Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
1.De procedure
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 juli 2025 en de daarin genoemde processtukken.
2.De feiten
- een bedrag van in totaal € 394.282,96 (5.2. van het vonnis)
- een bedrag van € 33.156,12 (inclusief btw) per maand met ingang van 1 mei 2023 tot de dag na dagtekening van het vonnis (5.3. van het vonnis)
- een bedrag van in totaal € 198.936,72 als voorschot op de schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente (5.7. van het vonnis)
- een bedrag van € 3.508,12 aan buitengerechtelijke incassokosten (5.8. van het vonnis)
- een bedrag van € 4.804,63 aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente (5.9. van het vonnis).
3.Het geschil in conventie
4.Het geschil in reconventie
5.De beoordeling
- [gedaagden] als indirect bestuurders van OPM en ZSE een huurovereenkomst zijn aangegaan met HVB en akkoord zijn gegaan met de verhoging van de bouwkosten, terwijl [gedaagden] wisten dat OPM en ZSE die overeenkomst niet konden nakomen en de vennootschappen ook niet over voldoende verhaal beschikten;
- [gedaagden] als indirect bestuurders van OPM en ZSE de Beachclub na oplevering niet in gebruik hebben genomen dan wel hebben laten nemen en niet aan de verplichtingen op grond van de huurovereenkomst hebben voldaan, en
- [gedaagden] als indirect bestuurders van OPM en ZSE een volgens HVB mondeling gesloten overeenkomst om een factuur voor grondwerkzaamheden te betalen, niet hebben voldaan.
€ 116.500,-), kan naar het oordeel van de rechtbank niet geoordeeld worden dat [gedaagden] ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst (28 januari 2020) wisten dan wel hadden behoren te begrijpen dat OPM en ZSE niet aan de toekomstige huurverplichtingen zouden kunnen voldoen. Bovendien had OPM in 2019 een eigen vermogen van € 3.989.531,-. Het eigen vermogen van OPM en ZSE gaf ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat deze vennootschappen geen verhaal zouden bieden in geval van het niet-nakomen van de verplichtingen uit die overeenkomst. Dit volgt ook uit de eigen stellingen van HVB. In haar dagvaarding (punt 24 en 25) merkt zij immers op dat:
€ 3.850.000,- bedroegen, hebben [gedaagden] tegen de heer [naam] van HVB (hierna: [naam] ) gezegd dat de Beachclub niet meer winstgevend kon worden geëxploiteerd, aldus [gedaagden] . Daarnaast wijzen [gedaagden] erop dat de Covid-19 problematiek er ook voor heeft gezorgd dat een exploitatie van een horecagelegenheid in 2022 niet mogelijk was.