ECLI:NL:RBGEL:2026:5082

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
05/282045-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling ramkraak met diefstal en vernieling juwelierszaak Arnhem

Op 22 oktober 2025 pleegde verdachte samen met drie anderen een ramkraak op een juwelierszaak in Arnhem. Zij gebruikten een gestolen bestelbus en twee gestolen scooters om het pand te bereiken en de beveiliging te omzeilen. Verdachte en medeverdachten vernielden het pand en namen sieraden mee. Daarnaast werden diefstallen gepleegd van een motorscooter in Hilversum en een bedrijfsauto in Utrecht.

De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het onderdeel dat sprake was van gemeen gevaar voor aangrenzende panden bij de vernieling. Verdachte werd vrijgesproken van de diefstal van kentekenplaten wegens gebrek aan bewijs van betrokkenheid. De rechtbank oordeelde dat sprake was van meerdaadse samenloop en veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €4.329,16 aan materiële schade aan de benadeelde juwelierszaak, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de ramkraak. Een deel van de schadevordering werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op aan het voorwaardelijke deel van de straf, waaronder meldplicht bij de reclassering en gedragsinterventie.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 14 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en betaling van schadevergoeding voor ramkraak en diefstal.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.282045-25
Datum uitspraak : 25 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. M.J. Lamers, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, sieraden en/of juwelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik
heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om sieraden, juwelen en/of geld en/of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),
- zich met regenkleding, handschoenen, balaclava's, tassen, mokers en/of sloophamers vanuit
Amsterdam naar het winkelpand van [bedrijf] begeven,
- een rolcontainer voor het rolluik en/of de ingang van voornoemd winkelpand geplaatst,
- meermalen, althans eenmaal, met een bestelbus tegen voornoemde rolcontainer aangereden,
- zich toegang tot voornoemd winkelpand verschaft,
- ( een deel van) het beveiligingssysteem van voornoemd winkelpand uitgeschakeld,
- meerdere vitrines, met daarin sieraden en/of juwelen, kapotgeslagen en/of
- sieraden en/of juwelen in tassen gestopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 22 oktober 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een gebouw, te weten een winkelpand van [bedrijf] , aan [adres] , heeft vernield en/of beschadigd, door
- een rolcontainer voor de rolluiken en/of ingang behorend bij voornoemd winkelpand te plaatsen en/of
- vervolgens meermalen, althans eenmaal, met een bestelbus tegen voornoemde rolcontainer te
rijden, waardoor de rolluiken en/of ingang werden ontzet,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd gebouw en de in dat gebouw aanwezige inboedel en/of de aangrenzende panden/woningen en de inboedel daarvan, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
3
hij op of omstreeks 17 oktober 2025 te Hilversum tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een motorscooter (Vespa Piaggio met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2025 tot en met 22 oktober 2025 te Hilversum en/of Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een motorscooter (Vespa Piaggio met kenteken [kenteken] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
4
hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2025 tot en met 22 oktober 2025 te Utrecht
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een bedrijfsauto (Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] en/of [aangever 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 21 oktober 2025 tot en met 22 oktober 2025 te Utrecht en/of
Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, bedrijfsauto (Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof
5
hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2025 tot en met 22 oktober 2025 te Amsterdam,
althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
één of meerdere kentekenplaten (met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2025 tot en met 22 oktober 2025 te Amsterdam en/of Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere kentekenplaten (met kenteken [kenteken] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair en 5 subsidiair ten laste gelegde feiten. Voor het onder 5 primair ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie tot vrijspraak gerekwireerd.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de feiten 1 en 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, zij het dat volgens hem ten aanzien van feit 2 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen het onderdeel ‘terwijl daarvan gemeen gevaar voor de aangrenzende panden/woningen en de inboedel daarvan te duchten was’. Ook is de raadsman van mening dat ten aanzien van deze feiten sprake is van eendaadse samenloop.
De raadsman heeft verder bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van de feiten 3, 4 en 5.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten 1 en 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 85-87;
- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 268;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2026.
Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Overeenkomstig het standpunt van de raadsman acht de rechtbank ten aanzien van feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen dat, hoewel verdachte het winkelpand van [bedrijf] heeft vernield, deze vernieling zodanig was dat gemeen gevaar voor de aangrenzende panden/woningen en de inboedel daarvan te duchten was. Van dit onderdeel zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken.
