser] heeft gemeld dat de zwembadpomp stuk is, dat er qua onderhoud sowieso niet veel gebeurd is en dat het stucwerk aan de zijden van de gevel erg los begint te raken. Volgens de makelaar is het verhelpen van deze onderhoudspunten erg arbeidsintensief en kostbaar en hebben deze een waarde drukkend effect op de woning. De makelaar somt in deze e-mail weliswaar een aantal gebreken aan de woning op, maar constateert verder nergens dat met die gebreken [eiser] tekortschiet in de nakoming van zijn onderhoudsplicht in de zin van de volmacht, dan wel dat dit hem kan worden toegerekend. [de gedaagde] hebben ook verwezen naar een e-mailbericht van de makelaar van 8 juni 2026. Daarin schrijft de makelaar dat de woning een stuk minder afgewerkt oogt en somt hij inderdaad wederom een aantal (nieuwe) gebreken op aan de woning, maar ook in dat bericht stelt de makelaar verder niet vast dat daarmee [eiser] niet heeft voldaan aan zijn onderhoudsplicht. Het blijft in beide e-mailberichten slechts bij een feitelijke vaststelling dat er gebreken aan het huis kleven en deze moeten worden verholpen omdat het verstandig is voor de verkoopbaarheid van de woning. Dat en waarom [eiser] hiertoe verplicht is op grond van de volmacht heeft makelaar dus niet vastgesteld.
Omdat niet is komen vast te staan dat door de makelaar is vastgesteld dat [eiser] tekort is geschoten in zijn onderhoudsplicht aan de woning en dit zoals hiervoor omschreven op grond van de volmacht de eerste stap is voor het in beheer nemen van de woning door [de gedaagde] en daaropvolgend de ontruiming daarvan, biedt de volmacht in dit geval vooralsnog geen grond voor de door [de gedaagde] beoogde ontruiming van de woning. Omdat [de gedaagde] de op 23 april en 6 mei 2026 aangezegde ontruimingen slechts baseert op de volmacht, zal de vordering van [eiser] worden toegewezen en zal de voorzieningenrechter [de gedaagde] verbieden de ingezette ontruimingen te vervolgen.
4.5.
De gevorderde dwangsom zal zoals hierna in de beslissing is vermeld beperkt en gemaximeerd worden toegewezen.
Vaststelling van de makelaar houdt geen stand
4.6.
Voor zover de voorzieningenrechter wel zou aannemen dat de makelaar met de e-mailberichten van 12 februari en 8 juni 2026 heeft vastgesteld dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in het onderhoud van de woning geldt nog het volgende.
4.7.
De stellingen van [de gedaagde] komen erop neer dat de makelaar een derde is die een bindend advies geeft in de zin van artikel 7:900 lid 2 BW Pro inzake de vraag of [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van zijn onderhoudsplicht. Een dergelijke beslissing van de makelaar is op grond van artikel 7:904 lid 1 BW Pro vernietigbaar, wanneer gebondenheid aan die beslissing in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarvan uitgaande oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.
4.8.
[eiser] betoogt dat de onderhoudsplicht uit de volmacht slechts ziet op het verrichten van klein onderhoud aan de woning zoals grasmaaien en de woning schoon en opgeruimd houden. De makelaar schrijft in zijn e-mails over gebreken als een kapotte zwembadpomp en scheurend stucwerk aan de buitengevel en in zijn latere bericht van 8 juni 2026 onder andere over een lekkage, een niet werkende poort en onderhoud aan het dak, maar die punten betreffen volgens [eiser] groot onderhoud en komen conform de volmacht voor rekening van [de gedaagde] De woning maakt volgens [eiser] nog altijd een naar maatschappelijke normen verzorgde indruk, waarmee hij, anders dan de makelaar oordeelt, heeft voldaan aan zijn onderhoudsplicht.
Volgens [de gedaagde] hebben partijen geen onderscheid gemaakt tussen klein en groot onderhoud in de volmacht en als [eiser] dat wel had willen doen, had hij dit moeten stipuleren volgens [de gedaagde]
4.9.
