ECLI:NL:RBGEL:2026:503

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
443780
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:9 BWArt. 236 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid bij exploitatie Beachclub Harbour Village

Deze zaak betreft een geschil over bestuurdersaansprakelijkheid in verband met de realisatie en exploitatie van een Beachclub op het vakantiepark Harbour Village Het Zilveren Schor te Arnemuiden. HVB, als eigenaar en ontwikkelaar, vordert dat de voormalige indirecte bestuurders van OPM en ZSE aansprakelijk worden gesteld voor schade voortvloeiend uit niet-nakoming van huurverplichtingen en onbetaalde facturen.

De rechtbank overweegt dat bestuurdersaansprakelijkheid slechts kan worden aangenomen indien een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, waarbij de Beklamel-norm en de Ontvanger/Roelofsen-norm als maatstaven gelden. HVB stelt dat de bestuurders wisten of hadden moeten weten dat OPM en ZSE niet aan hun verplichtingen konden voldoen en dat zij nalatig waren in het toezicht op de bouwkosten en exploitatie.

De rechtbank concludeert echter dat de bestuurders niet wisten of behoorden te begrijpen dat de vennootschappen niet aan hun verplichtingen konden voldoen ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst. Ook is onvoldoende gebleken dat zij onzorgvuldig hebben gehandeld of nalatig zijn geweest in de uitvoering van hun taken. Daarnaast is vastgesteld dat HVB onvoldoende bewijs heeft geleverd voor haar stellingen over de bouwkosten en exploitatie. De vorderingen van HVB worden daarom afgewezen.

In reconventie oordeelt de rechtbank dat HVB onrechtmatig heeft gehandeld door het leggen van conservatoir beslag en veroordeelt HVB tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade. De proceskosten worden aan HVB opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van HVB af en veroordeelt HVB tot schadevergoeding aan de bestuurders wegens onrechtmatige beslaglegging.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/443780 / HA ZA 24-561
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
HVB BEHEER B.V,
te Made,
eisende partij,
hierna te noemen: HVB,
advocaat: mr. J.P.A. Jansen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. D.J. Kramer.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 april 2025 en de daarin genoemde processtukken
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 juli 2025 en de daarin genoemde processtukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Dit geschil gaat over de ontwikkeling van vakantiepark Harbour Village Het Zilveren Schor te Arnemuiden, en in het bijzonder de realisatie en exploitatie van de Beachclub (inclusief restaurant en zwembad).
2.2.
HVB heeft in de afgelopen jaren een groot aantal kavels op dit vakantiepark gekocht en daarop vakantievilla’s gebouwd. Op enig moment heeft HVB van Zilveren Schor Developments B.V. (hierna: ZSD), destijds de ontwikkelaar van het vakantiepark, de grond gekocht waarop de Beachclub diende te worden gerealiseerd. Daarbij werd de afspraak gemaakt dat de Beachclub na realisatie door HVB aan O.P.M. Developments B.V. (hierna: OPM) en het Zilveren Schor Exploitatie B.V. (hierna: ZSE) zou worden verhuurd.
2.3.
Op 28 januari 2020 hebben HVB, OPM en ZSE een schriftelijke huurovereenkomst gesloten.
2.4.
In artikel 4.1. van de huurovereenkomst zijn HVB, OPM en ZSE uitgegaan van een huurprijs van € 120.000,- exclusief btw per jaar, zijnde 8% van de op het moment van het sluiten van de huurovereenkomst voorzien bedrag aan bouwkosten van € 1.500.000,-. In artikel 4.2. van de huurovereenkomst is opgenomen dat indien de bouwkosten hoger uitvallen, de huurprijs naar rato hoger wordt, met als uitgangspunt een rendement voor HVB van 8%.
2.5.
HVB heeft de Beachclub ook daadwerkelijk gerealiseerd. De totale kosten voor de bouw in inrichting van de Beachclub bedroegen uiteindelijk € 4.000.000,-. Tussen HVB enerzijds en OPM en ZSE anderzijds is echter een geschil ontstaan over onder meer het moment van oplevering van de Beachclub, de hoogte van de huurprijs en door HVB gezonden facturen. Volgens HVB bedraagt de huurprijs vanaf 1 mei 2022 (en dus na het stijgen van de bouwkosten) € 287.191,93 exclusief btw per jaar (€ 23.931,66 exclusief btw per maand) en vanaf 1 januari 2023 en na indexering € 328.821,- exclusief btw per jaar (€ 27.401,75 exclusief btw per maand).