De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog dat er sprake is van eendaadse samenloop. Van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is sprake indien de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet (meer dan enigszins) uiteenloopt.
Naar het oordeel van de rechtbank was er weliswaar sprake van één overkoepelend plan, maar de bewezenverklaarde gedragingen hangen niet zo nauw met elkaar samen dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. Hij heeft telkens een nieuw besluit genomen en in dat verband verschillende handelingen verricht. Bovendien loopt de strekking van de desbetreffende strafbepalingen meer dan enigszins uiteen. De diefstalbepaling (feit 1) beschermt het vermogen, in het bijzonder de eigendom en het bezit van roerende zaken, terwijl artikel 170 Sr Pro (feit 2) beschermt tegen gevaren voor (onder meer) goederen die voortvloeien uit vernieling van (onder meer) een gebouw. Er is dan ook sprake van meerdaadse samenloop.
Feit 3 en 4
Aangever [aangever 2] heeft verklaard dat hij eigenaar is van het motorvoertuig Vespa Piaggio met kenteken [kenteken] . Via Marktplaats bood hij dit voertuig te koop aan. Op 17 oktober 2025, om 00:02 uur, kreeg hij een bericht van ‘ [naam 1] ’. Deze vroeg of hij kon langskomen om te kijken naar de motor. Omstreeks 17:45 uur kwam er een jonge jongen aan de deur. Hij zei dat hij twintig jaar was geworden. Hij was licht getint, had een Marokkaans uiterlijk, korte zwarte krullen en droeg een bril, een grijze trui en een zwarte broek. Ook had hij een schoudertasje van het merk Louis Vuitton. De jongen vroeg of de motor nog goed was en waarom [aangever 2] hem weg deed. Hij kwam oprecht geïnteresseerd over. [aangever 2] legde hem een beetje uit hoe de motor werkte. De jongen overhandigde zijn schoudertas en zei dat hij zo terug was. Na tien minuten voelde [aangever 2] al nattigheid en na een half uur belde hij de politie. De jongen is niet meer teruggekomen. [2]
Aangever [aangever 3] heeft verklaard dat hij mede-eigenaar is van een bedrijfsauto van het merk Volkswagen, type Caddy, wit van kleur en voorzien van kenteken [kenteken] . De auto staat in het kentekenregister op naam van zijn partner, mevrouw [aangever 4] . [aangever 3] bood het voertuig te koop aan via Marktplaats. Op de advertentie werd gereageerd door ‘ [naam 2] ’. Op 21 oktober 2025 spraken zij af dat ‘ [naam 2] ’ een proefrit mocht maken. Op 21 oktober 2025 om 22:15 uur kwam er een persoon opdagen die aangaf ‘ [naam 2] ’ te zijn. [aangever 3] schatte zijn leeftijd tussen de achttien en twintig jaar. De man was tussen 1.75 meter en 1.80 meter lang, had een slanke lichaamsbouw en een Marokkaans uiterlijk. Zij spraken af dat de man een blokje om ging met de auto en de auto daarna in goede orde terugbracht. Omstreeks 22:20 uur was de man nog steeds niet terug met het voertuig. Toen [aangever 3] hem belde op het opgegeven telefoonnummer kreeg hij geen gehoor. Hij belde dit nummer later meermaals zonder resultaat, terwijl contact via dit nummer voorafgaand aan de proefrit wel mogelijk was. Op woensdag 22 oktober 2025 om 09:50 uur was het voertuig nog niet teruggebracht. [3]
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij geld nodig had. Hij zag ramkraakfilmpjes en zo kwamen zij op het idee om op een makkelijke manier aan geld te komen. Zij zijn vanuit Amsterdam met het (ram)busje naar Arnhem gekomen. Zij waren met zijn vieren. Er zaten er drie voorin het busje en één achterin. In de laadruimte van het busje stond een motor en lag een lange moker. Het busje was door één van hen gestolen in Utrecht. Dat was op 21 oktober 2025. Ook de motor was door één van hen gestolen. Zij kwamen bij deze juwelierszaak in Arnhem uit door te zoeken naar juweliers en dan te gaan kijken. Dat was een tijdje geleden. Het was zo gepland. Alles was gepland. Zij hebben het politiebureau gecheckt, de route hoe zij weg moesten rijden en de plek waar zij de motors moesten uitladen. De anderen hadden kleine mokers bij zich. Zij hebben een metalen vuilniscontainer gebruikt die een straat ernaast stond. Ook dit hoorde bij de