ECLI:NL:RBGEL:2026:5032

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
05-126494-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende steunbewijs in verkrachtingszaak te Nijmegen

Op 6 oktober 2024 vond in Nijmegen een incident plaats waarbij verdachte werd beschuldigd van verkrachting van een bekende, waarbij sprake zou zijn geweest van seksuele handelingen zonder instemming. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf en taakstraf, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte.

De rechtbank onderzocht het bewijs zorgvuldig, waarbij werd vastgesteld dat er geen getuigen waren die de seksuele handelingen hadden waargenomen. De verklaringen van het vermeende slachtoffer en verdachte verschilden aanzienlijk, vooral over het al dan niet bestaan van verzet en instemming. Getuigenverklaringen waren 'de auditu' en boden geen zelfstandig steunbewijs.

Ook de snapchatberichten van verdachte, waarin hij spijt uitte maar geen duidelijke bekentenis gaf, konden niet als steunbewijs worden aangemerkt. Gezien het ontbreken van voldoende steunbewijs kon de rechtbank niet voldoen aan het bewijsminimum zoals vereist in zedenzaken en sprak zij verdachte vrij.

Daarnaast werd de civiele vordering tot schadevergoeding van het vermeende slachtoffer afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, omdat de strafrechtelijke bewezenverklaring ontbrak.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/126494-25
Datum uitspraak : 25 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. G.W.M. de Leest, advocaat in Tilburg.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van
14 oktober 2025 en 11 juni 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Nijmegen met een persoon, te weten [aangever] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen van zijn vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [aangever] en/of
- het ontbloten van zijn penis in de nabijheid van [aangever] en/of het (pogen te) bewegen van het ontblote onderlichaam van die [aangever] naar zijn ontblote penis,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak.

2.De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met een contactverbod met aangeefster als bijzondere voorwaarde. Daarnaast vordert de officier van justitie een taakstraf van 240 uur.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