2.6.
Wegens het onbetaald laten van huurtermijnen heeft HVB OPM en ZSE voor de rechtbank Zeeland-West Brabant gedagvaard. Bij vonnis van 27 september 2023 is over het huurgeschil beslist dat OPM en ZSE de Beachclub vanaf maart/april 2022 in gebruik hebben genomen en dat zij vanaf 1 mei 2022 huurpenningen aan HVB zijn verschuldigd. Omdat OPM en ZSE de huurverplichtingen niet zijn nagekomen, is de huurovereenkomst ontbonden en zijn OPM en ZSE hoofdelijk veroordeeld tot betaling van:
  • een bedrag van in totaal € 394.282,96 (5.2. van het vonnis)
  • een bedrag van € 33.156,12 (inclusief btw) per maand met ingang van 1 mei 2023 tot de dag na dagtekening van het vonnis (5.3. van het vonnis)
  • een bedrag van in totaal € 198.936,72 als voorschot op de schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente (5.7. van het vonnis)
  • een bedrag van € 3.508,12 aan buitengerechtelijke incassokosten (5.8. van het vonnis)
  • een bedrag van € 4.804,63 aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente (5.9. van het vonnis).
2.7.
Het vonnis is inmiddels onherroepelijk geworden. OPM en ZSE hebben geen betalingen aan HVB verricht.
2.8.
[gedaagden] waren ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst indirect bestuurders van OPM en ZSE. Op 25 april 2023, dus voordat bovengenoemd vonnis gewezen is, hebben [gedaagden] de aandelen welke zij (indirect) in OPM en ZSE hielden, aan een derde verkocht en geleverd. Vanaf de levering van de aandelen in OPM en ZSE zijn [gedaagden] geen bestuurders meer en hebben zij geen bemoeienis meer met het vakantiepark.
2.9.
Op 1 augustus 2024 heeft HVB [gedaagden] als voormalig indirect bestuurders van OPM en ZSE aansprakelijk gesteld voor de door HVB geleden schade.
2.10.
Op 19 maart 2025 is door de rechtbank Zeeland-West Brabant een vonnis gewezen over de verschuldigdheid van door HVB aan OPM en ZSE gezonden facturen. In dat vonnis zijn OPM en ZSE veroordeeld om een bedrag van € 97.758,30 aan HVB te betalen.

3.Het geschil in conventie

3.1.
Na akte vermeerdering eis vordert HVB dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht zal verklaren dat [gedaagden] als voormalig bestuurders van ZSE en OPM in de uitvoering van hun bestuurstaken persoonlijk ernstig verwijtbar hebben gehandeld en dat [gedaagden] ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door HVB geleden schade,
[gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van € 1.097.477,22 aan schadevergoeding, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met een bedrag van € 6.775,- aan buitengerechtelijke incassokosten, en te vermeerderen met wettelijke rente,
[gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding van € 33.156,12 voor iedere maand vanaf 1 oktober 2024 dat de Beachclub niet verhuurd is tot maximaal 31 december 2030 (het einde van de oorspronkelijke huurovereenkomst), althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,
[gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding van € 97.758,30, te vermeerderen met wettelijke handelsrente en te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten van € 1.752,58, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,
[gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, beslagkosten en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
HVB legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid gehouden zijn om de door HVB geleden schade te vergoeden. De geleden schade bestaat onder meer uit misgelopen huurpenningen, een onbetaald gelaten factuur en eerder ten opzichte van OPM en ZSE gemaakte buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van HVB, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van HVB, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van HVB in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.Het geschil in reconventie

4.1.