voorbereiding. Zij hadden vanaf het begin al overlegd om een container te gebruiken. Er waren twee motoren. Die waren allebei gestolen. [medeverdachte 1] had een zwart skimasker op met een bouwlampje op zijn hoofd. Hij had twee vesten aan en daaronder een T-shirt, evenals een korte broek en twee lange trainingsbroeken, korte sokken, lange sokken en een regenbroek, in totaal dus drie broeken. Alle kleding was zwart. Ook droeg hij twee paar handschoenen, zwartkleurig, en tape om zijn polsen en enkels om makkelijk te werken, zodat er geen glas binnen kon komen en dat hij zijn haartjes niet kon verliezen. De voorbereiding kostte een maandje, anderhalf maandje. Buiten stond de vluchtpersoon, de rammer, te wachten voordat de politie kwam. [medeverdachte 1] heeft in de juwelierszaak het rookalarm stuk gemaakt en misschien één à twee vitrines. Hij pakte ook goederen uit de vitrines. Deze goederen deed hij in een big shopper. Deze was groot en zwart. De anderen hadden dezelfde tassen bij zich. Het vluchtplan was overstappen op de motor en dan een route rijden om op een plaats uit te komen waar zij konden overnachten. De buit zou gedeeld worden door vier. Zij zouden de buit samen verdelen. Het idee van de ramkraak was van hen allen. Zij kwamen er met zijn vieren op. [medeverdachte 1] schatte de buit vooraf op vier à vijf ton. [4]
Verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met de bus naar Arnhem kwam en dat zij met zijn vieren in de bus zaten. Hij zat voorin. Zij zaten met zijn drieën voorin, eentje zat achterin. Beide scooters stonden in de bus. De zwarte Vespa scooter zette hij in de bus toen ze in Amsterdam vertrokken. In Arnhem hielp hij mee met het uitladen van de scooters. Bij de juwelier is hij naar binnen gegaan, heeft hij kasten geopend en juwelen gepakt. Hij had een regenpak aan en een tas bij zich. Hij kende medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [5]
De scooter met kenteken [kenteken] is bij aanhouding van verdachten door de politie aangetroffen met draaiende motor op - kort gezegd - de stoep naast [bedrijf] . [6]
Ter plekke zag de politie ook een witte Volkswagen Caddy met flinke schade aan de voorzijde en in de laadruimte werden twee kentekenplaten met kenteken [kenteken] aangetroffen. [7]
Uit de bovenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte samen met drie anderen de gepleegde ramkraak bij [bedrijf] ruim van tevoren heeft gepland en in dat verband ook allerlei voorbereidingen heeft getroffen. Onderdeel van die voorbereidingen was onder meer het stelen van twee vluchtscooters en een busje door één van hen in de dagen voorafgaand aan de ramkraak. Op de avond van de ramkraak zijn verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en twee anderen met het gestolen busje met daarin ook de gestolen scooters vanuit Amsterdam naar Arnhem gereden om de ramkraak te plegen.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn daarmee de onder 3 primair en 4 primair ten laste gelegde diefstallen wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft deze feiten tezamen en in vereniging met anderen gepleegd. De vier betrokken personen hebben een wezenlijke bijdrage daaraan geleverd. Er was namelijk sprake van een gezamenlijk plan van onder meer verdachte om een ramkraak te plegen waarbij gebruik zou worden gemaakt van gestolen voertuigen. Eén van de verdachten heeft die voertuigen ook daadwerkelijk gestolen, terwijl verdachte op de avond van de ramkraak in het gestolen busje en met medebrenging van een gestolen scooter die hijzelf had ingeladen vanuit Amsterdam naar Arnhem is gereden. De bijdrage van verdachte is daarmee van voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Feit 5