[aangever] (hierna: [aangever] ) heeft op 14 oktober 2024 aangifte gedaan van verkrachting. Op grond van haar verklaring en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting, staat voor de rechtbank het volgende vast.
[aangever] en verdachte waren vrienden van elkaar. Zij kwamen elkaar in de nacht van 5 op 6 oktober 2024 tegen in de stad in Nijmegen. Zowel [aangever] als verdachte waren onder invloed van drank. Rond half 5 ’s nachts zijn zij, samen met een groep vrienden, naar het huis van [aangever] gegaan. Hier hebben zij allemaal drugs (3mmc) gebruikt. Verdachte, [aangever] en [getuige 1] zijn op enig moment op het balkon gaan roken. [aangever] is toen bij verdachte op schoot gaan zitten. Na een paar minuten is [getuige 1] naar binnen gegaan. Op dat moment waren verdachte en [aangever] alleen op het balkon. Verdachte heeft toen een hand op het bovenbeen van [aangever] gelegd en is vervolgens met zijn hand, via de broekspijp, in de broek van [aangever] gegaan. Daarna is verdachte met zijn vinger(s) in de vagina van [aangever] gegaan.
[aangever] en verdachte verklaren echter verschillend over het volgende.
Volgens [aangever] heeft zij meerdere keren ‘stop’ gezegd en aangegeven dat ze de seksuele handelingen niet fijn vond. Verder heeft zij meerdere keren geprobeerd op te staan, maar werd zij – kortgezegd – door verdachte vastgehouden en terug op schoot getrokken ondanks haar signalen van verbaal en non-verbaal verzet. Ook zou verdachte zijn broek en onderbroek naar beneden hebben getrokken en zou hij haar op zijn geslachtsdeel hebben geduwd.
Verdachte heeft verklaard dat hij [aangever] vaker had gevingerd terwijl ze bij hem op schoot zat en dat hoe het deze nacht ging in lijn was met de manier waarop dit eerder was gebeurd. Zij spreidde haar benen en dat was voor hem het teken dat ze dit wilde. Hij heeft geen verbaal of non-verbaal verzet bij [aangever] waargenomen. Zij leunde juist tegen hem aan en maakte licht kreunende geluiden. Verdachte ontkent dat hij heeft geprobeerd [aangever] op zijn (ontblote) geslachtsdeel te duwen. Hij heeft zijn broek en onderbroek te allen tijde aangehouden.
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich in het algemeen kenmerken door het feit dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (vermeende) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Ook in dit geval is er geen getuige die de seksuele handelingen heeft waargenomen. Dit maakt dat extra zorgvuldig naar het bewijsmateriaal in het dossier moet worden gekeken, zeker als het, zoals in dit geval, een ontkennende verdachte betreft.
Ingevolge artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend worden gebaseerd op grond van de verklaring van één getuige, in dit geval de verklaring van aangeefster. Deze bepaling strekt ertoe de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat zij de rechtbank verbiedt tot een bewezenverklaring te komen indien de feiten en omstandigheden waarover een aangever verklaart op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Volgens de Hoge Raad betekent de bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv Pro in zedenzaken, waarin het in de kern vaak gaat om het woord van aangever tegen dat van de verdachte, niet dat vereist is dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer die verklaring op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. De bewijsmiddelen dienen voldoende steun te geven aan de verklaring van aangever (getuige). Dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband dient te staan met de inhoud van de verklaring van die getuige, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. Als het aanvullend bewijsmateriaal alleen is aan te merken als een onderbouwing van de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster, geeft deze daaraan in het licht van artikel 342 lid 2 Sv Pro onvoldoende steun. Dat geldt bijvoorbeeld als het aanvullend bewijs bestaat uit een ‘de auditu’-verklaring, inhoudende een weergave van wat de ‘bron’ aan de betrokken getuige heeft verteld. Indien een verklaring van een getuige daarentegen (mede) een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van de aangeefster op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt, of vlak daarna, kan die waarneming voldoende steunbewijs opleveren voor het bewezenverklaarde.
De rechtbank zal allereerst beoordelen of voor de verklaringen van [aangever] voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.
Getuigenverklaringen
Getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) heeft gezien dat [aangever] bij verdachte op schoot zat op het balkon. Dat gebeurde volgens hem wel vaker. [getuige 1] heeft geen seksuele handelingen waargenomen tussen [aangever] en verdachte. Hij heeft ze ook niet zien bewegen. Hij merkte wel dat [aangever] iets meer afwezig was toen zij terug de woning in kwam. Hij is tot ongeveer 18:00/19:00 uur in de woning van [aangever] geweest. Zij heeft hem die zondagavond of een dag later aan de telefoon verteld dat zij door verdachte verkracht is. Ze reageerde toen geëmotioneerd. Ze was heel druk omdat van alles geregeld moest worden. Ze moest naar de politie en naar het ziekenhuis voor extra onderzoek, aldus [getuige 1] .
Getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) heeft op 16 oktober 2024 aangifte gedaan van aanranding door verdachte, gepleegd in de woning van [aangever] in de vroege ochtend van 6 oktober 2024. Later heeft [getuige 2] verklaard die aangifte niet te willen doorzetten. [getuige 2] heeft verklaard dat zij even later merkte dat er iets met [aangever] was. Toen [getuige 2] later aan [aangever] vertelde wat haar was overkomen, vertelde [aangever] haar dat zij was verkracht door verdachte. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 2] verklaard dat zij niets heeft meegekregen van wat er tussen [aangever] en verdachte gebeurd was die avond. Zij heeft ook niet gehoord dat [aangever] ‘stop’ heeft gezegd. [getuige 2] kan zich niet meer herinneren hoe [aangever] eraan toe was die avond.
De rechtbank stelt vast dat beide getuigen geen seksuele handelingen hebben gezien of gehoord tussen [aangever] en verdachte, maar alleen van [aangever] hebben gehoord wat er zou zijn gebeurd. Datzelfde geldt voor de ontbrekende wil van [aangever] , onderscheidenlijk de wetenschap van verdachte daarvan; ook daaromtrent hebben getuigen zelf geen waarnemingen gedaan. Deze verklaringen zijn dus ‘de auditu’-verklaringen en kunnen daarmee niet als steunbewijs worden gebruikt. De waarnemingen van [getuige 1] dat ‘ [aangever] afwezig was toen zij terug in de woning kwam’ en van [getuige 2] dat ‘er iets met [aangever] was die avond’, leveren naar het oordeel van de rechtbank ook geen steunbewijs op. Het betreft geen emoties waarvan met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat deze bevestigen wat [aangever] heeft verklaard over wat er is gebeurd en onder welke omstandigheden. Ook de emotie die [getuige 1] aan de telefoon bij [aangever] heeft waargenomen toen zij hem over het incident vertelde, is voor de rechtbank onvoldoende om als steunbewijs te gebruiken. Deze emotie is niet direct na het incident, maar pas in een veel later stadium waargenomen, waardoor het mogelijk is dat deze ergens anders door is veroorzaakt. Immers, [getuige 1] heeft ook verklaard dat [aangever] ondertussen heel druk in de weer was om van alles te regelen met de politie en het ziekenhuis.
Snapchatgesprekken
Daarnaast zijn er in het dossier een aantal screenshots van snapchatgesprekken tussen verdachte en [getuige 2] en tussen verdachte en [aangever] opgenomen. In deze gesprekken wordt ook over het incident met [aangever] gesproken. Te lezen is dat verdachte meermaals zegt dat hij niet meer weet wat er die avond gebeurd is en dat hij er heel veel spijt van heeft. Ter terechtzitting heeft verdachte een verklaring gegeven voor de inhoud en woordkeuzes van zijn reactie op de beschuldigingen die via snapchat naar hem werden gestuurd. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment op zijn werk was en met een schuin oog op zijn telefoon zat. Hij werd overvallen door de berichten en schrok van wat hem werd verweten. Verdachte heeft toen geprobeerd om de situatie zoveel mogelijk te sussen en te de-escaleren. Hij was van plan om na zijn werk langs te gaan bij [aangever] en [getuige 2] om het uit te praten en om uit te zoeken waar de beschuldigingen vandaan kwamen.
De rechtbank is van oordeel dat uit deze berichten geen ondubbelzinnige bekentenis van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde kan worden vastgesteld. Het niet uitdrukkelijk ontkennen door de verdachte kan, mede gelet op wat hij hierover heeft verklaard, niet worden opgevat als een bekentenis. Deze berichten kunnen dan ook niet als steunbewijs dienen.
Conclusie
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat er geen steunbewijs voor de aangifte (in het bijzonder ten aanzien van de wetenschap/ernstige reden om te vermoeden dat bij [aangever] de wil ontbrak tot de seksuele handeling(en)) in het dossier aanwezig is, zodat niet is voldaan aan het bewijsminimum. Hiermee komt zij niet toe aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster.
De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het tenlastegelegde, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 26.375,- (plus pro memorie) aan materiële schade en € 7.500,- (plus pro memorie) aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Omdat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

5. De beslissing

De rechtbank:

spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde;
 verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. Vijftigschild (voorzitter), mr. M.M. Klaasen en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.