[gedaagden] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht zal verklaren dat onrechtmatig beslag is gelegd door HVB,
HVB zal veroordelen tot betaling van het uit het onrechtmatig handelen voortvloeiende schade van [gedaagden] nader op te maken bij staat, te vermeerderen met rente kosten,
HVB – bij wijze van voorschot op de onder 2. gevorderde schadevergoeding – zal veroordelen tot betaling van € 523.408,- aan [gedaagde 1] en € 126.743,- aan [gedaagde 2] , althans in goede justitie te bepalen bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente,
HVB zal veroordeling tot betaling van de proceskosten, met bepaling dat deze kosten binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan HVB van rechtswege in verzuim zal zijn.
4.2.
[gedaagden] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de door HVB gelegde beslagen onrechtmatig zijn gelegd, nu geen sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. Zij menen dat HVB gehouden is om de door hen geleden schade, nader op te maken bij staat, te vergoeden.
4.3.
HVB voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen in reconventie, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure (waaronder de nakosten), te vermeerderen met wettelijke rente.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de rechtbank deze hierna gezamenlijk.
Juridisch kader
5.2.
Vooropgesteld wordt dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is er echter, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Er gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat moet worden voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (Hezemans Air/ X)). Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI Financial Services / K)).
5.3.
In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:2006:AZ0758 (Ontvanger/ Roelofsen)) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (de zogenaamde ‘Beklamel-norm’), en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten van de betrokken bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
5.4.
In deze zaak gaat het onder meer om schade die aan de zijde van HVB is geleden doordat volgens HVB:
  • [gedaagden] als indirect bestuurders van OPM en ZSE een huurovereenkomst zijn aangegaan met HVB en akkoord zijn gegaan met de verhoging van de bouwkosten, terwijl [gedaagden] wisten dat OPM en ZSE die overeenkomst niet konden nakomen en de vennootschappen ook niet over voldoende verhaal beschikten;
  • [gedaagden] als indirect bestuurders van OPM en ZSE de Beachclub na oplevering niet in gebruik hebben genomen dan wel hebben laten nemen en niet aan de verplichtingen op grond van de huurovereenkomst hebben voldaan, en
  • [gedaagden] als indirect bestuurders van OPM en ZSE een volgens HVB mondeling gesloten overeenkomst om een factuur voor grondwerkzaamheden te betalen, niet hebben voldaan.
5.5.
Zoals hiervoor is overwogen is het uitgangspunt bij niet-nakoming van verplichtingen uit hoofde van overeenkomsten dat de contractspartijen van HVB daarvoor aansprakelijk zijn, in dit geval OPM en ZSE. Om [gedaagden] als indirect bestuurders van OPM en ZSE voor de door HVB geleden schade aansprakelijk te houden, geldt dus een hogere drempel en de rechtbank is van oordeel dat die drempel niet is gehaald. De rechtbank licht dat als volgt toe.
De realisatie en exploitatie van de Beachclub
[gedaagden] hebben de ‘Beklamel-norm’ niet geschonden
5.6.
HVB verwijt [gedaagden] dat zij als indirect bestuurders van OPM en ZSE bij het sluiten van de huurovereenkomst verbintenissen zijn aangegaan, waarvan zij wisten of redelijkerwijze behoorden te begrijpen dat OPM en ZSE daaraan niet zouden kunnen voldoen en geen verhaal zouden bieden. Volgens HVB was ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst voor alle partijen duidelijk dat de in de huurovereenkomst opgenomen jaarlijkse huurprijs van € 120.000,- exclusief btw niet realistisch was en dat die huurprijs aanzienlijk hoger zou uitvallen. De jaarlijkse huursom van € 120.000,- exclusief btw was namelijk gebaseerd op een bouwsom van € 1.500.000,- en voor dit bedrag kon de Beachclub slechts casco opgeleverd worden, aldus HVB. Partijen hebben daarom in artikel 4.2. van de huurovereenkomst een overloopventiel opgenomen. HVB meent dat [gedaagden] wisten dan wel redelijkerwijs hadden behoren te begrijpen dat de bouwkosten ten opzichte van de exploitatiebegroting zouden stijgen. HVB betoogt dat de bouwkosten begin november 2021 al € 3.850.000,- bedroegen. Bij een stijging van de bouwkosten wisten dan wel hadden [gedaagden] moeten voorzien dat zij niet aan hun toekomstige huurverplichtingen konden voldoen. De liquiditeitspositie van OPM en ZSE liet een stijging van de huurprijs niet toe en ook werden er binnen OPM en ZSE geen andere inkomsten gegenereerd dan wel activiteiten ontplooid die maakten dat een hogere huurprijs zou kunnen worden voldaan, aldus HVB.