Dit feit ziet op de diefstal dan wel de heling van een of meer kentekenplaten die op het gestolen busje waarmee de ramkraak is gepleegd waren gemonteerd. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier echter geen aanknopingspunten van enige betrokkenheid van verdachte hierbij. Verder blijkt niet uit het dossier dat het stelen van kentekenplaten deel uitmaakte van het plan om een ramkraak te plegen en ook is onduidelijk wie en op welk moment dat dan heeft gedaan. Bovendien kan uit het dossier niet worden afgeleid dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde kentekenplaten voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van dat voorhanden krijgen wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze kentekenplaten van diefstal afkomstig waren. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 5 primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de navolgende ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
1. primair
hij op
of omstreeks22 oktober 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,sieraden en/of juwelen,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [bedrijf]
en/of [aangever 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en
/ofzijn mededader
(s
)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf
heeft/hebben verschaft en
/of dat/die weg te nemen goederen onder
zijn/haar/hun bereik
heeft/hebben gebracht door middel van braak
, verbreking en/of inklimming;
2
hij op
of omstreeks22 oktober 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,opzettelijk een gebouw, te weten een winkelpand van [bedrijf] , aan [adres] , heeft vernield
en/of beschadigd, door
- een rolcontainer voor de rolluiken en/of ingang behorend bij voornoemd winkelpand te plaatsen en
/of
- vervolgens meermalen
, althans eenmaal,met een bestelbus tegen voornoemde rolcontainer te
rijden, waardoor de rolluiken en
/ofingang werden ontzet,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd gebouw en de in dat gebouw aanwezige inboedel
en/of de aangrenzende panden/woningen en de inboedel daarvan, in elk geval gemeen gevaar voor goederente duchten was;
3 primair
hij op
of omstreeks17 oktober 2025 te Hilversum tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,een motorscooter (Vespa Piaggio met kenteken [kenteken] ),
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [aangever 2] ,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4 primair
hij in
of omstreeksde periode van 21 oktober 2025 tot en met 22 oktober 2025 te Utrecht
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,een bedrijfsauto (Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] ),
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [aangever 3] en
/of[aangever 4]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair:
Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;
feit 2:
Medeplegen van een gebouw opzettelijk vernielen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 3 primair:
Diefstal door twee of meer verenigde personen;
feit 4 primair:
Diefstal door twee of meer verenigde personen.
5. De strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.
Het standpunt van de verdediging
De rechtbank begrijpt het pleidooi van de raadsman aldus dat aan verdachte dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd, in combinatie met een werkstraf van 120 uren. Ook heeft de raadsman om opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Verdachte heeft samen met anderen in de nacht van 22 oktober 2025 juwelierszaak [bedrijf] in Arnhem op een professioneel voorbereide wijze overvallen. Op de dag van de ramkraak zijn zij met een door hen gestolen busje vanuit Amsterdam naar Arnhem gereden. In dit busje stonden ook twee vluchtscooters, die ook door hen waren gestolen, en er lagen verder mokers, tassen en zwarte kleding. In Arnhem hebben zij een in de buurt van [bedrijf] staande rolcontainer naar het pand geduwd om zo de anti-rampaaltjes voor de pui te omzeilen, waarna zij met het busje driemaal tegen de rolcontainer zijn aangereden die vervolgens de pui van de juwelierszaak heeft ontzet. Via de daardoor ontstane opening zijn verdachte en twee medeverdachten naar binnen gegaan. Daar hebben zij veel schade aangericht door met mokers het als anti-inbraak dienende rookgordijn kapot te slaan, evenals de aanwezige glazen vitrines met sieraden en juwelen. Deze sieraden en juwelen hebben zij vervolgens in de meegebrachte tassen gestopt. Op het moment dat zij het pand weer wilden verlaten zijn zij op heterdaad aangehouden door de politie.