De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van [eiser] zo dat volgens hem de makelaar om tot zijn beslissing te komen een onjuiste beslissingsmaatstaf heeft gehanteerd. Uit de e-mailberichten van de makelaar van 12 februari en 8 juni 2026 valt voor de voorzieningenrechter niet af te leiden hoe de makelaar de onderhoudsplicht in de volmacht uitlegt en waarom naar zijn oordeel de door hem waargenomen gebreken een toerekenbare tekortkoming van [eiser] zouden opleveren. Dit klemt te meer nu tussen partijen juist discussie bestaat over de vraag waar de onderhoudsplicht uit de volmacht precies op ziet en of daarin een onderscheid is gemaakt tussen klein en groot onderhoud en dus wat het toetsingskader van de makelaar is. In de tekst van de volmacht is uitsluitend opgenomen dat de woning een naar maatschappelijke normen verzorgde indruk maakt, doelend op een goed (tuin) onderhoud en een schoon in- en exterieur, en dat als [eiser] daaraan niet voldoet en dit een verkoopbelemmerend effect heeft [de gedaagde] zelf professioneel tuinonderhoud mag laten plegen of de woning professioneel mag laten reinigen. De tekst is in zoverre helder dat daarin uitsluitend tuinonderhoud en schoonhouden van de woning wordt genoemd. Er staat verder niks over groot en kostbaar onderhoud als lekkages verhelpen en dat dit tevens voor rekening van [eiser] komt. Ter zitting hebben partijen verklaard dat zij intensief hebben onderhandeld over de hiervoor omschreven tekst van de volmacht, waardoor de voorzieningenrechter daaraan ook veel waarde hecht. De bedoeling lijkt te zijn dat de verkoop van de woning niet wordt belemmerd doordat de tuin niet wordt onderhouden en de woning niet wordt schoongemaakt. Over het bevorderen van de verkoop door het actief herstellen van gebreken staat niets in de volmacht. Ook de curator van [bedrijf eiser] heeft dit in een e-mailbericht van 5 juni 2026 beaamd. Volgens hem was uitgangspunt van partijen dat [eiser] onderhoud zoals grasmaaien en schoonmaakwerkzaamheden zou doen en dat andere uitgaven voor rekening van [de gedaagde] zouden komen. Dit heeft ook de basis gevormd van een tussen de failliete boedel en [de gedaagde] getroffen schikking. De door de makelaar opgesomde gebreken zoals het vervangen van een defecte zwembadpomp, repareren van scheuren in het stucwerk aan de gevel, het verhelpen van een lekkage in de badkamer, repareren van kapotte en loshangende hemelwaterafvoer en onderhoud aan het dak, zien verder niet op schoonmaak of tuinonderhoud. De makelaar lijkt daar in zijn beslissing verder geen onderscheid in te maken en alle gebreken aan de woning te hebben toegerekend aan [eiser] , althans deze keuze licht hij verder niet toe, laat staan dat hij die deugdelijk heeft gemotiveerd. Het heeft er dan ook alle schijn van dat de makelaar een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd bij het nemen van zijn beslissing.
4.10.
[de gedaagde] hebben nog betoogd dat uitdrukkelijk tussen partijen is besproken dat [de gedaagde] niet het groot onderhoud van de woning op zich wilden nemen en dat het de bedoeling was van partijen om onder “maatschappelijk verantwoorde indruk” ook het groot onderhoud te laten vallen en dat met [eiser] ook besproken is dat hij investeringen zou doen in de woning. Tegenover die investeringen zouden [de gedaagde] bij verkoop van de woning [eiser] finale kwijting verlenen ter waarde van 1,9 miljoen euro. Deze stelling van [de gedaagde] heeft [eiser] echter betwist en op de vraag waaruit blijkt dat finale kwijting mede in ruil voor investeringen werd verleend, kon [de gedaagde] ter zitting geen antwoord geven. De gestelde kwijting is in elk geval niet in de (considerans van de) volmacht opgenomen, waarin een veelheid aan afspraken minutieus is vastgelegd. In dit verband wijst [de gedaagde] nog op een e-mail van haar advocaat van 2 juli 2025, waarin staat dat in de volmacht geregeld zal moeten worden dat [eiser] het pand behoorlijk onderhoudt en opgeruimd houdt. Ook hierin wordt dus niet gesproken over iets anders dan het ‘bijhouden’ van de woning. Deze e-mail leidt daarom niet tot een andere uitleg van de volmacht.
4.11.
Ook aan de totstandkoming van de beslissing van de makelaar kleven de nodige gebreken. Ten eerste is de makelaar ingeschakeld door [de gedaagde] en werkt hij in opdracht van en wordt betaald door hen. Van deze makelaar kan daarom niet worden gezegd dat hij een onafhankelijke en onpartijdige adviseur is om een rechtstoestand tussen partijen vast te stellen. Ten tweede is onbetwist komen vast te staan dat [eiser] door de makelaar verder niet om zijn visie is gevraagd met betrekking tot de geconstateerde gebreken, wat niet strookt met het beginsel van hoor en wederhoor. Sterker nog, de e-mailberichten van 12 februari 2026 en 8 juni 2026 waarin de gebreken zouden zijn geconstateerd door de makelaar, zijn niet door hem aan [eiser] gestuurd en hebben [eiser] uiteindelijk pas later bereikt via de advocaat van [de gedaagde] Ten slotte zijn constateringen van de makelaar in de e-mailberichten van 12 februari en 8 juni 2026 zeer mager gemotiveerd. Daarin wordt zoals gezegd niet onderbouwd waarom de door de makelaar vastgestelde gebreken een tekortkoming van [eiser] opleveren, dan wel waarom dit aan hem kan worden toegerekend. Van de makelaar mag op zijn minst worden verwacht dat hij deze onderdelen had gemotiveerd, te meer gelet op de gevolgen die zijn beslissing heeft voor [eiser] en de vraag of hij in de woning kan blijven wonen.