5.7.
[gedaagden] betwisten dat zij de Beklamel-norm hebben geschonden. Zij betogen dat de te verwachten bouwkosten van de Beachclub voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst op een bedrag van € 1.500.000,- waren begroot. Daarnaast hadden zij enkele stelposten opgenomen voor onder meer het loodgieterswerk, elektra en onvoorziene werkzaamheden. [gedaagden] betogen dat zij niet wisten dan wel redelijkerwijs hadden behoren te begrijpen dat de bouwkosten uiteindelijk meer dan zouden verdubbelen. [gedaagden] wijzen erop dat zij voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst een exploitatiebegroting hebben gemaakt en dat de verwachting was dat de exploitatie rendabel zou zijn met een te verwachten huurprijs van € 120.000,- exclusief btw per jaar. Ook wijzen zij erop dat uit de overgelegde jaarstukken van OPM en ZSE (tezamen) volgt dat zij voldoende verhaal boden ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst. Er bestond ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst geen reden om te veronderstellen dat dit op een later moment anders zou zijn. Van lichtvaardig contracteren is dan ook geen sprake, aldus [gedaagden] .
5.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst de Beachclub (inclusief restaurant en zwembad) nog moest worden gerealiseerd. Alleen de fundering van de Beachclub lag er al. Partijen hebben in artikel 4.1. van de huurovereenkomst een te verwachten huurprijs van € 120.000,- exclusief btw per jaar opgenomen. Vanwege de onzekerheid van de daadwerkelijke bouwkosten is in artikel 4.2. afgesproken dat de uiteindelijke huurprijs hoger zal worden als de bouwkosten hoger uitvallen. Het uitgangspunt bij het vaststellen van de uiteindelijke huurprijs was een rendement voor HVB van 8%. Voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst hebben [gedaagden] diverse offertes aan HVB overgelegd die betrekking hadden op de realisatie van de Beachclub. Niet gesteld of gebleken is dat op basis van deze overgelegde offertes reeds op voorhand bij [gedaagden] duidelijk moest zijn dat een te verwachten bouwsom van € 1.500.000,- (met enige marge) onhaalbaar was.
5.9.
Gelet op het feit dat OPM en ZSE voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst een exploitatiebegroting hebben gemaakt waaruit volgde dat een exploitatie van de Beachclub op basis van een te verwachten huurprijs van € 120.000,- exclusief btw per jaar voldoende rendabel zou zijn (namelijk een bruto resultaat van
€ 116.500,-), kan naar het oordeel van de rechtbank niet geoordeeld worden dat [gedaagden] ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst (28 januari 2020) wisten dan wel hadden behoren te begrijpen dat OPM en ZSE niet aan de toekomstige huurverplichtingen zouden kunnen voldoen. Bovendien had OPM in 2019 een eigen vermogen van € 3.989.531,-. Het eigen vermogen van OPM en ZSE gaf ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat deze vennootschappen geen verhaal zouden bieden in geval van het niet-nakomen van de verplichtingen uit die overeenkomst. Dit volgt ook uit de eigen stellingen van HVB. In haar dagvaarding (punt 24 en 25) merkt zij immers op dat:
“ter meerdere zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst, niet enkel ZSE contractspartij was bij de huurovereenkomst maar dat tevens OPM zich hoofdelijk verbond voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. (…) De jaarcijfers van OPM waren op dat moment positief, zodat HVB er niet aan hoefde te twijfelen dat OPM en ZSE hun verplichtingen niet zouden kunnen nakomen, dan wel dat zij geen verhaal zouden bieden voor de schade die HVB zou lijden, indien OPM en ZSE wel zouden tekortschieten aangaande hun verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst.”
5.10.
Dat [gedaagden] ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst wisten dan wel hadden behoren te begrijpen dat OPM en ZSE geen verhaal zouden bieden voor de huurverplichtingen, is gelet op het voorgaande dan ook niet vast komen te staan.
5.11.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat van een schending van de Beklamel-norm geen sprake is.
[gedaagden] zijn als indirect bestuurder ook niet aansprakelijk op grond van de ‘Ontvanger/ Roelofsen-norm’
5.12.