Het gaat hier om ernstige feiten. Door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten zijn het pand en de inboedel van de juwelierszaak fors beschadigd geraakt. Met het herstel en het opruimen daarvan en de verdere afwikkeling van de schade is de nodige tijd en energie gemoeid (geweest). Ook verstoort het de normale bedrijfsvoering van de juwelierszaak en leidt het tot overlast en frustratie bij zowel de juwelier als de eigenaar van het pand. Bovendien zorgen dergelijke feiten niet alleen voor gevoelens van onrust en onveiligheid bij de slachtoffers, maar ook bij andere ondernemers in de buurt en in de maatschappij in het algemeen. Van dit alles heeft verdachte zich kennelijk geen rekenschap gegeven en heef hij slechts oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Daarnaast zijn de diefstal van een bedrijfsauto en twee scooters brutale en ergerlijke feiten, waarmee overlast, schade en ergernis is veroorzaakt, en waarmee verdachte heeft aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendom. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 22 mei 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder voor (gekwalificeerde) diefstal is veroordeeld. Ook volgt hieruit dat verdachte na het begaan van de bewezenverklaarde feiten nog een strafbeschikking heeft gekregen. Artikel 63 Sr Pro is daarom van toepassing.
De rechtbank heeft verder gelet op het advies van de Reclassering van 29 mei 2026. Daaruit blijkt dat risicofactoren voor recidive een instabiele leefsituatie en negatieve sociale contacten zijn. Wanneer verdachte zijn leven niet op orde heeft, laat hij zich vermoedelijk beïnvloeden/meeslepen en denkt hij onvoldoende na over de gevolgen van zijn handelen.
Inmiddels werkt verdachte aan het verbeteren van zijn leefsituatie. Er zijn echter ook beschermende factoren die de kans op recidive verminderen. Verdachte beschikt over tijdelijk werk en heeft plannen voor de toekomst. Zijn ouders, bij wie hij woont, zijn op de hoogte van de zaak en ondersteunen en motiveren hem. Verdachte staat sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis onder toezicht van de reclassering en heeft een enkelband (elektronische monitoring). Hij houdt zich aan de afspraken en stelt zich meewerkend op. De reclassering schat in dat verdachte hulp kan gebruiken bij het bestendigen van de huidige ontwikkelingen en bij het adequaat omgaan met eventuele hindernissen. Dit kan het recidiverisico ook op de langere termijn verminderen. Een reclasseringstraject wordt daarvoor passend gevonden. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden:
• meldplicht bij de reclassering;
• gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (indien de reclassering het nodig vindt);
• dagbesteding;
• aflossing schulden;
• contactverbod;
waarbij aan de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte daarbij te begeleiden.
Een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest zoals door de raadsman bepleit, acht de rechtbank niet passend bij de ernst van de door verdachte gepleegde feiten. Ditzelfde geldt voor de bepleite werkstraf. Naar het oordeel van de rechtbank is alleen een gevangenisstraf van langere duur op zijn plaats. Bij het bepalen van de duur van die gevangenisstraf houdt de rechtbank naast al het voorgaande rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte en het feit dat hij enige verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Om verdachte te stimuleren zich ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd. Alles overwegend zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van veertien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld. De rechtbank acht deze voorwaarden noodzakelijk ter voorkoming van recidive door verdachte.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de raadsman om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen zal worden afgewezen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [bedrijf] heeft in verband met de feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert, nadat zij ter terechtzitting haar eis heeft verminderd, een bedrag van € 17.129,16 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Ook vordert de benadeelde partij € 700,00 aan proceskosten.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- € 12.800,00 voor een binnenpui;
- € 4.329,16 voor een rolluik.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens de officier van justitie moet het totale bedrag pondsgewijs worden verdeeld tussen verdachte en de twee medeverdachten, nu ieder van hen een gelijk aandeel heeft.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.
Overwegingen van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
De kosten voor een rolluik (€ 4.329,16) staan naar het oordeel van de rechtbank in direct verband met de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten, zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. De verdediging heeft gesteld dat de kosten voor het rolluik voor rekening van [bedrijf] B.V., de eigenaar van het pand, komen, maar uit de overgelegde stukken blijkt dat een deel van die kosten reeds is betaald door de benadeelde partij, terwijl de e-mail waarin de totale kosten van herstel van de schade aan het rolluik zijn opgenomen ook is gericht aan de benadeelde partij. In het licht hiervan is de betwisting van deze post door de verdediging onvoldoende onderbouwd. De gevorderde schadevergoeding voor de kosten van het herstel van het rolluik zal daarom worden toegewezen.
