Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:5025

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
C/05/456596 / FA RK 25-3044
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:397 lid 2 BWArt. 1:401 lid 1 BWArt. 1:401 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie vastgesteld op minimale draagkracht man

De rechtbank Gelderland behandelde het verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie die eerder was vastgesteld in een echtscheidingsconvenant van mei 2024. De man stelde dat de oorspronkelijke alimentatie was gebaseerd op een onrealistisch hoog inkomen in 2022 en verzocht om verlaging naar €50 per maand. De vrouw verzocht afwijzing van dit verzoek.

De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor een grove miskenning van wettelijke maatstaven bij de oorspronkelijke alimentatie, omdat geen inzage was gegeven in de financiële gegevens van het peiljaar 2022. Wel werd een wijziging van omstandigheden aangenomen vanwege de gewijzigde financiële situatie van de man.

De draagkracht van de man werd vastgesteld op €50 per maand, gebaseerd op zijn fiscale cijfers van 2025. De draagkracht van de vrouw werd niet beoordeeld vanwege de minimale draagkracht van de man en haar studiestatus. De rechtbank bepaalde dat de vrouw geen terugbetalingsverplichting heeft voor eventueel teveel ontvangen alimentatie sinds 4 september 2025.

De alimentatie moet vooruitbetaald worden en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. Het verzoek van de man wordt deels toegewezen, de rest afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de kinderalimentatie naar €50 per maand vanaf 4 september 2025 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/456596 / FA RK 25-3044
Datum uitspraak: 11 juni 2026
beschikking wijziging kinderalimentatie
in de zaak van
[naam man](hierna: de man),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,
tegen
[naam vrouw](hierna: de vrouw),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. R.M. Bissumbhar te Barneveld.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift, ingekomen op 4 september 2025;
  • het verweerschrift, ingekomen op 4 november 2025;
  • het F9-formulier met aanvullende stukken van de man van 12 mei 2026.
1.2.
De zaak is besproken op de mondelinge behandeling van 21 mei 2026 met gesloten deuren. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is op [echtscheidingsdatum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 15 mei 2024 [1] (hersteld bij beschikking van 6 juni 2024) in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
  • [naam kind 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
  • [naam kind 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
  • [naam kind 3], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .
2.3.
De vrouw oefent alleen het gezag uit over de minderjarige kinderen. De minderjarige kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
2.3.
Het aan de voornoemde beschikking van 15 mei 2024 gehechte convenant maakt deel uit van die beschikking. Hierin is onder meer opgenomen dat de man aan de vrouw betaalt, met ingang van 1 januari 2024, een kinderalimentatie van € 1.000 per maand voor de drie kinderen. Indien de man aantoont dat hij huur of hypotheekrente betaalt, wordt deze kinderalimentatie met de eerstvolgende maand verlaagd naar € 700 per maand voor de drie kinderen.