HVB verwijt [gedaagden] verder dat zij ook na het sluiten van de huurovereenkomst hebben bewerkstelligd of toegelaten dat OPM en ZSE hun wettelijke of contractuele verplichtingen niet zijn nagekomen en dat dit handelen dan wel nalaten ten opzichte van HVB zodanig onzorgvuldig is dat hen daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. HVB stelt dat [gedaagden] uiteindelijk de gehele inrichting en afbouw, waaronder de aanleg van het zwembad en de horecakeuken, aan HVB heeft overgelaten wegens een gebrek aan liquiditeit binnen OPM en ZSE. OPM en ZSE hebben gekozen voor een luxe ‘turn key’ beachclub. HVB heeft de door OPM en ZSE aangeleverde ontwerpen/tekeningen gevolgd en aanzienlijke bedragen geïnvesteerd om de Beachclub op te leveren zoals OPM en ZSE dat wensten. [gedaagden] , die volgens HVB als professionele projectontwikkelaars zijn aan te merken, zijn volgens HVB voortdurend op de hoogte gehouden over de hoogte van de bouwkosten, en daarmee indirect ook over de hoogte van de uiteindelijke huurprijs. [gedaagden] hebben ook gedurende het bouwproces offertes aangeleverd waardoor de bouwkosten alsmaar hoger werden. Zij hebben nimmer op de rem getrapt. Verder wijst HVB er op dat zij [gedaagden] op 4 november 2021 tijdens een bijeenkomst in de woning van [gedaagde 2] heeft gemeld dat de bouwkosten op dat moment € 3.850.000,- bedroegen. [gedaagden] gaven toen aan tevreden te zijn. Er bestond echter geen liquiditeit binnen OPM en ZSE. Het eigen vermogen van OPM bedroeg in 2019 nog € 3.989.531,-, maar in 2020 was dit € 33.926,- en in 2021 was er zelfs een negatief eigen vermogen van € 442.797,-. Volgens HVB werden er binnen OPM en ZSE geen andere activiteiten ontplooid of inkomsten gegenereerd. Ook hebben [gedaagden] geen exploitant voor de Beachclub gezocht. Al deze omstandigheden hebben ertoe geleid dat de Beachclub na oplevering in maart/april 2022 niet is geëxploiteerd, waardoor OPM en ZSE ook niet in staat waren om aan de overeengekomen huurverplichtingen te voldoen. Tot slot verwijt HVB [gedaagden] dat zij tijdens de procedure bij de rechtbank Zeeland-West Brabant onroerende goederen die in eigendom aan OPM toebehoorden aan verhaal hebben onttrokken en dat zij hun aandelen in OPM en ZSE aan een derde verkocht en geleverd hebben, zonder daarbij rekening te houden met de verplichtingen die OPM en ZSE jegens HVB hadden. Daarnaast zou OPM inmiddels kantoor houden in Duitsland. Ook dat zou duiden op verhaalsfrustratie.
5.13.
[gedaagden] voeren gemotiveerd verweer. Zij betogen dat de Beachclub uiteindelijk niet is geëxploiteerd vanwege een zakelijk geschil tussen OPM en ZSE enerzijds en HVB anderzijds. OPM en ZSE meenden dat de Beachclub in maart/april 2022 nog niet was opgeleverd en ook waren zij het niet eens met de hoogte van de volgens HVB gemaakte bouwkosten. [gedaagden] zijn van mening dat HVB hen nimmer dan wel onvoldoende op de hoogte heeft gehouden over de hoogte van de bouwkosten, terwijl dit wel was afgesproken. Zo heeft HVB in de Beachclub een fine dining-restaurant gerealiseerd in plaats van een voor een vakantiepark gebruikelijk restaurant. [gedaagden] betwisten dat zij na het sluiten van de huurovereenkomst nog offertes voor de realisatie van de Beachclub met HVB hebben gedeeld. Toen op 4 november 2021 de Beachclub grotendeels gerealiseerd was en HVB mededeelde dat de bouwkosten van de Beachclub
€ 3.850.000,- bedroegen, hebben [gedaagden] tegen de heer [naam] van HVB (hierna: [naam] ) gezegd dat de Beachclub niet meer winstgevend kon worden geëxploiteerd, aldus [gedaagden] . Daarnaast wijzen [gedaagden] erop dat de Covid-19 problematiek er ook voor heeft gezorgd dat een exploitatie van een horecagelegenheid in 2022 niet mogelijk was.
