ECLI:NL:RBGEL:2026:5083

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
12044823
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 71 lid 1 RvArt. 93 sub a RvArt. 93 sub b RvWet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident over overschrijding kantongrens in civiele procedure tegen ING Bank

In deze civiele procedure vordert eiser een bedrag dat volgens ING Bank de kantongrens van €25.000 overschrijdt, waardoor de kantonrechter zich onbevoegd zou moeten verklaren. Eiser stelt echter dat de vordering beperkt is tot €25.000, onder meer door een voorbehoud in de dagvaarding en conclusie van antwoord.

De kantonrechter beoordeelt dat de optelsom van de verschillende schadeposten en de tot aan de dag van dagvaarding verschenen rente de kantongrens overschrijdt. Bovendien heeft eiser niet ondubbelzinnig afstand gedaan van het meerdere boven €25.000. Daarom is de kantonrechter onbevoegd om van het geschil kennis te nemen.

De zaak wordt op grond van artikel 71 lid 1 Rv Pro verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem. Partijen worden gewezen op de verplichting zich voortaan door een advocaat te laten vertegenwoordigen en op de verschuldigdheid van een verhoogd griffierecht. De proceskosten van het incident worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich onbevoegd wegens overschrijding van de kantongrens en verwijst de zaak naar de civiele kamer van de rechtbank.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12044823 \ CV EXPL 26-372
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: ING,
gemachtigde: mr. T.J.P. Jager.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 december 2025,
- de aangepaste dagvaarding van 25 februari 2026,
- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid,
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Vervolgens is vonnis in het incident bepaald.

2.Het bevoegdheidsincident en de beoordeling daarvan

2.1.
ING verzoekt de kantonrechter van de Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem zich onbevoegd te verklaren met veroordeling van [eiser] in de proceskosten van dit incident.
2.2.
ING legt daaraan onder meer ten grondslag dat de vordering van [eiser] een beloop heeft van meer dan € 25.000,00 (artikel 93 sub a Rv Pro). [eiser] voert aan dat zij haar vordering heeft beperkt tot € 25.000,00. Hiertoe heeft zij in de dagvaarding opgenomen:
“dat ik bereid ben ter voorkoming, dat het bedrag van € 25.000,-- wordt overschreden, eventueel een deel van de wettelijke rente niet op te eisen.".In de conclusie van antwoord in het incident heeft zij opgenomen:
“Het is zeer vergezocht van ING om te suggereren, dat mijn vordering door het woord ‘eventueel” door mij allesbehalve definitief afstand wordt gedaan van het meerdere boven € 25.000,-- (…) Het enige dat telt is, dat mijn vorderingen bij elkaar genomen niet hoger zijn dan € 25.000,--, hetgeen ik onomstotelijk in mijn dagvaarding heb bewezen, waardoor ik voldoe aan wetsartikel 93 sub b Rv.”
2.3.
Op grond van artikel 93 sub a Rv Pro worden vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00, de tot aan de dag van dagvaarding verschenen rente daarbij inbegrepen, door de kantonrechter behandeld en beslist. Naar het oordeel van de kantonrechter is ligt de waarde van de verschillende vorderingen van [eiser] niet onder de kantongrens van € 25.000,00 . De optelsom van de verschillende schadeposten en de reeds tot aan de dag van de dagvaarding verschenen rente, maakt dat de ingestelde vordering deze grens al is gepasseerd. Die grens was reeds gepasseerd bij de datum waarop de dagvaarding is betekend, welke dagvaarding door [eiser] op instructie van de rolrechter is vervangen wegens overschrijding van de omvang van het aantal pagina’s. Daar komt bij dat [eiser] , gelet op de hiervoor opgenomen citaten, niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het meerdere (boven de € 25.000,00). Dit brengt met zich dat de kantonrechter onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen. De kantonrechter zal de zaak op de voet van artikel 71 lid 1 Rv Pro, in de stand waarin deze zich bevindt, verwijzen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank. Hetgeen door [eiser] nog is aangevoerd tegen verwijzing, leidt niet tot een andere beslissing.
2.4.
Het in deze procedure ten laste van [eiser] geheven griffierecht bedraagt
€ 753,00. Nu de zaak zal worden verwezen naar de civiele kamer van deze rechtbank, niet zijnde de kamer voor kantonzaken, zal het griffierecht worden verhoogd. De verhoging bedraagt € 661,00 (€ 1.414,00. -/- € 753,00). Na verwijzing is ook ING griffierecht verschuldigd. Dit griffierecht bedraagt € 3.083,00.
2.5.
De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten van het incident tussen partijen te compenseren, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem,
3.2.
verwijst de zaak daartoe naar de civiele rol, niet zijnde de civiele rol voor kantonzaken, van
[datum] 2026om 10:00 uur,
3.3.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure moeten worden vertegenwoordigd door een advocaat en dat een advocaat uiterlijk op de in rechtsoverweging 3.2 genoemde roldatum zich namens een partij dient te stellen,
3.4.
wijst [eiser] erop dat na verwijzing een verhoogd griffierecht is verschuldigd van € 661,00, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven, waarvoor [eiser] van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een nota met betaalinstructies ontvangt,
3.5.
wijst [eiser] erop dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven aan de griffie is overgelegd:
- een afschrift van het besluit tot toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging, dan wel
- een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ten behoeve van vermindering van griffierechten (zonder gebruikmaking van een toevoeging),
3.6.
wijst ING erop dat na verwijzing een griffierecht is verschuldigd van € 3.083,00, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht binnen vier weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven, waarvoor ING een nota met betaalinstructies ontvangt van het LDCR,
3.7.
compenseert de proceskosten van het incident tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
44356 \ 51588