4.12.
Alles bij elkaar genomen, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat in het kader van dit kort geding voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat een eventuele beslissing van de makelaar inzake de tekortkoming in de onderhoudsplicht wegens gebreken in de totstandkoming en de inhoud daarvan op grond van artikel 7:904 BW Pro zal worden vernietigd. Dus ook als wordt aangenomen dat de makelaar met zijn e-mailberichten van 12 februari en 8 juni 2026 bedoeld heeft te constateren dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de zin van de volmacht, biedt dit geen grond voor [de gedaagde] om de woning te doen ontruimen.
Het plaatsen van paaltjes op de oprit
4.13.
Tussen partijen is voorts in geschil of het plaatsen van paaltjes door [eiser] op een deel van zijn oprit, omdat dit deel van het perceel volgens hem toebehoort aan de daarnaast gelegen Joodse begraafplaats, een verkoopbelemmerde handeling is die grond oplevert voor ontruiming van de woning. Dat kan echter verder in het midden blijven. Vast staat dat de paaltjes op het moment van de zitting niet waren geplaatst en dit dus ook (nog) geen tekortkoming kan opleveren in de zin van artikel 2.c. van de volmacht. Het enkele voornemen van [eiser] om dat te doen, maakt dit niet anders.
In reconventie
Primair: het ontruimen van de woning
4.14.
De voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld (zoals de voorzieningenrechter die verstaat) is vervuld, nu de constatering van de makelaar onvoldoende grond vormt voor ontruiming. Omdat de voorzieningenrechter in conventie al heeft geoordeeld dat de ontruiming van de woning zal worden verboden omdat een grondslag hiervoor ontbreekt, wordt het primair gevorderde in reconventie, zijnde een vordering tot ontruiming van de woning, afgewezen.
Subsidiair: machtiging in beheer nemen woning
4.15.
[de gedaagde] hebben subsidiair (onder a.) gevorderd dat de voorzieningenrechter hen zal machtigen de woning in beheer te nemen op de voet van artikel 6 van Pro de hypotheekakte van 8 november 2023 en (onder b.) dat zij gerechtigd zijn de ontruiming van het huis te (laten) bewerkstelligen. Conform artikel 3:267 lid 1 BW Pro kan bij ernstig tekortschieten van de hypotheekgever in zijn verplichtingen de hypotheekhouder het verhypothekeerde goed in beheer nemen wanneer dit is bedongen in de hypotheekakte en de voorzieningenrechter de hypotheekhouder heeft gemachtigd. In artikel 3:267 lid 2 BW Pro staat dat in de hypotheekakte kan worden bedongen dat de hypotheekhouder bevoegd is de zaak onder zich te nemen, indien zulks met het oog op de executie vereist is en de voorzieningenrechter hem machtiging verleent. Een dergelijke machtiging moet worden verzocht bij verzoekschrift. Dit kan niet bij wijze van reconventionele vordering in een dagvaardingsprocedure in kort geding. Daarom zal de voorzieningenrechter op de voet van artikel 69 Rv Pro het verzoek verwijzen naar team handelsrekesten van deze rechtbank en bepalen dat het daar in de stand waarin de procedure zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. Gelet op hetgeen is overwogen in conventie ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om vooruitlopend op de verzoekschriftprocedure een voorziening te treffen door [de gedaagde] te machtigen de woning in beheer te nemen of te bepalen dat [eiser] de woning moet ontruimen.
In conventie en in reconventie
4.16.
[de gedaagde] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.765,50
- nakosten
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.554,44

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
verbiedt [de gedaagde] de bij exploten van 23 april 2026 en 6 mei 2026 aangezegde ontruiming van de woning aan de [adres] te [plaats] te vervolgen,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de onder 5.1. uitgesproken veroordeling voldoen, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
5.3.
verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
ten aanzien van het primair gevorderde:
5.5.
wijst de vorderingen van [de gedaagde] af,
ten aanzien van het subsidiair gevorderde:
5.6.
verwijst de zaak naar het team handelsrekesten van deze rechtbank,
5.7.
bepaalt dat de procedure daar in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure,
5.8.
wijst partijen erop dat de voorzieningenrechter van team handelsrekesten zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voorgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
in conventie en in reconventie
5.9.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 2.554,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.10.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026. De feiten en de motivering waarop de beslissing steunt, zijn afzonderlijk vastgelegd op 24 juni 2026.
In verband met afwezigheid van mr. S.A.L. van de Sande, is dit vonnis ondertekend door mr. I.W.M. Olthof.