Over de verkoop en levering van hun aandelen in OPM en ZSE op 25 april 2023, betogen [gedaagden] dat zij wel met de belangen van HVB rekening hebben gehouden. [gedaagden] voeren aan dat zij met de koper hebben afgesproken dat de koper de exploitatie van OPM zou voortzetten. Tot slot betwisten zij dat OPM en ZSE al lege vennootschappen waren ten tijde van de realisatie van de Beachclub.
5.14.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor reeds is overwogen, zijn de uiteindelijke bouwkosten aanzienlijk hoger geworden dan waarmee in de huurovereenkomst (artikel 4.1.) is gerekend. Op een vraag van de rechtbank hoe partijen overleg voerden over de hoogte van de bouwkosten, heeft [naam] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat HVB in mei 2020 ook nog een e-mailbericht aan [gedaagden] heeft gezonden met de mededeling dat de bouwkosten op dat moment € 2.900.000,- bedroegen. Hoewel [gedaagden] niet hebben weersproken dat er in mei 2020 een e-mailbericht is gestuurd waarin HVB “een bedrag” heeft genoemd, hebben [gedaagden] aangevoerd dat zij daarop hebben geantwoord “dat dit bedrag nog wel naar beneden kan worden bijgesteld”.
5.15.
De rechtbank stelt vast dat HVB het door haar genoemde e-mailbericht van mei 2020 voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling heeft genoemd. Dit e-mailbericht behoort niet tot de processtukken. Indien de rechtbank HVB – zoals door haar verzocht – in de gelegenheid zou stellen om dit e-mailbericht alsnog in het geding te brengen, is het voor de rechtbank – zonder dat daarbij een nadere duiding/toelichting wordt gegeven –, niet mogelijk te beoordelen in welke context dit e-mailbericht dient te worden gelezen. De rechtbank dient partijen in dat geval eveneens in de gelegenheid te stellen om een nadere toelichting te geven. Gelet op het stadium waarin de onderhavige procedure zich bevindt en omdat niet gesteld of gebleken is waarom HVB deze informatie niet al op een eerder moment aan de rechtbank heeft kunnen verschaffen, ziet de rechtbank aanleiding om het gedane bewijsaanbod vanwege strijd met de goede procesorde te passeren.
5.16.
Tussen partijen staat wel vast dat [naam] op 4 november 2021 aan [gedaagden] heeft medegedeeld dat de bouwkosten op dat moment € 3.850.000,- bedroegen. Volgens [gedaagden] is toen tegen HVB gezegd dat een exploitatie van de Beachclub onmogelijk was. Ook hier geldt dat zonder nadere context hoe partijen elkaar vanaf het moment van sluiten van de huurovereenkomst tot november 2021 op de hoogte hielden over de hoogte van de bouwkosten, niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat [gedaagden] het oplopen van de bouwkosten hebben veroorzaakt dan wel dat hen verweten kan worden dat zij niet tijdig op de rem hebben getrapt. In deze procedure is namelijk onvoldoende duidelijk geworden in hoeverre [gedaagden] op de hoogte waren van en invloed hebben gehad op het bouwproces. Het betoog van HVB dat zij de Beachclub heeft gebouwd zoals [gedaagden] het wensten en dat dit, ook gedurende het bouwproces, (uitvoerig) met hen is besproken, is, tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagden] , onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de mededeling van de hoogte van de bouwkosten op 4 november 2021 in zoverre een ‘fait accompli’ was. De stelling van HVB dat [gedaagden] gedurende het bouwproces offertes hebben aangeleverd waardoor de bouwkosten alsmaar hoger werden, is – gelet op de uitdrukkelijke betwisting door [gedaagden] – onvoldoende onderbouwd en in deze procedure dus ook niet vast komen te staan.
5.17.