Ten aanzien van de kosten voor de binnenpui (€ 12.800,00) heeft de verdediging gewezen op verschillende onduidelijkheden. Zo staat de ene offerte op naam van de benadeelde partij, de andere offerte op naam van [bedrijf] B.V. Uit de offerte gericht aan de benadeelde partij blijkt dat er kon worden gekozen uit een buitenpui of binnenpui, terwijl uit de offerte gericht aan [bedrijf] B.V. blijkt dat is gekozen voor een ‘aluminium winkelpui’ voor een bedrag van € 17.450,00. Dit bedrag komt overeen met het bedrag voor een buitenpui op de offerte gericht aan de benadeelde partij. Ten slotte wijst de verdediging met verwijzing naar pagina 231 van het dossier erop dat het aanbrengen van een nieuwe pui valt binnen de verzekering van [bedrijf] B.V.
Gelet op een en ander kan deze schadepost naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nader onderzoek worden beoordeeld. Behandeling hiervan levert een onevenredige belasting op van het strafproces. Daarom zal de rechtbank dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 700,00 aan proceskosten zal de rechtbank aansluiting zoeken bij het in Nederlandse civiele procedures voor kosten van rechtsbijstand gebruikelijke liquidatietarief dat geldt in kantonzaken waarbij de rechtbank bij het bepalen van het toepasselijke tarief uitgaat van de hoogte van het toegewezen bedrag van € 4.329,16. Dit betekent dat de rechtbank de proceskosten zal bepalen naar de maatstaf van het liquidatietarief kanton en het tarief dat geldt voor bedragen van tussen de € 3.750,00 en € 5.000,00. Er zullen twee punten à € 271,00 worden toegekend, te weten één punt voor het opstellen en indienen van de vordering en één punt voor het bijwonen van de zitting. Hierop zal de rechtbank nog een correctie toepassen van 0,5, gelet op de samenhang van deze zaak met de zaken tegen de twee medeverdachten. De rechtbank zal ten aanzien van de benadeelde partij dus een bedrag van 2 x € 271,00 x 0,5 = € 271,00 toekennen ter zake van proceskosten.
Nu de schade is ontstaan op de dag van de ramkraak, te weten 22 oktober 2025, is verdachte vanaf die dag wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken, nu er sprake is van groepsaansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW Pro, dit zowel voor wat betreft het toegewezen bedrag aan materiële schade als de schadevergoedingsmaatregel. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachten de schade hebben vergoed.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 63, 170 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder 5 primair en subsidiair ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
veertien (14) maanden;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden:
  • Verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Het lopende toezicht kan worden voortgezet in een regulier kader;
  • Indien de reclassering meent dat dit nodig is, dient verdachte binnen de proeftijd deel te nemen aan een gedragsinterventie van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, zolang de reclassering de training nodig vindt. De reclassering bepaalt of deze training individueel of in groepsverband moet plaatsvinden. Vooralsnog wordt de individuele training SOLO als passend gezien. Deze bestaat uit dertien sessies, waarbij veel aandacht is voor het vergroten van beschermende factoren en voor positieve levensdoelen. Er wordt een delictanalyse gemaakt, die centraal staat in de verdere training. Daarnaast is er ruimte voor maatwerk en er kan ingegaan worden op individuele problematiek;
- Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van (betaald) werk en/of opleiding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- Verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de
medeverdachten:
- [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedag] 2007);
- [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedag] 2007);
zolang de reclassering dit verbod nodig vindt;
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 veroordeelt verdachte in verband met de feiten 1 primair en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [bedrijf] van
€ 4.329,16aan materiële schade, vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 22 oktober 2025tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op € 271,00;
  • legt aan verdachte de
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachten (een deel van) het schadebedrag betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. M. Rietveld en
mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren en mr. E.C. van Geemen, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.
Mrs. Van Gameren en Van Geemen zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025511830, gesloten op 20 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte [aangever 2] , p. 90.
3.Proces-verbaal van aangifte [aangever 3] , p. 101-102.
4.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 60-65.
5.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2026.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 129-130.
7.Proces-verbaal van bevindingen, p. 131 en proces-verbaal van bevindingen, p. 186.