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat - onder wijziging van de beschikking van 15 mei 2024 - de man aan de vrouw een bedrag van € 50 per maand is verschuldigd, bij vooruitbetaling te
voldoen, voor de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen, met
als ingangsdatum 30 juli 2025, dan wel datum verzoekschrift.
3.2.
De vrouw verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
het verzoek van de man niet-ontvankelijk te verklaren;
de man te veroordelen in de kosten van deze procedure en dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van de af te geven beschikking tot aan de dag der algehele voldoening;
Subsidiair:
het verzoek van de man af te wijzen;
kosten rechtens.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
Deze rechtbank is bevoegd omdat de vrouw en de kinderen van partijen in het rechtsgebied van deze rechtbank wonen.
De kinderalimentatie
Conclusie
4.2.
De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf 4 september 2025 € 50 per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn.
Ontvankelijkheid
4.3.
De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw vaststellen als partijen deze eerder hebben afgesproken ‘met grove miskenning van de wettelijke maatstaven’. [2] Dat wil zeggen dat partijen een heel ander bedrag aan kinderalimentatie hebben afgesproken dan het bedrag dat de rechter zou hebben vastgesteld als die van dezelfde gegevens was uitgegaan.
Hoewel de man stelt dat hiervan sprake is, heeft hij dit standpunt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De man stelt dat de afspraken in het convenant zijn gebaseerd op de jaarcijfers over 2022, het beste jaar dat partijen ooit hebben gehad vanwege corona. De vrouw heeft dit erkend. De man heeft echter geen financiële gegevens over 2022 overgelegd. Hij heeft ook niet op andere wijze inzage gegeven hoe de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen destijds zijn berekend, op welke punten deze afwijken van de wettelijke maatstaven en dat sprake is van een grove wanverhouding tussen hetgeen partijen hebben afgesproken en hetgeen de rechter zou hebben vastgesteld. De man heeft zijn financiële gegevens over 2023 tot en met 2025 overgelegd. Die gegevens zijn echter niet maatgevend voor de beoordeling of sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven, omdat partijen hun onderlinge afspraken hebben gebaseerd op peiljaar 2022.
4.4.
De rechtbank kan de alimentatie ook opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. [3] Dat is hier het geval, want de man heeft voldoende gesteld dat zijn inkomen is gewijzigd. De rechtbank zal hierna beoordelen in hoeverre dit moet leiden tot een wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie.
Ingangsdatum
4.5.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de over en weer verzochte kinderalimentatie gaat gelden.
4.6.
Hier hanteert de rechtbank 4 september 2025 als ingangsdatum. Dat is de datum waarop het verzoekschrift van de man bij de rechtbank is binnengekomen. Vanaf dat moment kon de vrouw rekening houden met een mogelijke wijziging van de kinderalimentatie.
Behoefte
4.7.
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. Partijen hebben geen inzage in de behoefte ten tijde van de echtscheiding gegeven. Hoewel partijen het met elkaar eens zijn dat zij de afspraken over de kinderalimentatie hebben gebaseerd op de cijfers van 2022, ontbreken de financiële gegevens van partijen over dat jaar. De rechtbank kan de behoefte van de kinderen daarom niet berekenen. Gelet op de hoogte van de afgesproken kinderalimentatie bedroeg deze behoefte in 2022 kennelijk minimaal € 1.000 voor de drie kinderen tezamen. Omdat de draagkracht van de man de beperkende factor is, zal de rechtbank de behoefte van de kinderen niet (schattenderwijs) hoeven vast te stellen. Wel geeft de rechtbank aan (de advocaten van) partijen mee dat zij onderling de behoefte alsnog kunnen berekenen door het uitwisselen van de benodigde financiële stukken over hun inkomen in 2022 om discussie op dit punt in de toekomst te voorkomen.
Draagkracht
4.8.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. [4]
4.9.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er in 2025 als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1310)]. Bij een NBI kleiner dan € 2.125 netto per maand, maar groter dan € 1.875 netto per maand, gelden vaste tabelbedragen. Voor zover het inkomen lager is dan € 1.875 wordt
uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 25 per maand voor één kind en € 50 per maand voor twee of meer kinderen.
Draagkracht man
4.10.
De man heeft een eigen onderneming. Uit het door hem overgelegde fiscaal rapport 2025 blijkt dat hij in 2025 een belastbare winst uit onderneming had van € 808 en inkomsten uit overig werk van € 2.330. Het belastbaar inkomen bedroeg daardoor € 3.138 per jaar. Verder houdt de man rekening met privé onttrekkingen van € 12.585 per jaar. De man berekent zijn NBI op basis van deze cijfers op € 1.296 per maand.
4.11.
De vrouw stelt dat geen sprake is van verlies in het bedrijf van de man. Zij stelt dat de omzet van 2025 nagenoeg gelijk is aan de omzet over 2023. Verder stelt de vrouw dat uit de vergelijking van de jaarrekeningen blijkt dat de man in 2025 veel meer inkoopt dan hij verkoopt. De vrouw concludeert hieruit dat de man onnodige uitgaven doet en hij een ander uitgavenpatroon heeft aangenomen vanwege de echtsscheidingsprocedure. In reactie hierop heeft de man een toelichting gegeven op de jaarcijfers. Hij heeft de vrouw die medevennoot was moeten uitkopen en er zit een enorme schuld in de onderneming. Pogingen om de onderneming te verkopen, zijn vanwege de schuld op niets uitgelopen. Daarnaast is van belang dat de markt is ingestort, er hoge onttrekkingen voor noodzakelijke procedures zijn gedaan en onttrekkingen door de vrouw, aldus de man. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man - mede gelet op zijn toelichting - voldoende onderbouwd waarom van de cijfers uit het fiscaal rapport moet worden uitgegaan, zodat de rechtbank aan de stellingen van de vrouw voorbij gaat. De rechtbank neemt daarom de overgelegde cijfers van 2025 tot uitgangspunt voor de beoordeling van de draagkracht van de man. Gelet op de hoogte van het door de man berekende NBI, heeft de man een draagkracht voor kinderalimentatie van
€ 50 per maand.
Draagkracht vrouw, draagkrachtvergelijking en zorgkorting
4.12.
De rechtbank zal, gezien de minimale draagkracht van de man, een beoordeling over de draagkracht van de vrouw achterwege laten. Dit zal immers niet leiden tot een lagere onderhoudsbijdrage van de man, te meer nu de vrouw nog studeert en daardoor ook een beperkte draagkracht heeft om in de kosten van de kinderen te voorzien. Ook zal om die reden geen draagkrachtvergelijking worden gemaakt en geen rekening worden gehouden met een zorgkorting, noch daargelaten dat er momenteel geen omgang is tussen de man en de kinderen.
Geen terugbetalingsverplichting
4.13.
De rechtbank bepaalt dat de vrouw de eventuele reeds ontvangen alimentatie niet terug hoeft te betalen aan de man. De rechtbank gaat ervan uit dat als deze alimentatie is ontvangen, deze is gebruikt om in de behoefte van de kinderen van partijen te voorzien. Daarom kan redelijkerwijs niet van de vrouw verlangd worden dat zij de eventueel te veel ontvangen alimentatie over de periode van 4 september 2025 tot heden aan de man terugbetaalt.
Alimentatie vooruitbetalen
4.14.
De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.15.
De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.
Proceskosten
4.16.
De rechtbank zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn. Anders dan door de vrouw betoogd, heeft de man naar het oordeel van de rechtbank geen misbruik gemaakt van zijn recht om te procederen. Er bestaat immers aanleiding om de overeengekomen alimentatie te wijzigen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 15 mei 2024 en het daaraan gehechte convenant ten aanzien van de kosten van de kinderen en bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:
  • [naam kind 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
  • [naam kind 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
  • [naam kind 3], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;
met ingang van 4 september 2025 € 50 per maand aan de vrouw moet betalen, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
5.2.
bepaalt dat de vrouw hetgeen zij op grond van deze beslissing eventueel te veel van de man heeft ontvangen, niet aan hem hoeft terug te betalen;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;
5.5.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.M.J. Peters, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. K.K.H. Wagemaker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.

Voetnoten

1.Met zaaknummers C/05/422794/ES RK 23-299 en C/05/431749/ FA RK 24-498.
2.Artikel 1:401 lid 5 BW Pro.
3.Artikel 1:401 lid 1 BW Pro.
4.Artikel 1:397 lid 2 BW Pro.