Het betoog van HVB dat de rechtbank Zeeland-West Brabant in het vonnis van 27 september 2023 heeft geoordeeld dat ‘OPM en ZSE niet hebben betwist dat op 4 november 2021 over de bouwkosten van op dat moment € 3.850.000,- is gesproken en dat [gedaagde 2] daar toen zeer tevreden over was’ en dat aan deze vaststelling ook in deze procedure gezag van gewijsde toekomt, slaagt niet. Artikel 236 lid 1 Rv Pro bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben, maar daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De partijen in deze procedure ( [gedaagden] ) waren namelijk niet zelfstandig partij bij de procedure bij de rechtbank Zeeland-West Brabant. Daar waren OPM en ZSE immers de wederpartij van HVB.
5.18.
Evenmin is van de gestelde verhaalfrustratie gebleken. OPM is een vennootschap waarin het onroerend goed werd gehouden. Volgens de stellingen van HVB zelf heeft OPM voor de verkoop van het onroerend goed een bedrag van € 1.210.000,- van Zilver Beheer B.V. ontvangen. Ook heeft HVB betoogd dat OPM destijds een vergelijkbaar bedrag voor het onroerend goed heeft betaald toen zij het onroerend goed aankocht. De waarde van het onroerend goed is (blijkens een door [gedaagden] overgelegd taxatierapport van 11 oktober 2023 (productie 15 bij conclusie van antwoord)) getaxeerd op € 1.260.000,- k.k. (uitgaande van parkbeheer (exclusief verhuurbemiddelingsrecht) zonder achterstallig onderhoud). Gelet op deze geschetste omstandigheden gaat de rechtbank er vanuit dat OPM een marktconforme prijs voor het onroerend goed heeft ontvangen en dat er alleen daarom al geen sprake is van onttrekken van verhaalsmogelijkheden uit OPM. Dat OPM en ZSE lege
vennootschappen waren, is eveneens niet gebleken, nu [gedaagden] een bedrag van € 1.000.001,- voor de aandelen in OPM en ZSE hebben ontvangen.
5.19.
Ook het standpunt van HVB dat [gedaagden] aansprakelijk zijn omdat zij hun aandelen tijdens de procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant aan een derde verkocht hebben, zonder daarbij rekening te houden met de verplichtingen die OPM en ZSE jegens HVB hadden is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. Hoewel de stelling van [gedaagden] dat zij een verplichting tot exploitatie van de Beachclub hebben bedongen van de koper van de aandelen op basis van de overgelegde stukken in deze procedure niet vastgesteld kan worden – dit volgt immers niet uit productie 8 van productie 14 bij Conclusie van Antwoord; het gaat in de vaststellingsovereenkomst immers om de exploitatie van andere percelen dan het perceel van de Beachclub (zie punt bijvoorbeeld onder 2.13 van productie 14 in samenhang met productie 2 en 3 bij dat stuk) –, hebben [gedaagden] onweersproken gesteld dat zij een lagere koopprijs voor hun aandelen hebben ontvangen omdat zij een voorziening moesten treffen voor het (juridische) geschil tussen HVB enerzijds en OPM en ZSE anderzijds. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat [gedaagden] bij de overdracht van de aandelen onvoldoende rekening hebben gehouden met de verplichtingen van OPM en ZSE jegens HVB.
5.20.
Ook het verplaatsen van het kantoor/ inschrijfadres van OPM naar Duitsland, wijst – anders dan door HVB betoogd – naar het oordeel niet op verhaalsfrustratie. Nog daargelaten dat door HVB niet is onderbouwd waarom het enkele kantoorhouden in Duitsland duidt op verhaalsfrustratie, is door [gedaagden] onweersproken betwist dat zij dit hebben bewerkstelligd. Op het moment dat OPM in Duitsland kantoor ging houden, waren [gedaagden] geen (indirect) aandeelhouders meer van OPM.
5.21.
Tot slot weegt de rechtbank bij het voorgaande mee dat [gedaagden] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken hebben gesteld dat Roompot als onderhuurder de Beachclub zou gaan exploiteren en dat [gedaagden] voor de exploitatie van de Beachclub van Roompot afhankelijk waren. Volgens [gedaagden] heeft De Roompot de huurovereenkomst echter op enig moment opgezegd omdat zij de Beachclub niet meer wilde exploiteren, onder andere vanwege de hoogte van de (nieuwe) huurbedragen.
5.22.
Al deze omstandigheden in samenhang bezien, maken dat de rechtbank onvoldoende gebleken acht dat [gedaagden] als bestuurders hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet zijn nagekomen en dat hen daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
De gestelde mondelinge afspraak over een door HVB voorgeschoten factuur voor grondwerkzaamheden
5.23.
Bij akte vermeerdering van eis heeft HVB haar eis in conventie vermeerderd met een veroordeling die door de rechtbank Zeeland-West Brabant op 19 maart 2025 in een vonnis tegen OPM en ZSE is uitgesproken. HVB heeft zich op het standpunt gesteld dat [gedaagden] als bestuurders van OPM en ZSE ook voor deze onbetaald gelaten veroordeling aansprakelijk kunnen worden gehouden.
5.24.
Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat van bestuurdersaansprakelijkheid geen sprake is, wordt die hoge drempel voor deze vordering ook niet behaald. Ook deze vordering ziet immers op de kosten voor de realisatie van de Beachclub. Er zijn door HVB geen andere bijkomende feiten en/of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel leiden.
5.25.
De conclusie is dat de vorderingen van HVB worden afgewezen.
Opheffing beslag, schadestaatprocedure, voorschot op schadevergoeding
5.26.
Ingevolge vaste rechtspraak (zie: Hoge Raad 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608) is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, in beginsel aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens eigendomsrecht het beslag inbreuk heeft gemaakt. Nu niet (voldoende gemotiveerd) gesteld noch gebleken is dat er in deze zaak sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dat beginsel zouden rechtvaardigen, is de onrechtmatige daad van HVB gegeven. De gevorderde verklaring van recht zal dan ook worden gegeven.
5.27.
[gedaagden] vorderen daarnaast dat HVB zal worden veroordeeld tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding. Zij betogen dat zij door het gelegde conservatoire beslag fiscaal niet hebben kunnen acteren om de negatieve gevolgen van de regelgeving rond het kunnen lenen van de eigen vennootschap, het zogenaamd “excessief lenen”, te verlichten. Volgens hen heeft dat vergaande fiscale gevolgen. De belastingdruk voor [gedaagde 1] had € 523.408,- lager kunnen zijn en voor [gedaagde 2] € 126.74,-. Ook stellen zij dat zij door de gelegde conservatoire beslagen niet hebben kunnen herfinancieren.
5.28.
Overwogen wordt dat [gedaagden] , tegenover het gemotiveerde verweer van HVB, onvoldoende hebben onderbouwd dat zij door de gelegde conservatoire beslagen schade hebben geleden die er toe moet leiden dat op dit moment een voorschot op de schadevergoeding dient te worden betaald. [gedaagden] hebben onvoldoende onderbouwd dat hun vennootschappen bedragen hebben geleend ten behoeve van de aankoop van onroerend goed en dat de leningen eerder door [gedaagden] afgelost hadden kunnen worden dan wel dat zij voornemens zijn geweest om bepaalde hypothecaire geldleningen te herfinancieren.
5.29.
Omdat voor toewijzing van de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure slechts de mogelijkheid van schade aannemelijk moet zijn gemaakt, zal de rechtbank die vordering wel toewijzen als hierna te melden. Gelet op de stellingen van [gedaagden] valt immers niet uit te sluiten dat er door de gelegde beslagen mogelijk enige schade is geleden.
5.30.
Aangezien HVB in conventie en in reconventie (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld, moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
2.626,00
- salaris advocaat
8.714,00
(2 punten × € 4.357,00)
- nakosten
278,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.618,00

6.De beslissing

De rechtbank
In conventie
6.1.
wijst de vorderingen van HVB af,
In reconventie
6.2.
verklaart voor recht dat HVB onrechtmatig heeft gehandeld jegens [gedaagden] door het leggen van beslagen ten laste van [gedaagden] ,
6.3.
veroordeelt HVB tot betaling van de uit het onrechtmatig handelen voortvloeiende schade van [gedaagden] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In conventie en in reconventie
6.5.
veroordeelt HVB in de proceskosten van € 11.618,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als HVB niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
verklaart het vonnis wat betreft veroordelingen 6.2., 6.3. en 6.5. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.A. Arts en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.